Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1976

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
10/810008-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht door atletiekcoach.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810008-19

Datum uitspraak: 5 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.L.G. Rens, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van

5 jaar en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij de Waag, een contactverbod met aangeefsters [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en een beroepsverbod als sporttrainer;

- opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2 (zaak Moanda)

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

In haar requisitoir heeft de officier van justitie uiteengezet welke bewijsmiddelen de verklaringen van aangeefster ondersteunen en zij heeft daarbij gewezen op de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 2] , [naam getuige 3] , [naam getuige 4] en [naam getuige 5] .

Op grond hiervan heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.1.2.

Beoordeling

De vraag die moet worden beantwoord is of er naast de verklaringen van aangeefster [naam slachtoffer 2] ondersteunende bewijsmiddelen in het dossier aanwezig zijn die redengevend zijn voor het ten laste gelegde feit en een inhoudelijk verband hebben met de verklaringen van aangeefster. In de door de officier van justitie aangehaalde getuigenverklaringen wordt vooral verklaard over ongepaste en grensoverschrijdende massages die de verdachte regelmatig zou hebben gegeven. Over de concrete ten laste gelegde gedragingen (kortweg het onverhoeds (tong)zoenen en het leggen van een hand op de bil van aangeefster) die de verdachte worden verweten, verklaren zij echter niet. Alleen de getuige [naam getuige 5] heeft verklaard dat de verdachte haar in de periode tussen 1997 en 2000 twee keer heeft ge(tong)zoend. Daarnaast bevinden zich in het dossier diverse getuigenverklaringen die afkomstig zijn uit één bron: de verklaring van aangeefster. Over hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd kunnen zij dan ook niet meer vertellen dan wat zij daarover van aangeefster zelf hebben gehoord. Hoewel het de rechtbank op grond van het procesdossier genoegzaam is gebleken dat de verdachte zich als atletiektrainer in de omgang met aangeefster en andere pupillen gedurende een langere periode ongepast en grensoverschrijdend heeft gedragen, bevat het dossier onvoldoende steunbewijs om te kunnen concluderen dat de verdachte de hem onder dit feit verweten strafbare gedragingen heeft begaan.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat vrijspraak dient te volgen.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

Feit 1 (zaak Portgentil)

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, omdat hiervoor onvoldoende (steun)bewijs voorhanden is. Al het bewijs komt immers uit één en dezelfde bron, te weten de verklaring van aangeefster. Zelfs al zou bewezen worden verklaard dat de verdachte de borsten van aangeefster heeft aangeraakt - hetgeen hij ontkent - dan kan dit handelen van de verdachte niet als ontuchtig worden gekwalificeerd, omdat niet is gebleken dat de verdachte met zijn handelingen enige seksuele (bij)bedoeling heeft gehad.

4.2.2.

Beoordeling

Aangeefster [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ) heeft verklaard dat zij in april 2006 door de verdachte, destijds haar atletiektrainer, is meegevraagd op trainingsstage naar Lloret de Mar in Spanje. Zij was toen 14 jaar oud. Zij waren daar op trainingsstage met nog twee of drie andere atletes. Toen zij in het hotel aankwamen, bleken er twee kamers te zijn geboekt. De andere meisjes kozen samen een kamer, waardoor aangeefster een kamer met een tweepersoonsbed met de verdachte moest delen. Op een avond heeft de verdachte aangeefster in die hotelkamer op het tweepersoonsbed een rugmassage gegeven. Aangeefster lag op haar buik en de verdachte zat op haar billen. Haar bovenlichaam was ontbloot. Op enig moment zei de verdachte dat aangeefster zich om kon draaien, zodat hij ook haar voorkant kon masseren. Aangeefster durfde geen ‘nee’ te zeggen en heeft zich omgedraaid. De verdachte heeft vervolgens haar borsten gemasseerd terwijl hij op haar schoot zat. Zij heeft verder verklaard dat zij tijdens deze massage heeft gevraagd of dit wel zo hoorde en of dit wel oké was, waarop de verdachte aangaf dat als zij last had van haar borsten hij haar daarbij kon helpen. Aangeefster had eerder op die dag te kennen gegeven last te hebben van pijnlijke borsten.

