Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1795

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
C/10/520228 / HA ZA 17-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht (aanleg beschoeiing in tuin), deskundigenbericht, aansprakelijkheid hovenier op grond van wanprestatie, schadevergoeding.

Zie ook ECLI:NL:RBROT:2017:10838 en ECLI:NL:RBROT:2018:2779

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/520228 / HA ZA 17-135

Vonnis van 19 februari 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.W.G. van der Wallen te Voorburg,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [naam gedaagde 2], vennoot,

3. [naam gedaagde 3], vennoot,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.W. Kobossen te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [naam gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 oktober 2018 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het deskundigenrapport van H.J.M. van den Broek (Nassau Poort Taxaties en Expertise B.V.) van 21 juni 2019;

  • -

    de akte reactie deskundigenrapport van [eiser] , met één productie;

  • -

    de (antwoord)conclusie na deskundigenbericht, tevens verzet vermeerdering van eis van [naam gedaagde 1] ;

  • -

    de akte van [naam gedaagde 1] , waarin hij heeft gereageerd op de reactie van [eiser] van 19 april 2019 op het conceptdeskundigenrapport (welke reactie op 31 oktober 2019 door de rechtbank aan [naam gedaagde 1] is toegezonden, nadat [naam gedaagde 1] in zijn (antwoord)conclusie had aangegeven daarover niet te beschikken).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In deze procedure is een deskundigenbericht bevolen met betrekking tot - kort gezegd - de door [eiser] gestelde gebreken aan de door [naam gedaagde 1] in opdracht van [eiser] aangelegde beschoeiing en de daaruit voortvloeiende schade. In zijn akte na het deskundigenbericht heeft [eiser] aanspraak gemaakt op bedragen die niet, althans niet expliciet, zijn gevorderd in de dagvaarding. Volgens [naam gedaagde 1] is aldus sprake van een (impliciete) wijziging/vermeerdering van de eis. [naam gedaagde 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat niet valt in te zien dat [eiser] de nader gestelde schadeposten niet eerder aan de deskundige ter beoordeling had kunnen voorleggen en dat aldus sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde.

2.2.

Ingevolge artikel 130 lid 1 Rv is, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. Daartegen kan bezwaar worden gemaakt op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Omdat de eiswijziging tijdig is gedaan en [naam gedaagde 1] daarop in zijn conclusie na het deskundigenbericht genoegzaam heeft kunnen reageren, is van strijd met de eisen van een goede procesorde in dit geval geen sprake. Uitgegaan zal dan ook worden van de gevorderde bedragen zoals door [eiser] weergegeven in zijn akte na het deskundigenbericht. Volgens [eiser] dient [naam gedaagde 1] tenminste de volgende bedragen aan [eiser] te voldoen:

  1. de offertewaarde van de bestaande beschoeiing ad € 11.937,00 (inclusief btw);

  2. de sloopwerkzaamheden ad € 16.637,50 (inclusief btw);

  3. de herstelkosten van de rioolbuisafwatering ad € 2.087,25 (inclusief btw);

  4. e offertewaarde van de klikoconstructie ad € 802,50 (inclusief btw);

  5. de gevolgschade ad € 2.639,00 (inclusief btw);

  6. de beslagkosten ad € 763,03, te vermeerderen met het liquidatietarief;

  7. de kosten van Schalk Linde10 ad € 1.887,60 (inclusief btw);

  8. de wettelijke rente (p.m.);

  9. de kosten van de deskundige (p.m.);

  10. de buitengerechtelijke kosten (p.m.);

  11. de proceskosten (p.m.).

2.3.

De eerste vraag die in dit vonnis moet worden beantwoord, is of de beschoeiing over de eigenschappen beschikte die [eiser] als opdrachtgever daarvan redelijkerwijs mocht verwachten. Zoals in het tussenvonnis van 25 oktober 2017 onder 4.4 is overwogen, heeft in ieder geval te gelden dat [eiser] mocht verwachten dat de beschoeiing stevig zou zijn en van een goed en verzorgd afwerkingsniveau. In zijn rapport heeft de deskundige onder meer de volgende oordelen gegeven over de door [naam gedaagde 1] aangelegde beschoeiing:

