Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1850

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
10/700497-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft bij zes vrouwen in de leeftijd van 55 tot 84 jaar, die nietsvermoedend in hun eigen buurt op straat liepen met geweld hun halsketting(en) van hun nek getrokken. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarde en een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/700497-19

Datum uitspraak: 25 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Intermetzo, JJI te Lelystad.

Raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van

2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 13 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de Lepelaarsingel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (gouden) halsketting, toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 1] [*1944], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het onverhoeds van de nek trekken van die ketting bij die [naam slachtoffer 1] ;

2.

hij op 16 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Brielselaan, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen halsketting(en), toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 2]

[* 1960],, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld bestond) uit het onverhoeds van de nek trekken van die kettingen bij die [naam slachtoffer 2] ;

3.

hij op 16 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Beverstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee gouden kettingen, toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 3] [*1950], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het

- die [naam slachtoffer 3] duwen en

- die kettingen van de hals/nek van die [naam slachtoffer 3] trekken enrukken;

4.

hij op 20 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Schelmeroord, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen kettingen, toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 4]

[* 1964], , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het

- die [naam slachtoffer 4] vastpakken en

- die [naam slachtoffer 4] schoppen, terwijl die [naam slachtoffer 4] op de grond lag, en

- rukken of trekken aan die kettingen;

5.

hij op 22 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Lepelaarsingel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gouden ketting, toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 5] [* 1937], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld bestond uit het die ketting van de nek van die [naam slachtoffer 5] trekken;

6.

hij op 29 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten het Amelandseplein, ter uitvoering van het voornemen om een halsketting, die toebehoorde aan mevrouw [naam slachtoffer 6] [* 1964], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld tegen die [naam slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken,

- die [naam slachtoffer 6] heeft geschopt

- in het gezicht van die [naam slachtoffer 6] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

7.

hij op 29 oktober 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de 3e Carnissestraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting, toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 7] [* 1935], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [naam slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het rukken of trekken aan die ketting;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1, 2, 5 en 7, telkens:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;

3 en 4 telkens:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

6:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft, binnen een tijdsbestek van 17 dagen, zeven straatroven gepleegd.

Hij heeft bij zes vrouwen in de leeftijd van 55 tot 84 jaar, die nietsvermoedend in hun eigen buurt op straat liepen, één zelfs met een rollator, met geweld hun halsketting(en) van hun nek getrokken. Bij één van de zeven vrouwen die zich met schoppen en slaan verdedigde, is het de verdachte uiteindelijk niet gelukt de ketting weg te nemen. Dit zijn zeer kwalijke feiten. De verdachte lijkt doelbewust op zoek te zijn gegaan naar oudere vrouwen als gemakkelijke slachtoffers. Hij heeft misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van die slachtoffers en daarbij bovendien sieraden met een emotionele waarde weggenomen.

Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. De verdachte heeft bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, waarvan zij langdurig last kunnen hebben. Daarnaast heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor de waardevolle eigendommen van anderen, maar heeft zich laten leiden door eigen financieel voordeel. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit heeft geen invloed op de strafmaat.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting

GZ- psycholoog S.L. Ladan heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd

14 januari 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte komt in zijn handelen veel jonger over en er is sprake van functioneren op

verstandelijk beperkt niveau. Hij kan de risico's van eigen handelen nauwelijks inschatten, kan zijn eigen gedrag moeilijk organiseren en handelt zonder nadenken.

Het is de bedoeling dat hij zal doorstromen naar begeleid wonen en werk, wat meer passend is bij de volwassen LVB doelgroep dan bij jeugd. Ook dient te moeten worden ingezet op een langdurig traject tot in de volwassenheid. Hij lijkt het beste te functioneren als zaken duidelijk zijn, er veel tijd is voor uitleg en er rekening gehouden wordt met de korte aandachtsspanne. Hij lijkt moeilijk in staat zijn gedrag te reguleren zonder externe structuur.

Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen. Gezien de behoefte aan intensieve externe structuur en begeleiding zou overwogen kunnen worden om de verdachte te plaatsen in een (SVLVG) kliniek gericht op cliënten met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen bijvoorbeeld binnen een Borg-instelling, zoals Ipse de Bruggen (of een soortgelijke instelling).

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 6 februari 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is een 19-jarige jongeman, die op verstandelijk beperkt niveau functioneert en een gehooraandoening heeft. Hij is kwetsbaar en laat zich sterk beïnvloeden door anderen. Hij heeft veel begeleiding nodig om zijn omgeving te kunnen begrijpen en kan zijn emoties moeilijk reguleren. Zijn primaire reactie is boosheid/agressie, die even snel verdwijnt als dat die opkomt. Omdat zijn gedragsproblematiek voort lijkt te komen uit zijn verstandelijke beperking, is een klinische behandeling niet op zijn plaats. De verdachte zal geplaatst moeten worden in een 24-uurs beschermde woonvorm, gericht op mensen met een verstandelijke beperking.

De reclassering adviseert aan de hand van het wegingskader adolescentenstrafrecht bij een veroordeling toepassing van het jeugdstrafrecht met een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden onder meer begeleiding door de jeugdreclassering en ambulante behandeling.

De reclasseerder heeft ter zitting het advies toegelicht.

De verdediging heeft zich ter zitting aangesloten bij de visie van de psycholoog. De weg die de psycholoog voorstelt is het beste voor de toekomst van de verdachte, zo heeft de verdediging bepleit.