De gedetailleerde verklaring van aangeefster vindt op essentiële onderdelen steun in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft erkend dat hij in 2006 samen met aangeefster op trainingskamp in Spanje is geweest, dat aangeefster bij hem op de hotelkamer in een tweepersoonsbed sliep en dat hij haar een rugmassage heeft gegeven. Vervolgens heeft hij haar op enig moment gevraagd zich om te draaien, waarna hij haar schouders, nek en sleutelbeen heeft gemasseerd. Op het moment dat hij aangeefster masseerde, had zij een ontbloot bovenlichaam en zat hij op haar schoot. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij haar een massage heeft gegeven, omdat zij eerder die dag had aangegeven pijn te hebben. Hij wilde dit zo snel mogelijk verhelpen, zodat zij weer door kon gaan met de training.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster dit incident na terugkomst uit Spanje in 2006 direct heeft verteld aan haar moeder ( [naam moeder] ), [naam mentor] (destijds haar mentor op school) en [naam 1] (voormalig atletiektrainer van aangeefster en destijds wijkagent). De rechtbank stelt vast dat dit geen ‘de auditu’ (van horen zeggen)-verklaringen betreffen, maar verklaringen van hetgeen de aangeefster rechtstreeks tegen hen heeft gezegd. Deze verklaringen ondersteunen de aangifte dan ook in voldoende mate.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de ontblote borsten van aangeefster heeft gemasseerd en betast, terwijl zij als minderjarige aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid was toevertrouwd. De verdachte was immers tijdens het plegen van voornoemde handeling haar 46-jarige atletiektrainer, onder wiens vleugels zij in Spanje op trainingskamp was.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de verdachte gepleegde handeling als ontuchtig moeten worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van de zedelijkheidswetgeving is het beschermen van de seksuele integriteit van personen die daartoe op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, zelf niet in staat zijn. Verder blijkt dat de wetgever handelingen van seksuele aard strafbaar heeft willen stellen, voor zover die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden aangemerkt, is niet doorslaggevend of de dader met de handeling zélf ontuchtige bedoelingen had. Het gaat om handelingen van seksuele aard die in strijd met de sociaal-ethische norm zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden van seksuele aard zijn, waarbij die handelingen dusdanig in strijd zijn met de geldende sociaal-ethische norm dat sprake is van ontucht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de context waarbinnen de verdachte aangeefster haar borsten heeft betast en gemasseerd, namelijk ’s avonds in een afgesloten hotelkamer buiten het zicht van anderen, en de positie waarin aangeefster zich ten opzichte van de verdachte bevond: op haar rug met een ontbloot bovenlichaam, terwijl de verdachte op haar schoot zat. Bij de beoordeling weegt naar het oordeel van de rechtbank ook mee het aanzienlijke leeftijdsverschil – de verdachte was 46 jaar en aangeefster 14 jaar – en het daaruit voortvloeiende duidelijke verschil in de stand van de seksuele ontwikkeling. Daar komt nog bij dat sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen een trainer en zijn minderjarige atlete, die als 14-jarig meisje op trainingskamp naar het buitenland ging zonder haar ouders. De verdachte is met zijn handeling de grens van het toelaatbare overgegaan. Dat er volgens de verdachte geen sprake was van seksuele bedoelingen, is gezien het vorenstaande niet van doorslaggevend belang.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte eenmaal ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige aangeefster (feit 1 primair).

Feiten 3 en 4 (zaak Oyem)

4.2.4.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, omdat hiervoor onvoldoende (steun)bewijs voorhanden is. Al het bewijs komt immers uit één en dezelfde bron, te weten de verklaringen van de aangeefsters. Zelfs al zou bewezen kunnen worden verklaard dat de verdachte met zijn geslachtsdeel de billen van de aangeefsters heeft aangeraakt, dan kan dit handelen van de verdachte niet als ontuchtig worden beschouwd. De startoefeningen hadden immers een functioneel (trainings)doel en hadden op geen enkele manier een seksuele aard of strekking.

4.2.5.

Beoordeling

Aangeefster [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] ) heeft verklaard dat zij op haar 12e jaar bij atletiekvereniging [naam atletiekvereniging] in [plaats] ging trainen. Haar trainer was destijds de verdachte. Tijdens de zogeheten starttrainingen stond zij voorover gebogen met haar billen naar achteren. De verdachte stond dan achter haar en hield haar met zijn beide handen bij haar heupen beet en duwde met zijn geslachtsdeel tegen haar billen aan. Hij deed dit regelmatig. Zij voelde zich daar ongemakkelijk bij, welk gevoel werd versterkt door de toespelingen die hij daarbij maakte, bijvoorbeeld door tegen haar te zeggen dat zij lekkere billen had.