- Antwoord op vraag 1: “De beschoeiing is onprofessioneel geplaatst qua afwerking, onjuiste paalafstand niet rechtlijnig geplaatst, hoogte verschil met veel openingen waardoor doorspoeling mogelijk is. De uitvoering is amateuristisch uitgevoerd, met meer zorg had dit veel beter gekund.”;

  • -

    Antwoord op vraag 2: “De beschoeiing staat zichtbaar niet loodrecht en is op diverse plaatsen verzakt. Er zijn vele openingen waar uitspoeling plaatsvindt. Had geheel voorkomen kunnen worden, ook bij een hogere waterstand.”;

  • -

    Antwoord op vraag 6: “(…) Als gevolg van de werkzaamheden van [naam gedaagde 1] dient alles verwijderd te worden. (…)”;

- Antwoord op vraag 7: “(…) Deze beschoeiing is onprofessioneel geplaatst op alle vlakken van uitvoering:

Hoofdsteun palen

Houtwand delen

Verankering

Maatvoering

Afdichting met worteldoek (…)”;

- Antwoord op vraag 9: “Deze waarde is nihil het dient in zijn totaliteit vervangen te worden. (…)”.

2.4.

De hiervoor weergegeven antwoorden van de deskundige rechtvaardigen de conclusie dat de beschoeiing niet over de eigenschappen beschikte die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten. Het oordeel van de deskundige is duidelijk, consistent en genoegzaam onderbouwd. Voor zover [naam gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de bevindingen en conclusies van de deskundige lijnrecht tegenover de conclusies en bevindingen van de eerder door de rechtbank benoemde deskundige staan, gaat de rechtbank daaraan voorbij. In het tussenvonnis van 25 oktober 2017 is immers geoordeeld dat in het voorlopige deskundigenbericht een onjuiste maatstaf is gehanteerd bij de beoordeling van de beschoeiing. Om die reden is nogmaals een deskundigenbericht bevolen. De conclusies en bevindingen van de eerdere deskundige zijn daarom thans niet relevant. Voor het (nader) horen van de deskundige(n), zoals door [naam gedaagde 1] betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank volgt [naam gedaagde 1] evenmin in zijn standpunt dat uit de beschouwing van de deskundige volgt dat, als de invloed van de (hierna te bespreken) welbron wordt weggedacht, de beschoeiing voldeed aan de daaraan in 2013 te stellen eisen. Gelet op de hiervoor onder 2.3 weergegeven citaten kan dat niet uit het deskundigenrapport worden afgeleid. Uitgangspunt bij de verdere beoordeling is dan ook dat de beschoeiing niet voldoet aan de overeenkomst tussen partijen.

2.5.

Uit het rapport van de deskundige blijkt dat op het perceel van [eiser] een zeer actieve grondwater welbron is geconstateerd. De deskundige heeft daarover het volgende opgenomen in zijn rapport:

- Antwoord op vraag 8: “(…) Er is op dit perceel een zeer actieve grondwater welbron vastgesteld, door de drainage die afwatert op de grote sloot achter het woonhuis waar de wateruitloop gigantisch veel is, dat wil zeggen dat elk herstel nutteloos is door het opwellende water uit de welbron, deze is zo sterk dat het gehele perceel met de ondergrond uit elkaar drijft, zie hiervoor de foto’s van de terrastegels in het midden van het perceel ± 20m van de zijde staan de tegels ± 5cm uit elkaar. Dit is gewoon weggeschoven door het opwellende grondwater ten gevolge van de welbron. (…) Het is onbegrijpelijk dat alle eerdere deskundigen dit probleem niet hebben omschreven of hoe het hersteld kon worden. De nog te plaatsen beschoeiing moet daarvoor extra verzwaard worden (…).

De waterdruk zal nooit 100% kunnen weerhouden als deze aangegeven herstel richtlijn niet opgesteld wordt, vandaar een extra zware uitvoering. Deze extra materiaalkosten zijn voor rekening van [eiser] , hij heeft het perceel met een welbron aangekocht.

De beschoeiing heeft een lengte van ± 89m1 en 1.20m boven waterniveau

De meerprijs is voor de eigenaar de heer [eiser] , wat neerkomt op een bedrag van € 37.330,00 (€ 48.700,00 - € 11.370,00 kosten [naam gedaagde 1] = € 37.330,00). Alle genoemde bedragen zijn excl. BTW.”

