Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1780

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
ROT-19_03763 ROT-19_03799 ROT-19_03819
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Vergunning verleend voor de restauratie en herbestemming van het voormalig hoofdpostkantoor aan de Coolsingel, een rijksmonument, en de bouw van een woontoren van maximaal 155 meter. Voor de bouw van de woontoren moet een gevel van het postkantoor worden gesloopt. In het monument worden een vijfsterrenhotel en overige commerciële voorzieningen zoals winkels, restaurants en cafés gerealiseerd

Wat betreft de activiteit “Handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten” heeft de Minister van OCW negatief en de gemeentelijke commissie voor Welstand en Monumenten onder voorwaarden positief geadviseerd.

Door het verbinden van de door de commissie aangegeven voorwaarden, die specifiek en concreet zien op de restauratie en transformatie van het monument, zal het verlies aan monumentale waarde naar het oordeel van de rechtbank zo veel mogelijk worden beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de omgevingsvergunning ten behoeve van de activiteit “handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten” te verlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eisers gestelde belangen door het realiseren van het bouwplan niet in de weg staan aan de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit “Bouwen en handelen in strijd met het geldende planologische regime”.

Het bestreden besluit is ten aanzien van het (auto)parkeren in voldoende mate hersteld, zodat de beroepen tegen het bestreden besluit II ongegrond zijn. Het bestreden besluit is ter zake van het fietsparkeren in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. Op dat punt heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door een vergunningvoorschrift ten behoeve van het fietsparkeren aan het bestreden besluit te verbinden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0040 met annotatie van D.S.P. Roelands-Fransen
BR 2020/34 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 19/3763, ROT 19/3799 en ROT 19/3819

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2020 in de zaak tussen

ROT 19/3763

1. [naam eiser 1] te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. J. de Vet,

ROT 19/3799

2. de Vereniging van Eigenaars Halvemaanpassage oneven nummers, de Vereniging van Eigenaars Halvemaanpassage even nummers, [naam eiser 2] , [naam eiser 3] ,

[naam eiser 4] en [naam eiser 5] , [naam eiser 6] , [naam eiser 7] , MPB9 B.V. en [naam eiser 8] ,

[naam eiser 9] en [naam eiser 10] , [naam eiser 11] en [naam eiser 12] , [naam eiser 13] , [naam eiser 14] en [naam eiser 15] , alsmede de heer en mevrouw [naam eisers], allen te Rotterdam, eisers,

gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven,

ROT 19/3819

3. [naam eiseres], te New York, eiseres,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Yael Residential B.V., te Amsterdam, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. H.J. Breeman.

Procesverloop

Met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure heeft verweerder bij besluit van 12 juni 2019 (het bestreden besluit) aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “handelen met gevolgen voor beschermde monumenten”, “bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” en “uitrit aanleggen of veranderen” ten behoeve van de gedeeltelijke sloop, restauratie van en nieuwbouw van het rijksmonument Postkantoor, Coolsingel 42 te Rotterdam.

Eisers hebben afzonderlijk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft haar zienswijze ingediend.

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een verdere onderbouwing en drie nadere voorschriften aan het besluit van 12 juni 2019 verbonden.

Eisers 2 hebben een nadere motivering ingediend.

Vergunninghoudster heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft desgevraagd nadere stukken ingediend en een aantal vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers 2 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde; van eisers 2 zijn [naam eiser 13] en [naam eiser 14] verschenen. Namens eiseres 3 is [naam eiser 13] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. W. Oosthoek en [naam] . Namens vergunninghoudster is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van mr. J.A. Mohuddy.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Het beroep is van rechtswege mede gericht tegen het bestreden besluit II.

2. Het project (“Post Rotterdam”) ziet op de restauratie en herbestemming van het voormalig hoofdpostkantoor aan de Coolsingel, een rijksmonument, en de bouw van een woontoren van maximaal 155 meter (aan de voormalige expeditiehof van het gebouw aan de Rodezand) te Rotterdam. De Coolsingel, Meent, Rodezand en Stadhuisstraat begrenzen het projectgebied. Voor de bouw van de woontoren moet een gevel van het postkantoor worden gesloopt (de Rodezandgevel). De plint van het gehele gebouw krijgt – naast de lobby van de woontoren – een publieke en commerciële functie. In het monument worden een vijfsterrenhotel en overige commerciële voorzieningen zoals winkels, restaurants en cafés gerealiseerd. In de woontoren zijn 305 appartementen gepland. Onder de nieuwbouw wordt een ondergrondse parkeergarage voor 34 auto’s voorzien. Voor het stallen van fietsen (730 fietsparkeerplaatsen) wordt een deel van de kelder van het bestaande gebouw gebruikt. Ook worden aan twee zijden van het gebouw luifels aangebracht.

Formele aspecten

3.1

Ter zitting heeft vergunninghoudster, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:608, aangevoerd dat beide Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) niet ontvankelijk zijn in hun beroep omdat zij geen machtiging hebben overgelegd van de vergadering als bedoeld in artikel 53, vijfde lid, van het reglement dat is opgenomen in de beide aktes van oprichting van de VvE’s.

3.2.

De rechtbank overweegt dat, anders dan in de voornoemde uitspraak van 27 februari 2019, niet de VvE’s zelf maar hun advocaat namens hen beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde persoon aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Ingevolge het derde lid, van voornoemd artikel 8:24 is het tweede lid niet van toepassing ten aanzien van advocaten. Aangezien mr. Walraven (advocaat) heeft aangegeven ten aanzien van de VvE’s vertegenwoordigingsbevoegd te zijn heeft de rechtbank geen aanleiding gezien hem zijn vertegenwoordigingsbevoegheid aan te laten tonen.

3.3.

Het standpunt van vergunninghoudster, dat de VvE’s op grond van artikel 6:13 van de Awb geen beroep hebben kunnen instellen omdat zij in het kader van de zienswijze tegen het ontwerpbesluit evenmin hebben aangetoond dat zij daartoe door de vergadering zijn gemachtigd, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin slagen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat een ieder een zienswijze kan indienen en dat van een verplichte procesvertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in de Awb in die fase geen sprake is. Daarnaast geldt dat ook verweerder geen aanleiding heeft gezien een machtiging van de vergadering te verlangen ten einde vast te stellen of de zienswijzen wel door de VvE’s zijn ingediend. Het kan de VvE’s niet achteraf, eerst ter zitting, worden verweten dat zij in het kader van de zienswijzeprocedure (mogelijk) zonder machtiging van de vergadering een zienswijze hebben ingediend.

4.1.

Vergunninghoudster heeft zich verder ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep van eiseres mogelijk niet door haar zelf is ondertekend. Uit de handtekening en het gebruik van de afkorting “i.o.” leidt vergunninghoudster af dat een ander dan eiseres het beroepschrift heeft ondertekend en dat van een schriftelijke machtiging niet is gebleken. Gelet hierop zal het beroep van eiseres volgens vergunninghoudster niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.2.