Ook haar oudere zus, [naam slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] ) heeft aangifte gedaan. Uit haar aangifte volgt dat zij van haar 11e tot en met haar 13e jaar training heeft gekregen van de verdachte in [plaats] . Zij heeft verklaard dat zij zich de zogeheten ‘startjes’ nog goed kan herinneren. Ook bij haar ging de verdachte bij het oefenen van de valstart achter haar staan. Op dat moment stond zij met één hand op de grond en één hand in de lucht, waarbij haar billen in de lucht wezen. De verdachte pakte haar met zijn beide handen bij haar heupen vast en zij voelde dan dat hij met zijn geslachtsdeel tegen haar billen aandrukte. Zij heeft hierover verklaard dat hij dit tijdens iedere training deed.

De verklaringen van de aangeefsters worden ondersteund door diverse getuigenverklaringen in het dossier. Zo heeft getuige [naam getuige 2] heel uitvoerig en gedetailleerd verklaard dat hij vaak zag dat de verdachte tijdens de starttrainingen meisjes bij hun heupen vastpakte en vervolgens met zijn geslachtsdeel tegen de billen van die meisjes aanstond, terwijl de meisjes op dat moment voorover gebogen stonden met hun billen naar achteren. Daarbij heeft getuige [naam getuige 2] nadrukkelijk aangegeven dat de verdachte bij het oefenen van de valstart tegen het lichaam van de meisjes aanstond, terwijl hij dat niet deed bij de jongens. Bij de jongens hield hij zeker een armlengte afstand. [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte bij een bepaalde oefening waarbij je met kracht uit een startblok moest komen, tegen haar aanstond en hij haar dan strak om haar middel greep. Zij voelde dat haar billen dan tegen zijn penis aankwamen. Dat ging volgens [naam slachtoffer 2] bij iedereen zo. Ook getuige [naam getuige 6] heeft verklaard gezien te hebben dat de verdachte bij iedere startoefening meerdere keren met zijn kruis tegen de billen van personen aanstond.

Gelet op bovengenoemde verklaringen, die elkaar over en weer ondersteunen, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte beide aangeefsters bij hun heupen heeft vastgepakt en vervolgens zijn penis tegen hun billen heeft aangeduwd en gehouden, terwijl zij aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid waren toevertrouwd. Verder staat vast dat de verdachte in de periode die ziet op aangeefster [naam slachtoffer 3] 45-49 jaar oud was en in de periode die ziet op aangeefster [naam slachtoffer 4] 40-43 jaar oud was. De verklaring van de verdachte dat hij tijdens de startoefening altijd enige afstand bewaarde tussen hem en de atletes waardoor zijn geslachtsdeel niet in aanraking kon komen met hun billen acht de rechtbank in het licht van voornoemde verklaringen niet geloofwaardig.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door de verdachte gepleegde handelingen jegens de aangeefsters als ontuchtig moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke gedragingen onder de geschetste omstandigheden reeds naar hun aard als ontuchtig aan te merken. Het gaat hier immers om bewust door de verdachte opgezochte momenten die gericht waren op fysiek contact tussen de billen van aangeefster en het geslachtsdeel van de verdachte, wat in strijd is met de sociaal-ethische normen. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de verklaring van atletiektrainer [naam 2] (met wie de verdachte samen trainingen gaf), waaruit blijkt dat dergelijke handelingen niet functioneel en niet noodzakelijk zijn bij voornoemde starttrainingen. De hier aan de orde zijnde handelingen van een atletiektrainer jegens aangeefsters, in het bijzonder gelet op het aanzienlijke leeftijdsverschil en het hieruit voortvloeiende overwicht, zijn dan ook maatschappelijk onaanvaardbaar en niet gebruikelijk.

4.2.6.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige aangeefsters (feiten 3 primair en 4 primair).

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 (telkens primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 30 april 2006 te Lloret

de Mar, Spanje, met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ), ontucht heeft gepleegd, namelijk het betasten van/wrijven over/masseren van de ontblote borsten van die [naam slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, op de schoot/heupen van die (liggende) [naam slachtoffer 1] zat;

3.

hij in de periode van 16 november 2005 tot en met 25 augustus 2009 te [plaats] , met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] ), meermalen ontucht heeft gepleegd, namelijk

het (telkens) die [naam slachtoffer 3] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, penis duwen/drukken/houden tegen de billen van die [naam slachtoffer 3] ;

4.