- Antwoord op vraag 11: “(…) Het perceeloppervlak heeft een opwellende welbron van grondwater. Deze is gezien door [naam gedaagde 1] en door middel van drainage buizen gedeeltelijk behandeld zodat het water continu uit de grond komt door de aanwezige welbron.

De welbron heeft invloed op de gehele bodemgrond, de bodem ligt op drijfzand en alle terrastegels verplaatsen zich zowel horizontaal als verticaal door de aanwezige bron. Deze problemen dienen goed inzichtelijk gemaakt te worden en hoe deze hersteld moeten worden. Geen enkele expert die deze zaak heeft gezien en behandeld (10-tal personen) heeft hierover een opmerking gemaakt, dus ook geen verwijt naar aannemer [naam gedaagde 1] .

Als dit niet opgelost wordt, blijft de heer [eiser] met een blijvend probleem zitten. Elke poging van herstel van het terras zal weer terug in de staat komen zoals deze nu is. (…)”

2.6.

Volgens [eiser] dient de vraag of de welbron de schade mede heeft veroorzaakt buiten de discussie te worden gelaten. Feit blijft dat de beschoeiing in de aanwezige, bekende situatie niet deugdelijk door [naam gedaagde 1] is aangelegd en dat daardoor schade is ontstaan, aldus [eiser] . [naam gedaagde 1] heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat uit het deskundigenrapport duidelijk blijkt dat sprake is van een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van de welbron en de schade aan de beschoeiing en de tuin. In de kern komt de strekking van het oordeel van de deskundige erop neer dat de welbron de oorzaak is van het uiteen drukken van de beschoeiingswanden, waardoor vele verzakkingen en scheuren zijn ontstaan, aldus [naam gedaagde 1] . In zijn visie zou van aansprakelijkheid daarom alleen sprake kunnen zijn als hem verweten kan worden dat hij bij het uitbrengen van zijn offerte niet of onvoldoende rekening heeft gehouden met de welbron. Dat is volgens [naam gedaagde 1] niet het geval, omdat hij [eiser] heeft voorgehouden dat de welbron bij de tuinaanleg een obstakel vormde en [eiser] vervolgens een expert heeft ingeschakeld, die de welbron (onder meer met camera’s) heeft onderzocht. Uit dat onderzoek volgde het advies aan [eiser] om het water via een pijp naar de sloot te leiden. Conform dat advies heeft [eiser] aan [naam gedaagde 1] opdracht verstrekt en conform die opdracht is de pijp aangelegd, aldus [naam gedaagde 1] . Hij heeft voorts aangevoerd dat hij hovenier is en niet beschikt over kennis of ervaring met betrekking tot welbronnen. Als een tiental deskundigen de betekenis van de welbron niet heeft ingezien, kan er volgens [naam gedaagde 1] bezwaarlijk enig verwijt aan hem worden gemaakt dat hij de effecten van de welbron niet heeft onderkend.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het deskundigenrapport niet anders worden afgeleid dan dat de door de deskundige geconstateerde schade - bestaande uit de factuurwaarde van de door [naam gedaagde 1] aangelegde beschoeiing en de kosten van verwijdering van deze beschoeiing - is veroorzaakt doordat door [naam gedaagde 1] een ondeugdelijke beschoeiing is aangelegd. Het door [naam gedaagde 1] gestelde causale verband tussen de welbron en die schade kan niet uit het rapport worden afgeleid. De rechtbank begrijpt het rapport van de deskundige aldus, dat de opmerkingen over het bestaan van de welbron met name relevant zijn in het kader van de eisen die aan de - op kosten van [eiser] - nieuw aan te leggen beschoeiing moeten worden gesteld. Deze opmerkingen doen er niet aan af dat de beschoeiing niet voldoet aan de overeenkomst en dat daardoor de in het rapport begrote schade is ontstaan. Dat het bestaan van de welbron de ontstane problemen mogelijk heeft verergerd, is daarbij niet relevant. Daarmee blijft onverlet dat uit het rapport blijkt dat de beschoeiing van meet af aan niet aan de daaraan te stellen vereisten heeft voldaan. Voor zover [naam gedaagde 1] nog heeft aangevoerd dat, naast de welbron, verder ook het gebruik, de natuurlijke zetting en het tijdsverloop sinds de oplevering de schade hebben veroorzaakt, heeft hetzelfde te gelden.