Hoewel vergunninghoudster niet ten onrechte stelt dat het erop lijkt dat een ander dan eiseres het beroepschrift heeft ondertekend, bestaat er voor de rechtbank geen aanleiding het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Het is aan de rechtbank zelf te wijten dat zij niet om een handtekening/machtiging van eiseres heeft gevraagd. Daar is nu geen aanleiding meer voor. Eiseres heeft door middel van een ondertekende verklaring, vergezeld van een kopie van haar paspoort, [naam eiser 13] gemachtigd om haar ter zitting te vertegenwoordigen. De handtekening op het paspoort is identiek aan die van de machtiging. De rechtbank twijfelt er dan ook niet aan dat het beroep is ingesteld door of namens eiseres.

5. De rechtbank volgt niet het standpunt van zowel verweerder als vergunninghoudster, dat voor zover eisers opkomen tegen onderdelen van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op de binnenkant/de hof van het postkantoor, artikel 8:69a van de Awb de beoordeling van deze beroepsgrond(en) in de weg staat.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Naar het oordeel van de rechtbank strekken de door eisers ingeroepen normen ter bescherming van hun individuele belangen. De belangen van eisers zijn immers gelegen in het behoud en de bescherming van monumentale waarden van het pand als geheel, waarvan interieur, hof en buitenzijde onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en daarmee in het behoud van cultuurhistorische waarden en een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle aspecten van het monument in het licht van de redengevende omschrijving zodanig met elkaar verweven, dat het maken van een onderscheid tussen de beroepsgronden van eisers met betrekking tot de restauratie van het monument aan de binnen- en de buitenzijde van het monument zich daarmee niet verdraagt. Dat eisers er volgens verweerder en vergunninghoudster juist baat bij hebben dat verweerder voorschriften heeft gesteld over de verdere gang van zaken bij realisatie van het bouwplan, maakt niet dat eisers er geen belang bij zouden kunnen hebben indien deze voorschriften anders, bijvoorbeeld concreter, van inhoud zouden zijn. Dat de voorwaarden strekken tot bescherming van het rijksmonument betekent dus niet dat deze niet tevens de belangen van eisers zouden raken. In dat geval is het algemeen belang niet te onderscheiden van de individuele belangen van deze burgers. Artikel 8:69a van de Awb staat daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan verdere inhoudelijke beoordeling van het volledige betoog van eisers.

Onvolledige/onjuiste informatie

6.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op informatie die op een aantal belangrijke onderdelen hiaten bevat en op onderdelen onvolledig, inconsistent dan wel onjuist is. In het bijzonder wijst zij op de onvolledige en/of inconsistente informatie over de oppervlaktematen en de zonnestudie.

6.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder de toetsing van de aanvraag heeft verricht aan de hand van de ingediende bouwtekeningen waar de verschillende functies - voorzien van een maatvoering - zijn ingetekend. Verweerder is daarbij uitgegaan van een woontoren van 155 meter hoog, met een footprint van 39,5 meter bij 28,75 meter. In totaal beslaat de woontoren een bebouwd oppervlak van 1.136 m2. Het bouwvlak in het bestemmingsplan is 44 meter breed en 27,5 meter diep en biedt daarmee de mogelijkheid voor een bebouwd oppervlak van 1.210 m2. Deze maatvoering is leidend geweest voor de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de aanvraag om omgevingsvergunning, meer in het bijzonder het bezonnings- en windonderzoek.

Dat er in de onderzoeken sprake is van relevante meer dan marginale discrepanties in de maatvoering heeft eiseres niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. De rechtbank merkt in dat verband op dat onderzoekers gebruik hebben gemaakt van modellen en aannames. Een exacte weergave van de werkelijkheid is niet mogelijk, dus wordt er gebruik gemaakt van benaderingen. Vandaar ook dat de onderzoeker het woord ‘circa’ gebruikt.

Waar voor het bezonningsonderzoek is uitgegaan van een footprint van ca. 28 bij 38 meter, is relevant dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat tot een andere uitkomst heeft geleid. Daarbij is ook relevant dat de footprint sowieso ruim blijft binnen wat het bestemmingsplan mogelijk maakt (zie hierna onder 16.3).

Voorts geldt dat vergunninghoudster zich bij de ontwikkeling van het project zal moeten houden aan de bouwtekeningen die ten grondslag liggen aan de omgevingsvergunning. Als zij dat niet doet rust in beginsel op verweerder een handhavingsplicht.

Handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten

7.1

Wat betreft de activiteit “Handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten” heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat zowel de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Minister) als de gemeentelijke commissie voor Welstand en Monumenten (de commissie) schriftelijke adviezen hebben uitgebracht. De commissie heeft in 2018 in vier openbare vergaderingen over het plan geadviseerd (op 30 mei, 11 juli, 12 september en 19 december 2018). De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft namens de Minister op 21 december 2018 advies uitgebracht.

7.2.

De RCE heeft in zijn advies aangegeven dat de Minister over de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte hoogbouw op het monument bij brieven van 28 maart 2007 (in reactie op een eerder herontwikkelingsplan) en op 14 december 2017 gemotiveerd negatief heeft geadviseerd. Er bestaan bij de RCE geen feiten, omstandigheden of gewijzigde inzichten die haar nopen tot een ander standpunt.

Hoewel het ontwerp van de toren een hoge ambitie toont en op zichzelf hoge kwaliteit heeft,

boet het postkantoor, en daarmee ook het ensemble stadhuis, postkantoor en beurs, volgens

de RCE aan cultuurhistorische kwaliteit in. De sloop van de gevel aan het Rodezand, met het laadplatform en hijstoren, heeft verlies aan monumentale waarden tot gevolg waarbij de betekenis van de expeditiehof verloren gaat.

In het advies wordt verder aangegeven dat het een goede zaak is dat er na vele jaren leegstand een herbestemming van het pand gerealiseerd kan worden. Het initiatief daartoe juicht de RCE toe, te meer daar in het voorgestelde plan het postkantoor nieuwe functies krijgt waarbij het publiek een aantal bijzondere ruimtes, zoals de centrale hal en de telegrafiezaal op de 1e verdieping, weer zal kunnen bezoeken. De toekomstige functies van winkels, horeca en hotel vindt de RCE in principe ook verenigbaar met de monumentale waarden van het gebouw, maar het voorliggende plan geeft daarvoor om verschillende redenen onvoldoende waarborgen.

De mate waarin het postkantoor wordt getransformeerd vindt de RCE ingrijpend. De RCE constateert dat in het plan het verlies aan monumentale waarden onvoldoende wordt gecompenseerd om tot een positief advies over dit deel van het plan te komen.