hij in de periode van 1 november 2000 tot en met 31 oktober 2003 te

[plaats] , met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] ), meermalen ontucht heeft gepleegd, namelijk

het (telkens) die [naam slachtoffer 4] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens)

zijn, verdachtes, penis duwen/drukken/houden tegen de billen van die [naam slachtoffer 4] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

ten aanzien van de feiten 1 primair, 3 primair en 4 primair telkens:

ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft blijkens de bewezenverklaring als atletiektrainer/coach gedurende een langere periode bij verschillende minderjarige meisjes die hij trainde en coachte ontuchtige handelingen gepleegd. Hij stond bekend als een zeer vakkundig en betrokken trainer. In een cultuur binnen de atletiekvereniging waarin volgens meerdere getuigen sprake was van een vriendschappelijk en ongedwongen (fysiek) contact tussen de verdachte en de atleten, heeft de verdachte, enkel en alleen ten behoeve van zijn seksuele verlangens, herhaaldelijk grensoverschrijdend en ontuchtig gehandeld. Daarmee heeft hij zijn positie en aanzien binnen de atletiekwereld misbruikt en keer op keer het door de slachtoffers, ouders en de atletiekvereniging in hem gestelde vertrouwen geschaad. Met zijn handelen heeft de verdachte, mede gelet op het uit het leeftijdsverschil voortvloeiende overwicht, een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. Minderjaren zijn juist vanwege hun leeftijd niet altijd in staat de juistheid en de gevolgen van hun handelen te overzien. In het bijzonder bij gedragingen die niet bij hun leeftijd passen, zoals seksuele handelingen. Zij behoeven in dergelijke gevallen juist bescherming. Uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht en de voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen is duidelijk naar voren gekomen hoezeer de slachtoffers zijn getroffen door het door de verdachte gepleegde misbruik.

Dergelijke feiten leiden bovendien tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij. Dat is ook gebleken uit de media-aandacht die deze zaak heeft gekregen. De rechtbank hecht er in dit verband aan op te merken dat die media-aandacht en het daarin geschetste beeld van de verdachte mede is gevormd op basis van ernstige mogelijk door de verdachte gepleegde strafbare feiten die inmiddels zijn verjaard. Bij het bepalen van de straf dient de rechtbank zich te beperken tot de bewezenverklaarde feiten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

30 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 8 juli 2019 en een (aanvullend) ‘voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever’ van 5 februari 2020. De reclassering concludeert in haar rapportage van 8 juli 2019 dat sprake is van een zorgelijk gedragspatroon. Er zijn bij de verdachte een tweetal diagnose-instrumenten gebruikt, namelijk de Static-99R en de Stable-2007.

Hierop scoort de verdachte respectievelijk laag/matig en matig. De items uit de Stable-2007 waar de verdachte matig op scoort zijn: vermogen tot een stabiele relatie, emotionele identificatie met kinderen (tieners), sociale afwijzing/eenzaamheid, desinteresse in het welzijn van anderen en impulsief gedrag. De verdachte scoort hoog op ontoereikende probleemoplossingsvaardigheden, daar zal dan ook in de behandeling extra aandacht voor dienen te zijn. De reclassering adviseert dan ook bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen bestaande uit een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke (forensische) zorginstelling. Uit voornoemd voortgangsverslag volgt dat de verdachte tijdens zijn schorsingstoezicht een ambulante behandeling bij de Waag, die onder meer is gericht op het meer inzicht krijgen in seksualiteit (regulatie, coping en gerichtheid), is gestart en dat hij zich tijdens die behandeling gemotiveerd en meewerkend opstelt. Zo is hij behandeltrouw, is hij bereid om kritisch naar zijn eigen functioneren, zijn seksuele oriëntatie, zijn motieven en het eigen (seksueel) grensoverschrijdend handelen te kijken. Volgens De Waag vordert de behandeling langzaam, maar gestaag. De ontoereikende probleemoplossingsvaardigheden van de verdachte blijven een extra aandachtspunt in de behandeling. De ernst van de aanklachten en de aankomende zitting maakt dat hij op praktische gebieden, waaronder dagbesteding en huisvesting, geen stappen kan of durft te zetten. Naar verwachting kunnen er concretere stappen worden gezet richting een toekomstplan, zodra de rechter uitspraak heeft gedaan. De reclassering blijft bij haar eerder uitgebrachte advies van een meldplicht en ambulante behandeling, omdat er volgens zowel de reclassering als De Waag meer tijd nodig is om de gewenste behandeldoelen te bereiken.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Voor het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met de ernst van het handelen van de verdachte die met name wordt bepaald door de jonge leeftijd van de slachtoffers en de manipulatieve wijze waarop hij vanuit een vertrouwens- en afhankelijkheidsrelatie stapsgewijs heeft toegewerkt naar het gedurende een lange periode plegen van ontuchtige handelingen. Daarnaast acht de rechtbank strafverzwarend dat uit het dossier blijkt dat de verdachte, ondanks eerdere waarschuwingen omtrent zijn ongepast en grensoverschrijdend gedrag, toch is doorgegaan en uiteindelijk de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft begaan. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de verdachte ter terechtzitting nauwelijks inzicht heeft getoond in het verwerpelijke van zijn handelen en dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen. Hij volhardt in zijn ontkenning waar het specifiek gaat om het strafbare en verwijtbare van zijn handelen en plaatst zichzelf ten onrechte in een slachtofferrol.