2.8.

Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat [naam gedaagde 1] niet heeft gehandeld zoals het een redelijk bekwaam en redelijk handelend hovenier betaamt en dat door zijn handelen schade is ontstaan. De rechtbank merkt daarbij nog op dat in het tussenvonnis van 25 oktober 2017 reeds is geoordeeld dat er, bij de beoordeling van de vraag of de beschoeiing over de eigenschappen beschikt die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten, ook rekening mee dient te worden gehouden dat als onbetwist vast staat dat [naam gedaagde 1] [eiser] niet heeft gewezen op varianten in materiaalkeuze en constructiewijze die - tegen hogere kosten - tot een kwalitatief betere of duurzamere beschoeiing hadden geleid, terwijl dit op grond van de op [naam gedaagde 1] als professioneel hovenier rustende zorgplicht wel op zijn weg lag. In hetgeen [naam gedaagde 1] in zijn akte na het deskundigenbericht heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hierop terug te komen.

2.9.

Aldus wordt toegekomen aan de beoordeling van de door [eiser] gevorderde schadeposten. De posten zoals onder 2.2 weergegeven zullen hierna afzonderlijk worden behandeld.

Ad a) de offertewaarde van de bestaande beschoeiing (€ 11.937,00)

2.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] voor de bestaande beschoeiing een bedrag van € 11.937,00 (inclusief btw) aan [naam gedaagde 1] heeft betaald. Bij brief van 15 december 2016 heeft [eiser] de overeenkomst tussen partijen, voor zover het de aanleg van de beschoeiing betreft, buitengerechtelijk ontbonden. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is dat op goede gronden gebeurd. [eiser] maakt aanspraak op terugbetaling van het aan [naam gedaagde 1] betaalde bedrag op grond van artikel 6:271 BW. Dit artikel bepaalt dat een ontbinding de partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Terugbetaling van het door [eiser] betaalde bedrag maakt de door [naam gedaagde 1] ontvangen prestatie ongedaan. Deze vordering is dan ook toewijsbaar.

2.11.

De door [eiser] ontvangen prestatie - de (aanleg van de) beschoeiing - kan niet ongedaan worden gemaakt. Artikel 6:272 lid 1 BW bepaalt dat, als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, daarvoor een vergoeding in de plaats treedt ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst. Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding ingevolge artikel 6:272 lid 2 BW beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. Nu de deskundige de waarde van de beschoeiing op nihil heeft gesteld - en de rechtbank geen aanleiding ziet om de juistheid van dat oordeel te betwijfelen - is er, anders dan [naam gedaagde 1] heeft betoogd, geen aanleiding om in dit kader een aan [naam gedaagde 1] toekomende vergoeding vast te stellen.

2.12.

Voor zover [naam gedaagde 1] heeft aangevoerd dat sprake is van eigen schuld van [eiser] en dat de vergoedingsplicht daarom in redelijkheid verdeeld dient te worden volgens de maatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW, kan zijn verweer evenmin slagen. [naam gedaagde 1] heeft in dit kader betoogd dat het aan [eiser] was om hem te waarschuwen voor de welbron en de invloed daarvan, maar dat standpunt gaat niet op. Ingevolge artikel 7:754 BW rust op de aannemer de verplichting de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt ingeval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder onder meer begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren. Nu niet in geschil is dat [naam gedaagde 1] voorafgaand aan de aanleg van de beschoeiing op de hoogte was van de welbron, kan hij niet aan [eiser] tegenwerpen dat [eiser] hem ter zake niet zou hebben gewaarschuwd.

Ad b) de sloopwerkzaamheden (€ 16.637,50)

2.13.

De deskundige heeft de kosten van verwijdering van de bestaande beschoeiing begroot op € 13.750,00 exclusief btw/€ 16.637,50 inclusief btw. Hij heeft dat als volgt toegelicht:

2.14.