Op de 1e t/m 4e verdieping van het postkantoor worden hotelkamers gemaakt. Hiervoor

worden bestaande ruimtes verkaveld. Op een aantal plekken is dit goed mogelijk, maar op de 4e verdieping wordt een relatief zwaar programma ingepast, waardoor volgens de RCE karakteristieke ruimtes zoals de hoge zalen voor telefonie niet meer herkenbaar zijn. Door de bouw van een nieuwe corridor aan de buitenzijde (rondom de kap van de centrale hal) zal het daklandschap wijzigen. De installaties die geplaatst zullen worden op de kap aan de Coolsingelzijde, zullen zichtbaar zijn. Bovendien is de RCE over het voornemen om de betonnen buitenkap en het middendeel van de natuurstenen vloer van de centrale hal te vervangen negatief. Behoud van kap en vloer zou uitgangspunt moeten zijn.

Ten aanzien van de omgang met het resterende deel van het postkantoor bevat het plan voor een groot deel uitgangspunten of strategieën die door de RCE grotendeels kunnen worden

onderschreven vanuit het oogpunt van monumentenzorg, maar die nog dienen te worden

uitgewerkt in een concreet plan. Er wordt duidelijk aangegeven welke onderdelen worden

gesloopt, maar of en waar bouwmaterialen of interieuronderdelen kunnen worden

herplaatst is niet duidelijk. De ‘interieurstrategie’ geeft wel een visie op de beoogde uitwerking, maar een concreet interieurplan ontbreekt. Verder is volgens de RCE het plan voor herstel van bijvoorbeeld mozaïekvloeren, keramiek en natuursteen nog onvoldoende uitgewerkt. Door het ontbreken hiervan is een goede omgang met het monument niet gegarandeerd.

Daarnaast merkt de RCE op dat de voorgenomen transformatie van het monument een

intensieve deskundige begeleiding van de werkzaamheden vergt. De noodzaak daartoe is

urgent nu de plannen voor de omgang met de monumentale waarden niet in detail zijn

uitgewerkt. Hierdoor is er veel ruimte voor interpretatie en verschillende oplossingen,

en dat is een risico voor het behoud van de monumentale waarden, bijvoorbeeld bij

bezuinigingen. De RCE hecht er waarde aan om voorafgaand aan de besluitvorming over de vergunningaanvraag hierover afspraken te maken.

7.3.

Het (eind)advies van de commissie van 6 februari 2019 is positief onder voorwaarden. Volgens de commissie is er uiteindelijk sprake van een ontwerp waarbij een juiste balans is gevonden tussen de omgang met het monument en de inpassing van de toren in de stad. Dat de restauratiearchitect en de coördinator, de toezichthouder en de supervisor de algehele herbestemming van het postkantoor zullen begeleiden geeft de commissie vertrouwen in het waarborgen van de monumentwaarden.

Wel verbindt de commissie in het belang van de monumentwaarden en de esthetische kwaliteit een aantal algemene en specifieke voorwaarden aan het advies, waarvan zij verwacht dat deze in het vervolgtraject op goede wijze met de beoordelende partijen kunnen worden uitgewerkt en besproken.

Wat betreft de nadere beoordeling van de proefopstellingen, de materialen en de

uitwerkingen van planonderdelen ondersteunt de commissie de voorgestelde procesafspraken zoals opgenomen in het stuk ‘Rol restauratiearchitect en Welstand in vervolgproces, d.d. 23 januari 2019’. Ook het beoordelen van voorstellen die voortkomen uit de resultaten van de nog uit te voeren onderzoeken en proeven is in de procesafspraken goed gewaarborgd. De commissie stelt voor een periodiek overlegschema op te stellen waarbij nadere vraagstukken met de RCE en betrokkenen van de gemeente kunnen worden beoordeeld.

7.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de commissie gevolgd en is deels voorbijgegaan aan het advies van de RCE. Overeenkomstig het advies van de commissie heeft verweerder aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden.

Verweerder deelt de opvatting van de RCE dat de nieuwbouw van de toren grote gevolgen heeft voor de monumentale waarden van het rijksmonument. De belangen afwegend kan verweerder echter instemmen met het voorliggende project. De volgende omstandigheden wegen daarbij voor verweerder zwaar:

1) Het feit dat met de uitvoering van dit plan aan de zeer langdurige leegstand en de slechte

onderhoudsconditie een einde komt;

2) Het bestemmingsplan nadrukkelijk de ruimte biedt voor de bouw van een toren op de voorgestelde plek;

3) Het aanwezige economisch belang dat verbonden is aan een goede herbestemming voor dit bijzonder gesitueerde gebouw; en

4) De stedenbouwkundige en architectonische hoedanigheid van het beschermde monument blijft - ondanks de gedeeltelijke sloop omwille van de woontoren - behouden. In dat verband heeft voor verweerder zwaar gewogen dat in het uitvoerige planproces door de aanvrager en architecten affiniteit en behoedzaamheid met betrekking tot het beschermde monument en de daarvan onderdeel uitmakende elementen is getoond.

Als voorwaarde wordt in deze vergunning nadrukkelijk gesteld dat de restauratie van het monument (met uitzondering van de Rodezandvleugel, die wordt namelijk gesloopt) op zeer deskundige wijze en zo compromisloos mogelijk dient plaats te vinden. In het in te richten vervolgproces wordt de positie van de superviserende restauratiearchitect van groot belang geacht en met een voorschrift specifiek benoemd. Het werkverband tussen vergunninghoudster en bevoegd gezag zal daartoe worden gecontinueerd en geïntensiveerd, waarbij de commissie en de RCE namens de Minister samen met de gemeente Rotterdam nadrukkelijk een actieve adviserende positie zullen houden. Ook dit is in de voorschriften verwerkt.

Voorts is in het planproces helder geworden dat er voor diverse planonderdelen aanvullende vergunningaanvragen moeten volgen. Deze worden in de voorschriften benoemd. In de formulering van deze voorschriften wordt tegemoet gekomen aan de adviezen van de RCE en de commissie noodzakelijk geachte vervolgstappen. Tevens zijn daarin de in het advies van de RCE benoemde discussiepunten en vragen verdisconteerd.