De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zoals door de officier van justitie was gevorderd. Daarvoor is onder meer redengevend dat minder feiten bewezen zijn verklaard en dat bij de bewezenverklaarde feiten geen sprake is geweest van seksueel binnendringen van het lichaam, anders dan in de door de officier van justitie in haar requisitoir aangehaalde jurisprudentie. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de voornoemde rapportages van de reclassering naar voren zijn gekomen en uit het verhandelde ter zitting zijn gebleken. Zo is de verdachte als gevolg van zijn handelen zijn baan bij de RET en als atletiekcoach verloren, is hij zijn woning kwijtgeraakt en is zijn huwelijk op de klippen gelopen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de reeds ingezette behandeling bij De Waag doorkruisen, hetgeen onwenselijk wordt geacht omdat verdere behandeling en begeleiding van de verdachte noodzakelijk zijn.

Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op de aard van de gedragingen, aanleiding aan de verdachte als bijzondere voorwaarde op te leggen dat hij als (sport)trainer/coach - in werk en hobby - geen activiteiten en/of werkzaamheden zal verrichten die betrekking hebben op de begeleiding/coaching van minderjarigen. Het voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe om de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan tot uitdrukking te brengen, alsmede om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, aan de verdachte geen contactverbod met aangeefsters opleggen, omdat gebleken is dat de verdachte zich tijdens zijn schorsing aan het contactverbod heeft gehouden en de rechtbank dit, mede gelet op het tijdsverloop sinds de bewezen verklaarde feiten, niet langer opportuun acht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Vorderingen benadeelde partijen

[naam benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van in totaal € 6.343,44, bestaande uit € 843,44 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 3.500,- aan immateriële schade.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tot een bedrag van € 6.193,44, te vermeerderen met de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot integrale toewijzing, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door hem bepleite vrijspraken.

8.4.

Beoordeling

8.4.1

[naam benadeelde 1]

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde schadepost ‘kosten Body-Dearmouring sessie, gericht op verwerken trauma Spanje’ (€ 540,-) en de daarvoor gevraagde schadepost ‘reiskosten’ (€ 67,76) zal deze worden toegewezen, nu de schade niet door de verdachte is betwist en bovendien voldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde overige reis- en parkeerkosten overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat proceskosten bestaande uit reis- en parkeerkosten alleen voor toewijzing vatbaar zijn indien de benadeelde partij in persoon procedeert. De benadeelde partij procedeert echter niet in persoon, zij heeft zich immers laten bijstaan door een gemachtigde. De wet biedt dus geen mogelijkheid voor vergoeding van deze reis- en parkeerkosten als proceskosten (zie ook HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600). Dit brengt met zich dat de gevorderde reis- en parkeerkosten niet voor toewijzing vatbaar zijn en dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De verdachte heeft met haar ontucht gepleegd toen zij minderjarig was en heeft daarmee aan haar geestelijk letsel toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gevolgen van ontucht ingrijpend zijn. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat bij haar als gevolg van het strafbare feit psychisch leed is ontstaan, waarvoor zij ook professionele hulp heeft gezocht. Deze schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden (onder meer de omstandigheid dat sprake was van een eenmalige ontuchtige handeling) en kijkend naar vergoedingen in vergelijkbare zaken naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal (€ 607,76 + € 1.500,- =) € 2.107,76.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Als ingangsdatum zal worden uitgegaan van de datum van het indienen van de vordering. Het te vergoeden schadebedrag wordt daarom vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 februari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.2

[naam benadeelde 2]

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, waarop de vordering betrekking heeft.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.3

[naam benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de bewezenverklaarde gedragingen, alsmede met hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren heeft gebracht en vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend. De benadeelde partij zal voor het overige

niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat een nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Als ingangsdatum zal worden uitgegaan van de datum van het indienen van de vordering. Het te vergoeden schadebedrag wordt daarom vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 februari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.5.