[naam gedaagde 1] heeft aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in de begroting van deze kosten. Volgens hem kunnen de gebruikte materialen hergebruikt worden en is van “sloophout” dus geen sprake. Een bedrag van € 2.000,00 voor het afvoeren van de beschoeiing is volgens [naam gedaagde 1] aanmerkelijk te hoog. Hij heeft aangevoerd dat het plaatsen van een container ongeveer € 200,00 à € 300,00 zal kosten en het afvoeren niet meer dan een paar honderd euro. [naam gedaagde 1] is voorts van oordeel dat hij, gelet op de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst, aanspraak heeft op de bij het slopen van de beschoeiing vrijkomende materialen en dat [eiser] deze dus niet hoeft af te voeren.

2.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt af te wijken van het door de deskundige begrote bedrag. Voor zover [naam gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de begrote kosten te hoog zijn heeft hij zijn verweer onvoldoende onderbouwd. Zoals ook hiervoor onder 2.11 is overwogen, heeft de deskundige de waarde van de bestaande beschoeiing op nihil gesteld en ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Ten slotte volgt de rechtbank [naam gedaagde 1] ook niet in zijn standpunt dat hij aanspraak kan maken op de materialen die bij het slopen van de beschoeiing vrijkomen. Een grondslag voor dat standpunt ontbreekt. Een en ander brengt mee dat in dit kader het gevorderde bedrag van € 16.637,50 zal worden toegewezen.

Ad c) de herstelkosten van de rioolbuisafwatering (€ 2.087,25)

2.16.

In het tussenvonnis van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank (in overweging 4.14) geoordeeld dat, indien in het verdere verloop van de procedure vast komt te staan dat als gevolg van uitspoeling van grond bij de slootdoorvoer(buis) schade is ontstaan, [naam gedaagde 1] in de gelegenheid zal worden gesteld zijn stelling dat hij [eiser] daarvoor heeft gewaarschuwd te bewijzen. Aan de deskundige is (onder meer) de vraag voorgelegd of er schade is ontstaan als gevolg van uitspoeling van grond bij de slootdoorvoer(buis). De deskundige heeft daarop als volgt geantwoord: “De aanwezige rioolbuis van de gemeente is niet rondom afgedicht met beton als keerwand ± 1.50m breed en tot hoogte bovenkant beschoeiing, deze constructie zoals nu is uitgevoerd is onprofessioneel waardoor er uitspoeling van grond is.”. Op de vraag of de deskundige een omschrijving en begroting kan geven van de omvang van de schade die is opgetreden als gevolg van uitspoeling van grond bij de slootdoorvoer(buis) heeft de deskundige als volgt geantwoord:

“Deelschade c gemeentebeschoeiing met rioolbuisafwatering

  • -

    Afgraven zanddeel ± 5,00m3

  • -

    Het storten van betonwand deel 1,50m breed, 1,00m +peil en 1,00m diep -waterpeil om elke uitspoeling te voorkomen

  • -

    PVC vijverfolie 0,02mm dik voor alle gemeentelijke beschoeiing op lekkage af te dichten

  • -

    Terugplaatsen zand ± 5,00m3. Dit is onderdeel van het gehele beschoeiing herstel, wat een kostenpost met zich meebrengt van ± € 1.725,00 (excl. BTW). (…)”

2.17.

Volgens [eiser] bedragen de herstelkosten van de rioolbuisafwatering € 2.087,25 (inclusief btw) en dient dit bedrag door [naam gedaagde 1] te worden betaald. [naam gedaagde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de in dit kader door de deskundige begrote kosten betrekking hebben op de nieuw aan te leggen, extra zwaar uitgevoerde beschoeiing, waarvoor hij niet aansprakelijk kan worden gehouden. De rechtbank is met [naam gedaagde 1] van oordeel dat onvoldoende gebleken is dat het door de deskundige begrote bedrag van € 2.087,25 kan worden aangemerkt als schade die is ontstaan als gevolg van uitspoeling van grond bij de slootdoorvoer(buis), zoals bedoeld in het tussenvonnis van 25 oktober 2017. De deskundige benoemt dit bedrag immers niet als zodanig (hoewel daarom wel expliciet was gevraagd), maar als “onderdeel van het gehele beschoeiing herstel”. Dat de kosten van de aanleg van een nieuwe (stevigere) beschoeiing niet voor rekening van [naam gedaagde 1] kunnen komen, is tussen partijen niet in geschil. Aan bewijslevering, zoals bedoeld in het tussenvonnis, wordt dan ook niet toegekomen. Voor toewijzing van het gevorderde bedrag is in zoverre geen plaats.