Verweerder heeft er in het bestreden besluit verder op gewezen dat er na het uitbrengen van het advies van de RCE nog diverse (ambtelijke) overleggen hebben plaatsgevonden, waarbij het plan is verfijnd. Daarbij is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de in het advies van de RCE geuite discussiepunten. Zo is het aantal hotelkamers teruggebracht, waardoor het programma in de middenbeuk minder zwaar is en op deze plek meer van de oorspronkelijke verschijningsvorm behouden kan blijven. Verder zijn de installaties op de kap aan de Coolsingelzijde zodanig geplaatst dat ze vanaf straatniveau niet meer zichtbaar zullen zijn. Door alle installaties zorgvuldig weg te werken in doosachtige constructies heeft de architect gepoogd het daklandschap (vijfde gevel) zoveel mogelijk te ontzien. Van de betonnen buitenkap blijft de hoofdconstructie intact, maar moeten vanwege de slechte bouwtechnische staat dakvlakken worden vernieuwd. Over de precieze aanpak van de natuurstenen vloer in de centrale hal zal nader overleg volgen. Daarnaast geldt dat de herstelwerkzaamheden van bouwkeramiek, mozaïekvloeren en natuursteen nog onvoldoende zijn uitgewerkt, maar dat daarover een voorschrift over het vervolgproces in de omgevingsvergunning is opgenomen, aldus verweerder in het bestreden besluit.

8. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte vergunning heeft verleend voor de sloop van de Rodezandvleugel. De Minister die op grond van artikel 6.4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) als wettelijke adviseur is aangewezen heeft op 21 december 2018 een negatief advies uitgebracht over het vergunde plan.

Namens de Minister heeft de RCE vastgesteld dat de sloop van de gevel aan het Rodezand, met het laadplatform en de hijstoren, verlies aan monumentale waarden tot gevolg heeft en dat de expeditiehof verloren gaat. Dat verlies wordt volgens de RCE onvoldoende gecompenseerd. De RCE maakt zich ook zorgen over het gebrek aan uitwerking van het plan. Zo ontbreekt een concreet interieurplan en is ook op andere onderdelen niet duidelijk hoe de uitwerking zal zijn.

Het negatieve advies van de RCE zou volgens eisers doorslaggevend moeten zijn, maar verweerder lijkt dit advies te beschouwen als “ook maar een mening”. Verweerder stelt alleen maar dat de commissie positief over het plan heeft geadviseerd. Eisers zijn echter van mening dat deze commissie niet kan worden beschouwd als deskundige instantie van hetzelfde kaliber als de RCE. Uit het advies van de commissie noch uit het bestreden besluit zelf blijkt waarom verweerder meent te moeten afwijken van het negatieve advies van de RCE. De positieve elementen van het plan die verweerder noemt, zijn ook door de RCE onderkend in het advies, maar doen er niet aan af dat de RCE, de balans opmakend, toch tot een duidelijk negatief advies komt. Eisers menen daarom dat het bestreden besluit op dit onderdeel volstrekt ontoereikend is gemotiveerd.

Door het opnemen van een aantal voorwaarden in het bestreden besluit wordt volgens eisers niet in voldoende mate tegemoet gekomen aan de bezwaren die de RCE in het negatieve advies heeft opgesomd. Eisers vragen zich verder af wie de supervisor is en op grond van welke bevoegdheid hij oordeelt of iets vergunningplichtig is. De voorschriften die hierover gaan, zijn volgens eisers evenmin duidelijk. Daarin wordt een taak toegekend aan het bureau Monumenten en Cultuurhistorie, waarvan de status onduidelijk is. Eisers vragen zich voorts af wat het voorschrift “restauratie van het monument, met uitzondering van de Rodezandvleugel, dient op zeer deskundige wijze en zo compromisloos mogelijk plaats te vinden” concreet betekent. Nu het volstrekt onduidelijk is wat deze voorschriften exact inhouden zijn eisers tevens van mening dat het bestreden besluit ook wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor vernietiging in aanmerking komt.

9.1.

Ingevolge artikel 2.15 van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Uit artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) volgt dat de RCE namens de Minister adviseert over de aanvraag ten aanzien van een project/activiteit aan een Rijksmonument.

9.2.

De rechtbank overweegt dat de beoordeling of de omgevingsvergunning kan worden verleend (dus of het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet) bij het bevoegd gezag ligt.

De vraag is of verweerder deze beoordeling heeft kunnen baseren op het advies van de commissie nu er een negatief advies ligt van de RCE.

Van belang daarbij is dat het advies van de RCE niet perse doorslaggevend is. Als dat zo zou zijn zou de RCE beslissen en niet verweerder. Het is verweerder die de uiteindelijke beoordeling maakt. Eisers standpunt dat het onderhavige negatieve advies van de RCE van 21 december 2018 doorslaggevend moet zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen. Uit artikel 2.15 van de Wabo noch uit artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bor volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de Minister beslissende invloed te geven.

De rechtbank wijst er daarnaast op dat uit de laatste volzin van artikel 2.15 van de Wabo volgt dat buiten discussie staat dat bij de belangenafweging die door het bevoegd gezag wordt gemaakt, rekening moet worden gehouden met het gebruik dat van het monument wordt gemaakt. Niet ondenkbaar is dat aan de optimale gebruiksmogelijkheden van een gebouw in een concreet geval voorrang wordt gegeven boven de bescherming van de monumentale waarden van het gebouw. Het belang van de monumentenzorg heeft dus niet zondermeer voorrang ten opzichte van andere (gebruiks)belangen maar is daaraan nevengeschikt. De rechtbank verwijst in dit verband naar Kamerstukken II 2006/2007, 30 844, nr. 3, blz. 86.

Ook uit de rechtspraak van de Afdeling valt af te leiden dat niet elke aantasting van de monumentale waarden tot een weigering van de omgevingsvergunning moet leiden.

Indien in het concrete geval de belangen van de aanvrager, afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, naar het oordeel van het bevoegd gezag in redelijkheid dienen te prevaleren, dan kan de omgevingsvergunning toch worden verleend. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:189.

Het gaat er om of in die beoordeling afdoende is gemotiveerd dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen vergunningverlening verzet.

Aan het advies van de Minister komt een aanzienlijke betekenis toe. Bij een negatief advies van de RCE rust op verweerder een zware motiveringsplicht als hij daarvan af wil wijken. In onderhavig geval geldt dat des te meer omdat tussen partijen niet in geschil is dat er met het project Post Rotterdam een forse inbreuk wordt gemaakt op de monumentale waarden van het postkantoor (zie bijvoorbeeld het verslag van de commissie van 30 mei 2018 maar ook de in het bestreden besluit opgenomen zinsnede dat wordt onderkend dat de nieuwbouw van de toren grote gevolgen heeft voor de monumentale waarden van het rijksmonument). Aan die zware motiveringsplicht kan naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige situatie niet worden voldaan door te stellen dat er twee afwijkende adviezen zijn en dat het verweerder vrij staat voor een van die adviezen te kiezen; dat zou afbreuk doen aan het belang dat moet worden gehecht aan het negatieve advies van de RCE.

De rechtbank wijst in dat kader op bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2007 waarin, eveneens na een negatief advies van de Rijksdienst, vergunning is verleend. Daarin heeft de Afdeling uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat de gemeentelijke monumentencommissie uitgebreid heeft toegelicht waarom zij het advies van de Rijksdienst niet deelde.