Conclusie

[naam benadeelde 1]

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 2.107,76, bestaande uit € 607,76 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Daarnaast wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

[naam benadeelde 2]

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

[naam benadeelde 3]

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Daarnaast wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 162 (honderdtweeënzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd melden bij Reclassering Nederland, Marconistraat 2 te (3029 AK) Rotterdam, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling nodig vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling stellen van de forensische polikliniek De Waag, of een soortgelijke zorginstelling, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die door of namens de zorgverlener van die instelling worden gegeven;

3. de veroordeelde zal gedurende de proeftijd als (sport)trainer/coach - in werk en hobby - geen activiteiten en/of werkzaamheden verrichten die betrekking hebben op de begeleiding en/of coaching van minderjarigen;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;

geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte verder tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de reclassering dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

de vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 2.107,76 (zegge: tweeduizendhonderdenzeven euro en zesenzeventig eurocent), bestaande uit € 607,76 aan materiële schade en € 1.500,-

aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.107,76 (hoofdsom, zegge: tweeduizendhonderdenzeven euro en zesenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 31 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

de vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

de vordering benadeelde partij [naam benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.000,- (hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 20 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

ZAAK PORTGENTIL

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 30 april 2006 te Lloret

de Mar, Spanje, met zijn pupil, althans een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ), ontucht heeft gepleegd, namelijk het betasten van/wrijven over/masseren van de ontblote borsten van die [naam slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, op de schoot/heupen van die (liggende) [naam slachtoffer 1] zat;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 30 april 2006 te Lloret

de Mar, Spanje, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [naam slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] ), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het betasten van/wrijven over/masseren van de ontblote borsten van die [naam slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, op de schoot/heupen van die (liggende) [naam slachtoffer 1] zat;

2.

ZAAK MOANDA

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 30 april 2005 te Cannes, Frankrijk, en/of Scheveningen, gemeente 's-Gravenhage, en/of Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer 2] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het

- geven van een zoen op de mond van die [naam slachtoffer 2] , het: geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het met zijn, verdachtes, hand de kin/het gezicht van die [naam slachtoffer 2] naar/in zijn, verdachtes, richting draaien en/of (vervolgens) onverhoeds die [naam slachtoffer 2] op de mond zoenen,

en/of

- meermalen, althans eenmaal, (telkens) tongzoenen van die [naam slachtoffer 2] , het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben (telkens) bestaan uit het in (de beslotenheid van) een auto zich naar die [naam slachtoffer 2] toe buigen en/of (vervolgens) onverhoeds die [naam slachtoffer 2] een tongzoen geven,

en/of

- leggen van een hand op de bil(len) van die [naam slachtoffer 2] , het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het naast die [naam slachtoffer 2] lopen en/of (vervolgens) onverhoeds zijn, verdachtes, hand op de bil(len) van die [naam slachtoffer 2] leggen;

3.

ZAAK OYEM

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2005 tot en met 25 augustus 2009 te [plaats] , althans in Nederland, met zijn pupil, althans een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] ), meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd, namelijk

het (telkens) die [naam slachtoffer 3] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, penis duwen/drukken/houden tegen de billen en/of vagina van die [naam slachtoffer 3] ;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2005 tot en met 25 augustus 2009 te [plaats] , althans in Nederland, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] ), meermalen, althans eenmaal, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens) die [naam slachtoffer 3] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, penis

duwen/drukken/houden tegen de billen en/of vagina van die [naam slachtoffer 3] ;

4.

ZAAK OYEM

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2000 tot en met 31 oktober 2003 te

[plaats] , althans in Nederland, met zijn pupil, althans een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] ), meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd, namelijk

het (telkens) die [naam slachtoffer 4] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens)

zijn, verdachtes, penis duwen/drukken/houden tegen de billen en/of vagina van die [naam slachtoffer 4] ;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2000 tot en met 31 oktober 2003 te

[plaats] , althans in Nederland, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [naam slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] ), meermalen, althans eenmaal, (telkens) buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens) die [naam slachtoffer 4] bij de heupen vastpakken/vasthouden en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, penis duwen/drukken/houden tegen de billen en/of vagina van die [naam slachtoffer 4] .