2.18.

In aansluiting op het voorgaande merkt de rechtbank nog het volgende op. In het tussenvonnis van 25 oktober 2017 is (in overweging 4.13) geoordeeld dat de eventuele schade als gevolg van een gebrek in de bestaande (gemeentelijke) beschoeiing voor rekening en risico van [naam gedaagde 1] komt. Nu uit het rapport van de deskundige niet kan worden afgeleid dat - naast de eerder besproken schadeposten - van dergelijke, afzonderlijke schade sprake is, wordt hieraan verder voorbijgegaan.

Ad d) de offertewaarde van de klikoconstructie (€ 802,50)

2.19.

[eiser] maakt tevens aanspraak op een bedrag van € 802,50. In zijn reactie op het conceptrapport van de deskundige heeft [eiser] in dit kader het volgende aangevoerd:

“(…) Naast het sloopwerk, dient ook rekening te worden gehouden met de kosten van herstel van de gevolgschade:

(…) - Terugplaatsen van de kliko-constructie (waarschijnlijk is terugplaatsen niet mogelijk en moet er een nieuwe constructie worden geplaatst). De kliko-constructie is door [naam gedaagde 1] als additionele opdracht geplaatst voor de som van € 802,50 incl. btw. (…)”

[eiser] heeft daarbij verwezen naar een offerte van Van der Helm Waterbouw van 27 november 2016, in welke offerte de klikoconstructie is meegenomen (als onderdeel van de kosten van de verwijdering van de beschoeiing van in totaal € 24.200,00 exclusief btw). De deskundige heeft ondanks deze reactie geen aanleiding gezien om deze kosten mee te nemen in zijn definitieve rapport. Hij heeft toegelicht dat de offerte van Van der Helm Waterbouw niet in verhouding staat tot het te leveren werk en dat de kosten van de sloopwerkzaamheden in die offerte ruim te hoog zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt af te wijken van het oordeel van de deskundige. Voor toewijzing van deze vordering is daarom geen plaats.

Ad e) de gevolgschade (€ 2.639,00)

2.20.

Ter onderbouwing van de gevorderde gevolgschade ad € 2.639,00 heeft [eiser] aangevoerd dat de deskundige ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de volgende punten:

  • -

    Om de nieuwe beschoeiing aan de achterzijde te kunnen plaatsen zal het hekwerk aldaar moeten worden gedemonteerd en na herstel van de beschoeiing opnieuw moeten worden geplaatst;

  • -

    De terrastegels dienen na verwijdering en plaatsing van de nieuwe beschoeiing opnieuw te worden gelegd. Daarvoor zal ook extra aarde, zand en puin nodig zijn die door de uitspoeling zijn verdwenen;

  • -

    Dat geldt ook voor de tegels in de nabije omgeving van de beschoeiing in de rest van de tuin. De verzakking langs de beschoeiing bedraagt 25 à 30 cm zowel aan de zijkant als de voorkant. In het deel waar de doorvoerbuis ligt, is er een groot gat en de verzakking daarbuiten is ca. 40 cm. Ten aanzien van de tegels merkt [eiser] op dat indien de beschoeiing op minimaal 300 cm vanaf de beschoeiing moet worden verankerd, alle tegels die in dit gebied liggen moeten worden verwijderd en na plaatsing van de nieuwe beschoeiing en verankering opnieuw moeten worden gelegd.

2.21.

In zijn reactie op het conceptdeskundigenrapport heeft [eiser] de deskundige gevraagd om ook rekening te houden met de kosten van herstel van het tegelwerk aan de voorkant, de zijkant en het terras. De deskundige heeft geen aanleiding gezien om deze kosten in zijn definitieve begroting van de schade mee te nemen en de rechtbank ziet geen reden om daarover anders te oordelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om zelf kosten met betrekking tot het hekwerk te begroten. Er is geen enkele grond om te veronderstellen dat de deskundige deze kosten abusievelijk niet in zijn begroting heeft meegenomen. Ook op dit punt zal de vordering dus worden afgewezen.