Verweerders opmerking in dat kader in de brief van 10 december 2019 kan de rechtbank niet goed plaatsen. De rechtbank had verweerder gevraagd expliciet te maken op welke punten er in de advisering door de commissie rekening is gehouden met het advies van de RCE. Verweerder heeft die vraag niet inhoudelijk beantwoord maar het standpunt ingenomen dat de RCE en de commissie een geheel los van elkaar staande adviesbevoegdheid hebben met beiden een eigen beoordelingskader waarbij de commissie geenszins rekening zou hoeven houden met het advies van de RCE.

De rechtbank wijst in dat kader op het in de gemeente Rotterdam geldende kader voor de welstandtoetsing bij monumenten zoals opgenomen in de Welstandsnota Rotterdam: daar is uitdrukkelijk bepaald dat de welstandstoets en de monumententoets tegelijkertijd plaatsvinden (p. 23). De basis van die toets is het gebouw zelf en de redengevende omschrijving. Dat staat ook in het toetsingskader zoals opgenomen in het advies van de commissie van 6 februari 2019.

Er moet van worden uitgegaan dat beide commissies verweerder hebben geadviseerd in het kader van de beoordeling van “het belang van de monumentenzorg” zoals opgenomen in artikel 2.15 van de Wabo.

In dat kader kan het naar het oordeel van de rechtbank dus wel degelijk relevant zijn of de commissie rekening heeft gehouden met het advies van de RCE en dat duidelijk wordt waar dat in de advisering door de commissie toe heeft geleid. Daarmee kan aan de zware motiveringsplicht van verweerder invulling worden gegeven.

9.3.

Verweerder heeft naar aanleiding van de vraagstelling van de rechtbank wel alle verslagen van de commissie voorafgaand aan de advisering overgelegd. Daaruit is al deels af te leiden dat de commissie indringend en kritisch naar het ontwerp heeft gekeken, welke aanpassingen aan het ontwerp hebben plaatsgevonden en is beter zichtbaar geworden welke beoordeling de commissie heeft gemaakt. Impliciet kan daaruit ook worden afgeleid welke punten van kritiek van de RCE besproken en beoordeeld zijn.

Dat door de commissie een deskundige en op de monumentenstatus en de redengevende omschrijving toegespitste beoordeling heeft plaatsgevonden volgt afdoende uit de commissieverslagen van 30 mei, 11 juli, 12 september en 19 december 2018 alsmede 6 februari 2019. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de wijze waarop de commissie voorwaarden heeft gesteld aan het behoud van het alzijdige monolithische karakter van het postkantoor na sloop van de Rodezandgevel (zie o.a. verslag 30 mei 2018 en dat van 11 juli 2018). De commissie heeft met het stellen van eisen voorwaarden geformuleerd voor een compromisloze, zuivere restauratie en een monumentwaardige herbestemming (verslag 30 mei 2018); aan de inpassing van de nieuwe woontoren zijn eisen gesteld voor de “landing” in het monument (verslag 30 mei, 11 juli 2018 en 12 september 2018), voor de gevels (de commissie wil de rijke expressie van de gevels van het postkantoor terugzien in de uitwerking van de toren), voor de luifels (in het ontwerp niet passend) en voor de kroon (die moet rustiger en abstracter).

Op 12 september 2018 is extra aandacht gevraagd voor hergebruik van vrij te komen graniet, kalksteenbanden en hekwerken van de te slopen vleugel en van materialen uit overige delen van het postkantoor (verslag 12 september 2018).

Naar aanleiding van de presentatie van het totale planvoorstel in de vergadering van 19 december 2018 heeft de commissie voorwaarden geformuleerd waaronder een aantal onderdelen van het plan buiten de huidige aanvraag mogen blijven; een van die voorwaarden is dat de vanuit de kernwaarden van het monument opgestelde condities voor het interieurontwerp door de restauratiearchitect in de huidige aanvraag moeten worden vastgelegd en dat de restauratiearchitect een superviserende en actieve rol krijgt in het toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden, waaronder de “boekhouding” van het verwijderen, opslaan en hergebruik van de donormaterialen.

Uit het verslag van de commissie van 19 december 2018 (en met name de opsomming op

p. 4, 2e tot en met 5e gedachtestreepje daarvan) blijkt dat de commissie punten van kritiek van de RCE deelt en om oplossingen heeft gevraagd op die gedeelde punten van kritiek.

In het verslag van 19 december is op p. 5 nog een aantal punten opgesomd die de commissie

als voorwaarden aan de aanvraag omgevingsvergunning wil verbinden.

Op 6 februari is de aangepaste aanvraag in zijn geheel nogmaals getoetst aan de in de redengevende omschrijving opgenomen monumentale waarde. De commissie concludeert daar dat er na een intensief proces een ontwerp ligt waarin een juiste balans is gevonden voor de omgang met het monument en de inpassing van de toren in de stad. De commissie ondersteunt de procesafspraken zoals opgenomen in het stuk van 23 januari 2019 over de “Rol restauratiearchitect en Welstand in het vervolgproces”, stelt een overlegschema voor zodat nadere vraagstukken met de RCE en betrokkenen van de gemeente kunnen worden beoordeeld en somt een aantal voorwaarden op waaronder zij tot de conclusie komt dat het plan positief kan worden beoordeeld vanuit het oogpunt van monumentenzorg. Het advies van de commissie is dus positief onder deze voorwaarden (zie p. 9, algemene voorwaarden) en voorwaarden op een tiental specifieke onderwerpen van het beoordelen van separate interieuraanvragen tot en met het inpassen van de woontoren.

9.4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de instemming met de sloop van de Rodezandvleugel uitdrukkelijk gekoppeld aan de huidige en zeer specifieke aanvraag, zoals die in overleg met de commissie en onder de voorwaarden die de commissie daaraan heeft gesteld, tot stand is gekomen. Het advies van de commissie maakt ook onderdeel uit van het bestreden besluit.

In het bestreden besluit heeft verweerder (op p.12) verder overwogen dat de restauratie op zeer deskundige wijze en zo compromisloos mogelijk dient plaats te vinden. Dat komt uit het verslag van de commissie van 30 mei 2018 (p. 4), maar is verder niet als voorwaarde van de commissie opgenomen in het advies van 6 februari 2019. De rechtbank begrijpt die opmerking aldus dat dat uitgangspunt is geweest voor de commissie bij de beoordeling van de plannen en dat dit uitgangspunt heeft geresulteerd in een kritische benadering van de plannen, tot verzoeken van de commissie om de plannen aan te passen, tot het veelvuldig voeren van overleg daarover en uiteindelijk in het verbinden van een aantal voorwaarden aan de vergunning die moeten waarborgen dat de restauratie inderdaad deskundig en compromisloos zal geschieden. Verweerder heeft in de overwegingen van het besluit (op

p. 12) ook een deel van die voorwaarden benoemd. Dat verweerder dat ook nog als aparte voorwaarde heeft opgenomen (onder 5 op p. 14 van het bestreden besluit) voegt daaraan niet zoveel toe, maar maakt ook niet dat die voorwaarde niet kan worden gesteld omdat die te vaag of onduidelijk zou zijn.