De rechtbank ziet net als de officier van justitie en de verdediging in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen op de meerderjarige verdachte. Het hebben van een verstandelijke beperking brengt niet automatisch met zich mee dat er jeugdstrafrecht moet worden toegepast.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden per straatroof is in beginsel gebruikelijk. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de verdachte de straatroven in opdracht van anderen heeft gepleegd en dat die andere (onbekend gebleven) personen dus misbruik hebben gemaakt van de beperkingen van de verdachte. Zowel de officier van justie als de verdediging gaan hier ook vanuit. Dit maakt dat een totale gevangenisstraf van achttien maanden, zoals de officier van justitie ook heeft geëist, passend en geboden is.

Nu de psycholoog en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van deze straf (zes maanden) voorwaardelijk opleggen, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal verblijven in een (SVLVG) kliniek gericht op cliënten met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen (bijvoorbeeld binnen een Borginstelling, zoals Ipse de Bruggen of een soortgelijke instelling) en zich zal houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 450,- aan materiële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.532,11 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam benadeelde 3] ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.825,- aan materiële schade en een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam benadeelde 4] ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.792,- aan materiële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam benadeelde 5] ter zake van het onder 6 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 65,94 aan materiële schade en een vergoeding van € 520,- aan immateriële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen toewijsbaar zijn.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht ten aanzien van de vordering van [naam benadeelde 1] een bedrag van € 359,- toe te wijzen, omdat de benadeelde partij voor dit bedrag een nieuwe ketting heeft gekocht. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht de vordering van [naam benadeelde 3] te matigen en de vordering van [naam benadeelde 5] en de vordering van [naam benadeelde 2] ten aanzien van het immateriële deel te matigen tot € 500,-.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de onder respectievelijk 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet dan wel niet voldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering van [naam benadeelde 1] worden toegewezen tot een bedrag van € 359,- en zullen de overige vorderingen integraal worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen [naam benadeelde 2] , [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 5] door de onder respectievelijk 2, 3 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op achtereenvolgens € 1.000,--, € 500,- en € 520,-, zodat de vorderingen zullen worden worden toegewezen.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de pleegdata.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 359,- , vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 2.532,11, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 3.325,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een schadevergoeding betalen van € 1.792,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 5] een schadevergoeding betalen van

€ 585,94 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Gelet op de kwetsbaarheid van de verdachte zal de rechtbank geen gijzeling bevelen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

de veroordeelde zal verblijven in een (SVLVG) kliniek gericht op cliënten met een licht

verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen (bijvoorbeeld binnen een

Borginstelling, zoals Ipse de Bruggen of een soortgelijke instelling) en zal zich houden aan

de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 359,- (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro ), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 359,- (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 2.532,11 (zegge: tweeduizendvijfhonderdtweeëndertig euro en elf cent ), bestaande uit een bedrag van

€ 1.532,11 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 2.532,11 (zegge: tweeduizendvijfhonderdtweeendertig euro en elf cent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen een bedrag van € 3.325,- (zegge: drieduizenddriehonderdvijfentwintig euro ), bestaande uit € 2.825,- aan materiële schade en een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 16 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 3.325,- (zegge: drieduizenddriehonderdvijfentwintig euro ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij

[naam benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 1.792,- (zegge zeventienhonderdtweeennegentig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te van € 1.792,- (zegge zeventienhonderdtweeennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 585,94 (zegge: vijfhonderdvijfentachtig euro en vierennegentig cent), bestaande uit € 65,94 aan materiële schade en een vergoeding van

€ 520,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

29 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen een bedrag van

€ 585,94 (zegge: vijfhonderdvijfentachtig euro en vierennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter,

en mr. M.P. van der Stroom en mr. S.C. Sassen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.E.M. Broeders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 25 februari 2020.

De oudste en de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de Lepelaarsingel, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) halsketting, geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 1]

[*1944], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het onverhoeds van de nek trekken van die ketting bij die [naam slachtoffer 1] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2019 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de Brielselaan, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer halsketting(en), geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 2]

[* 1960], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het onverhoeds van de nek trekken van die ketting(en) bij die [naam slachtoffer 2] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de Beverstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee gouden kettingen, geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 3]

[* 1950], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- die [naam slachtoffer 3] duwen en/of

- die kettingen van de hals/nek van die [naam slachtoffer 3] trekken en/of rukken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 20 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de Schelmeroord, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere ketting[en], geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 4] [* 1964], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- die [naam slachtoffer 4] vastpakken en/of

- die [naam slachtoffer 4] schoppen en/of trappen, terwijl die [naam slachtoffer 4] op de grond lag, en/of

- rukken of trekken aan die kettingen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 22 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de Lepelaarsingel, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een gouden ketting, geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 5] [* 1937], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond (en) uit het die ketting van de nek van die [naam slachtoffer 5] trekken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten het Amelandseplein, ter uitvoering van het voornemen om een halsketting, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan mevrouw [naam slachtoffer 6] [* 1964], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- met kracht aan die ketting heeft getrokken en/of

- op/tegen (de) be(e)n(en) van die [naam slachtoffer 6] heeft geschopt en/of getrapt en/of

- in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [naam slachtoffer 6] heeft geslagen

en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Rotterdam, op of nabij de openbare weg, te weten de 3e Carnissestraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ketting, geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [naam slachtoffer 7] [* 1935], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het rukken of trekken aan die ketting;