Ad f) de beslagkosten (€ 763,03 + liquidatietarief)

2.22.

In zijn akte na het deskundigenbericht heeft [eiser] (voor het eerst) aanspraak gemaakt op vergoeding van de beslagkosten. Nu de betreffende beslagstukken niet door [eiser] in het geding zijn gebracht, zal deze vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Ad g) de kosten van Schalk Linde10 (€ 1.887,60)

2.23.

[eiser] heeft in 2014 opdracht gegeven aan taxatie- en expertisebureau Schalk Linde10 om een onderzoek in te stellen naar de beschoeiing. Het rapport van Schalk Linde10 d.d. 3 oktober 2014 en de factuur d.d. 4 oktober 2014 ad € 1.887,60 zijn door [eiser] bij dagvaarding overgelegd. [naam gedaagde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat deze kosten door hem gedragen zouden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW en zijn de kosten daarom toewijsbaar.

Ad h) de wettelijke rente

2.24.

Conclusie van het voorgaande is dat de volgende bedragen toewijsbaar zijn:

  • -

    € 11.937,00 ter zake van de offertewaarde van de bestaande beschoeiing;

  • -

    € 16.637,50 ter zake van de sloopwerkzaamheden;

  • -

    € 1.887,60 ter zake van de kosten van Schalk Linde10 .

De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen (in totaal € 30.462,10) is als op de wet gegrond en onweersproken gebleven toewijsbaar vanaf 30 december 2016.

ad i) de deskundigenkosten

2.25.

De kosten van het deskundigenbericht, die bij loonbepaling van deze rechtbank d.d. 9 augustus 2019 zijn bepaald op € 3.176,25, zijn voorgeschoten door [eiser] . Deze kosten dienen door [naam gedaagde 1] te worden vergoed en zijn daarom toewijsbaar.

2.26.

Ook de kosten van het voorlopige deskundigenbericht, die door [eiser] zijn voldaan, dienen door [naam gedaagde 1] te worden vergoed. Deze kosten zijn bij loonbepaling van deze rechtbank d.d. 3 januari 2017 bepaald op € 5.000,00. De rechtbank ziet aanleiding om ook de overige kosten van het voorlopige deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] (griffierecht ad € 285,00 en één punt aan salaris advocaat) voor rekening van [naam gedaagde 1] te laten komen (zie hierna onder 2.28).

Ad j) de buitengerechtelijke kosten

2.27.

Bij dagvaarding heeft [eiser] als vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke kosten primair een bedrag van € 1.497,29 en subsidiair een in redelijkheid vast te stellen bedrag gevorderd. Nu [eiser] niet voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding door [naam gedaagde 1] rechtvaardigen, is voor toewijzing van deze vordering echter geen plaats.

Ad k) de proceskosten

2.28.

Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal [naam gedaagde 1] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden, op basis van het toegewezen bedrag, vastgesteld op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht € 883,00

- griffierecht verzoekschrift € 285,00 (zie onder 2.26)

- deskundigenbericht € 3.176,25 (zie onder 2.25)

- voorlopig deskundigenbericht € 5.000,00 (zie onder 2.26)

- salaris advocaat € 3.127,50 (4,5 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 12.569,06

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

2.29.

[naam gedaagde 1] heeft verzocht een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en zeker niet zonder dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat voor het toegewezen bedrag zekerheid wordt gesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een (te) hoog restitutierisico, mede gelet op het ontbreken van inzicht in de vermogenstoestand van [eiser] en het gegeven dat, voor zover na te gaan, er aanmerkelijke hypothecaire schuldverplichtingen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van [eiser] bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad echter zwaarder te wegen dan het belang van [naam gedaagde 1] bij behoud van de bestaande toestand totdat op een eventueel rechtsmiddel is beslist. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben en dat [naam gedaagde 1] het gestelde restitutierisico niet (voldoende) heeft geconcretiseerd. Voor het aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [naam gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.462,10 (dertig duizendvierhonderdtweeënzestig euro en tien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 30 december 2016 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 12.569,06,

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2020.

1977/2872