Verder blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder, net als de commissie, een aantal van de bezwaren van de RCE onderschrijft en dat hij vervolgens - de adviezen van zowel de commissie als de RCE meewegend - een belangenafweging heeft gemaakt. Alles overwegende heeft verweerder het advies van de commissie gevolgd en daarbij ingestemd met het project. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de afweging van de (algemene en monumenten-) belangen in het bestreden besluit, zoals samengevat onder r.o. 7.4., uitvoerig en voldoende helder uiteengezet en in het verlengde daarvan impliciet duidelijk gemaakt om welke reden hij niet het advies van de RCE maar het advies van de commissie aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

9.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in het belang van een goede herbestemming van het rijksmonument op een prominente plek in het hart van Rotterdam, waarbij een einde komt aan de zeer langdurige leegstand en de slechte onderhoudsconditie van het rijksmonument, het advies van de RCE - dat vooral negatief is ten aanzien van de gedeeltelijke sloop van het monument aan de Rodezandvleugel omwille van de bouw van de woontoren - niet integraal over te nemen. Verweerder heeft daarbij groot gewicht kunnen toekennen aan het feit dat het rijksmonument wordt hersteld, gerestaureerd en gerenoveerd, dat er een geschikte bestemming voor is gevonden en dat het wordt geëxploiteerd op een wijze die past bij het monument en die aansluit bij de omgeving waar het ligt. De cultuurhistorische kwaliteit van de omgeving is hierbij gebaat.

Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat via de behandeling en advisering door de commissie - afgezien van de sloop van de gevel aan de Rodezand, met het laadplafond en de hijstoren, en de bouw van de woontoren – in redelijke mate tegemoet is gekomen aan de bezwaren die de RCE in het advies van 21 december 2018 heeft opgesomd. Aan de opmerking van de RCE dat zij er aan hecht om nog voor de besluitvorming afspraken te maken is voldaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat in februari 2019 overleg is gevoerd met de RCE en dat diverse concessies in het ontwerp zijn gedaan. Ze zijn hierboven onder 7.4 opgesomd. Bovendien is een heldere demarcatielijn toegevoegd en zal een volledig interieurplan voor retail en hotel als een aparte vergunningaanvraag worden ingediend. Het document ‘Demarcatie interieur inzake omgevingsvergunning POST Rotterdam, versie 3, d.d. 23 januari 2019’ vormt een belangrijk en bruikbaar overzicht waarvan de commissie tijdens het vervolgtraject de uitwerking wenst te ontvangen. Met de nadere explicitering van de onderdelen waarvoor thans al duidelijk is dat deze vergunningplichtig zijn, maakt verweerder duidelijk dat voor het realiseren van die onderdelen nog een aanvraag om een omgevingsvergunning dient te worden gedaan. Omdat verweerder onderkent dat een groot deel van het interieur ook monumentale waarde heeft, zijn voorwaarden in de omgevingsvergunning opgenomen waarmee voldoende wordt geborgd dat de ontwikkelaar geen interne monumentale waarden in gevaar brengt tijdens de verdere ontwikkeling van het project. Vervolgens zijn er procesafspraken gemaakt die zijn opgenomen in het stuk ‘Rol restauratiearchitect en Welstand in vervolgproces, d.d. 23 januari 2019’. Ook het beoordelen van voorstellen die voortkomen uit de resultaten van de nog uit te voeren onderzoeken en proeven zijn in de procesafspraken goed gewaarborgd. Daarnaast geldt dat ook voor de nadere uitwerking van het project de betrokkenheid van de RCE in de vergunning is opgenomen.

9.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het advies van de commissie tevens in redelijkheid kunnen concluderen dat het belang van de herontwikkeling van het monumentale postkantoor zwaarder weegt dan het belang van behoud van de Rodezandgevel. Niet ten onrechte heeft verweerder daarbij meegewogen dat het project er ruimschoots in voorziet de stedenbouwkundige- en architectonische hoedanigheid van het pand te behouden. Voorts heeft verweerder in dit kader van belang kunnen achten dat het herstel van het monument financieel slechts uitvoerbaar is door de bouw van de toren aan het Rodezand, waardoor de Rodezandgevel grotendeels moet worden gesloopt en de expeditiehof met laadplatform en hijstoren niet kan worden behouden. Door een integrale herontwikkeling van het rijksmonument te koppelen aan de bouw van een woontoren waarvoor het vigerende bestemmingsplan de ruimte biedt, is behoud, herstel en duurzame exploitatie mogelijk en kan het monument grotendeels worden behouden voor de toekomst.

De rechtbank vindt in dit verband tevens van belang dat uit de gedingstukken volgt dat na het uitbrengen van het advies van de RCE van 21 december 2018 nog verscheidene malen (informeel) constructief overleg is geweest tussen de RCE, vergunninghoudster en de commissie over de wijze van restauratie van het beschermd monument. Als gevolg van deze overleggen en input van de RCE zijn nog aanpassingen in het plan omwille van het behoud van het monument doorgevoerd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende kenbaar gemaakt dat door dit intensieve overlegtraject er een aanvaardbare balans is gevonden tussen de monumentale waarden enerzijds en de inpassing van de woontoren anderzijds.

9.7.

Daarbij is ook niet zonder betekenis dat verweerder en de commissie zich voor het waarborgen van monumentale waarden verlaten op het bureau van de restauratiearchitect Roos. Uit een uitgebreide analyse van de monumentale en cultuurhistorische waarden (zie bijvoorbeeld de ‘Cultuurhistorische analyse & waardering Postkantoor Rotterdam’ van Braaksma & Roos d.d. 20 juli 2018, welk stuk onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag) valt op te maken dat er veel aandacht is besteed aan het behoud van de waardevolle elementen van het rijksmonument. Ook de brief van Roos van 23 september 2019 die zich in het dossier bevindt getuigt van een sterk bewustzijn van de waarde van het postkantoor en een grote professionele wil en inzet om de restauratie inderdaad compromisloos verder vorm te geven.

10. Dit alles heeft verweerder meegewogen bij zijn besluit om af te wijken van het advies van de RCE. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het licht van het vorenstaande voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht en kan het standpunt van eisers, dat het bestreden besluit op dit onderdeel ontoereikend is gemotiveerd, niet slagen.

11. De rechtbank volgt eisers evenmin in hun standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onduidelijk zouden zijn en op gespannen voet zouden staan met het rechtszekerheidsbeginsel. In het belang van de monumentwaarden en de esthetische kwaliteit heeft verweerder een aantal algemene en specifieke voorwaarden aan het advies verbonden, waardoor het vervolgtraject op goede wijze met de beoordelende partijen kan worden uitgewerkt en besproken. De tekst van de voorschriften en de daarin verwoorde verplichtingen acht de rechtbank voldoende helder. Met voorschrift 11, inhoudende “De directievertrekken: wanden tussen assen M1 en M3, deuren en hun afwerking blijven vooralsnog integraal behouden in afwachting van het nog goed te keuren, uitgewerkte interieurontwerp, ondanks dat deze volgens de slooptekeningen en tekeningen nieuwe toestand verwijderd worden”, is duidelijk gemaakt dat dit deel van de aanvraag nog niet is vergund.

Over het voorschrift 5 van het compromisloos restaureren overweegt de rechtbank in aanvulling op wat hierboven onder 9.4. al is overwogen het volgende.

Dat het project compromisloos wordt uitgevoerd slaat terug op wat restauratiearchitect Roos daarover heeft verwoord. Roos heeft in heldere bewoordingen kenbaar gemaakt dat de voorwaarden en richtlijnen die verweerder heeft gespecificeerd met betrekking tot het interieurontwerp duidelijk zijn en uitgangspunten vormen voor de verdere uitwerking. De vereiste ‘compromisloze restauratie’ is voor hem het leidende beginsel. Bovendien is een grote stimulans voor het succes van deze ‘compromisloze restauratie’ de eis van de nieuwe gebruiker om de identiteit van het interieur van “The Post” hotel zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke postkantoor te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat dan ook niet ten onrechte bij verweerder het vertrouwen dat daarmee de monumentwaarde van het voormalig postkantoor wordt gewaarborgd, temeer nu tevens zowel de coördinator, de toezichthouder als de supervisor de algehele herbestemming van het postkantoor zal begeleiden.

Door het verbinden van de door de commissie aangegeven voorwaarden, die specifiek en concreet zien op de restauratie en transformatie van het monument, zal het verlies aan monumentale waarde naar het oordeel van de rechtbank zo veel mogelijk worden beperkt.

Naar het oordeel van de rechtbank voert het te ver dat verweerder elke functie binnen zijn organisatie in de voorschriften omschrijft. De supervisor (restauratiearchitect) die in voorschrift 1 wordt genoemd is de persoon die een brugfunctie vervult tussen de ontwikkelaar bij een restauratieproject en de commissie om te borgen dat gedurende het gehele proces - en ook na vergunningverlening - de zaken soepel verlopen. Het Bureau Monumenten & Cultuurhistorie is een ambtelijk onderdeel van de afdeling Stadsontwikkeling, welk bureau namens verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning behandelt. Aan dit Bureau dient ingevolge de voorschriften zoals te doen gebruikelijk het een en ander ter goedkeuring te worden voorgelegd.

12. De rechtbank merkt in dit kader ten overvloede nog op dat vergunninghoudster tevens overleg heeft gehad met (Rotterdamse) belangenbehartigers die opkomen voor het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed, zoals het Cuypersgenootschap en Erfgoedvereniging Heemschut. Zij hebben geen rechtsmiddelen tegen het bestreden besluit ingesteld. Ditzelfde geldt overigens ook voor de Minister.

13. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten om de omgevingsvergunning ten behoeve van de activiteit “handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten” te verlenen.

Bouwen en handelen in strijd met het geldende planologische regime

Afwijking bestemmingsplan

14. Ten aanzien van de activiteiten “Bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” geldt dat de projectlocatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Lijnbaankwartier-Coolsingel” (het bestemmingsplan). De betreffende gronden zijn bestemd als centrum-1 (o.a. wonen), verkeer-verblijfsgebied, leidingwater en waarde-archeologie 2. Het aangevraagde project is niet geheel in overeenstemming met het bestemmingsplan.

14.1.

Het plan is in strijd met artikel 3.2.2, lid a, van de bij het bestemmingsplan behorende regels, omdat ter plaatse van het op de verbeelding weergegeven bouwvlak niet hoger gebouwd mag worden dan 100 meter. Op grond van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 3.3, lid b, sub 2, is verweerder bevoegd om een bouwhoogte tot 150 meter toe te staan. Daarnaast biedt de binnenplanse afwijking in artikel 21.2 de mogelijkheid om voor technische voorzieningen op het dak af te wijken van de bouwhoogte, mits het gaat om een overschrijding van niet meer dan 5 meter.

Beide afwijkingen kunnen volgens verweerder worden toegepast zodat hiermee in totaal een bouwhoogte tot 155 meter kan worden toegestaan voor de toren en de technische voorzieningen op het dak.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het project medewerking kan worden verleend, omdat er vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen het plan. Door toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheden voor de extra bouwhoogte wordt een dubbel doel bereikt:

- De extra hoogte geeft een betere verhouding tussen het postkantoor en de toren dan bij een

bouwhoogte van 100 meter die het bestemmingsplan rechtstreeks toestaat: de toren oogt

slanker als deze langer is;

- Er kunnen meer woningen worden toegevoegd aan de binnenstad wat bijdraagt aan de

verdichtingsopgave en woningdifferentiatie in het gebied.

Verweerder heeft verder aangegeven dat de hoogbouw is geprojecteerd op een reeds bestaande plint (het voormalige postkantoor). Het plan voor de plint bestaat voor het overgrote deel uit een combinatie van publieksgerichte functies zoals hotel, lobby, binnenhoven met horeca en winkels. Deze zijn zorgvuldig ingepast in de huidige monumentale gevel die op enkele plaatsen meer toegankelijk is gemaakt. Hiermee levert het plan een uitzonderlijke en langverwachte bijdrage aan de stedelijke dynamiek en continuïteit in het stadsbeeld. De hoogbouw voegt zich met respect in de bestaande stad door ten eerste vrijwel het volledige bestaande gebouw in te passen in het nieuwe complex. Verder worden elementen die belangrijk zijn in de opbouw en materialisatie van het huidige gebouw gebruikt voor de nieuwbouw en de inpassing daarvan in het bestaande complex. Tenslotte is de positionering van de woontoren, conform het bouwvlak in het bestemmingsplan, gekozen op de minst publiekgerichte zijde van het postkantoor, daar waar de ruimtelijke mogelijkheden voor inpassing van de toren cultuurhistorisch gezien het grootst zijn.

Volgens verweerder voldoet het bouwplan aan de voorwaarden die in artikel 3.3, lid b, sub 2, van het bestemmingsplan zijn gesteld. De voorgenomen bouwactiviteiten leveren geen hinder of gevaar op voor de doorgang van signalen en het luchtverkeer. Ook aan de voorwaarden in artikel 21.2 wordt voldaan. Er vindt namelijk geen onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats. De gebouwdelen boven de 150 meter op het dak bedragen daarnaast niet meer dan 5 meter hoogte en de technische voorzieningen zijn bedoeld voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk. Omdat het plan ook stedenbouwkundig verantwoord is, heeft verweerder toepassing gegeven aan deze afwijkingsbevoegdheid.

14.2.

Verweerder heeft verder gesteld dat naast de technische voorzieningen de toren boven de 150 meter ook architectonisch wordt afgerond. Voor deze architectonische afronding boven de 150 meter (de zogenoemde Kroon) is het niet mogelijk om gebruik te maken van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. De opgetrokken gevel kan volgens verweerder wel worden toegestaan met de zogeheten ‘kruimelgevallenregeling’.

Tevens heeft verweerder gesteld dat het plan in strijd is met artikel 3.2.2, lid a, van de planvoorschriften omdat ondergeschikte bouwdelen aan de westgevel van de toren hoger zijn dan de ter plaatse toegestane bouwhoogte van 40 meter.

Voorts is het plan in strijd met artikel 7.2.1, lid e, omdat luifels uitsluitend toegestaan zijn ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding-1”. Deze is ter plaatse van de

voorgestelde luifels niet aanwezig. De regels uit het bestemmingsplan laten geen ruimte voor afwijking. Ook deze afwijkingen kunnen volgens verweerder met de ‘kruimelgevallenregeling’ als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor worden toegestaan.

Ter plaatse van de westgevel overschrijdt de toren het bouwvlak met 1,25 meter waar bebouwing tot 40 meter hoog mogelijk is. Deze afwijking acht verweerder zeer minimaal en daarmee nauwelijks merkbaar. De nieuwe volumes houden hierbij voldoende afstand tot het bestaande postkantoor. Daarnaast acht verweerder het van belang op te merken dat niet de gehele massa van de toren het bouwvlak overschrijdt. Het gaat slechts om de uitstekende onderdelen van het bouwwerk: alleen de balkons, serres en de kolommen van de tweede, esthetische façade steken buiten het bouwvlak uit.

De opgetrokken gevel ten behoeve van de architectonische afronding van het gebouw reikt tot een hoogte van 155 meter. Het toestaan van dit aspect van het bouwplan is volgens verweerder passend, zowel binnen de omgeving als ten aanzien van de toren. Door deze afronding worden tevens de achterliggende technische voorzieningen weggewerkt wat wenselijk is. Het achterwege blijven van deze afronding zou, aldus verweerder, een verminderd architectonisch beeld van de toren opleveren. De opgetrokken gevel zorgt voor een verbeterd uiterlijk van de top van de woontoren terwijl de vormgeving open is. De hoogte van de toren zonder opgetrokken gevel en technische voorzieningen blijft beperkt tot 150 meter.

De luifels benadrukken de entrees van het hotel en de woningen op een subtiele en comfortabele manier. Bovendien passen de luifels goed bij de maat en schaal van de aanliggende straten. De luifels sluiten, aldus verweerder, goed aan op het voorgenomen gebruik van het bouwwerk als belangrijk onderdeel van het stedelijk centrum.

Voor de bovengenoemde strijdigheden heeft verweerder artikel 4, eerste lid, van Bijlage II van het Bor toegepast teneinde afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Voor de ruimtelijke onderbouwing wijst verweerder naar de ruimtelijke onderbouwing ‘Post Rotterdam’ van 28 januari 2019.

15. Eisers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte omgevingsvergunning is verleend voor de afwijking van het bestemmingsplan. Naar de mening van eisers blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder in dit kader een belangenafweging heeft gemaakt dan wel dat de belangenafweging te eenzijdig is. Bepaalde relevante aspecten zijn in het geheel niet of in onvoldoende mate meegewogen, terwijl aan andere aspecten ten onrechte een (te zwaar) belang is toegekend. De benadering op dit punt lijkt te zijn dat nu het bestemmingsplan al een woontoren van 100 meter mogelijk maakt, het niet zoveel meer uitmaakt wanneer die toren wordt verhoogd tot 150 meter. Dat is natuurlijk niet het geval.

Een toren van 100 meter is hoog, maar een toren van 155 meter is nog veel hoger en dat heeft volgens eisers natuurlijk een grote impact op de directe omgeving. Dit geldt allereerst omdat het directe gevolg van een hogere toren is dat het postkantoor, maar ook het daarnaast gelegen stadhuis kleiner worden, ‘verdwergen’. Naast de Laurenskerk zijn het postkantoor en het stadhuis de twee meest beeldbepalende monumenten in het hart van de stad. Die monumenten vallen in het niet wanneer daar de hoogste toren van de rechter maasoever bovenuit steekt die alle aandacht naar zich toe trekt.

Verweerder stelt dat de toren hoger moet zijn om slanker te lijken, maar dat is een redenering waarmee the sky letterlijk the limit wordt. Met deze redenering zou de toren ook 200 meter kunnen worden en zou een toren van 400 meter nog wenselijker zijn omdat de toren dan nog slanker zou ogen. Eisers menen dat de onderbouwing van de wenselijkheid en aanvaardbaarheid van hoogbouw in deze orde van grootte, die een enorme impact heeft op het totale stadsbeeld van Rotterdam, buitengewoon mager is.

Gelet op de korte afstand tussen de toren en het Timmerhuis is ook daar de impact van die hoogte groot. Daarnaast zal de entree van het Timmerhuis een plek worden met een matig tot slecht windklimaat, met andere woorden: een enorme tochthoek. Ook om die reden is de woontoren in ruimtelijk opzicht onaanvaardbaar.

Dat verweerder het economische belang van een goede herbestemming voor het Postkantoor meeweegt geeft, aldus eisers, voorts geen blijk van enig besef dat in economische (retail)activiteiten in dit gebied van Rotterdam reeds in voldoende mate wordt voorzien.

Wat betreft het gestelde belang van de bouw van de woontoren en de bijdrage daarvan aan de verdichting en differentiatie van het woningaanbod in de binnenstad, miskent verweerder dat er reeds tal van projecten in bouw en ontwikkeling in dit gebied zijn die in veel grote(re) mate bijdragen aan verdichting en woningdifferentiatie. Een substantieel aantal van deze woningen staat nog te koop en/of zal in de komende maanden in de verkoop komen.

Eisers zijn daarom van mening dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen komen. Het bestreden besluit is volgens eisers op dit punt ook volstrekt ontoereikend gemotiveerd.

15.1.

Niet in geschil is dat verweerder bevoegd is om met toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijkingsregeling als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, gelezen in samenhang met de artikelen 3.3, lid b, sub 2 en 21.2 van de planvoorschriften, omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de maximale bouwhoogte.

Zoals volgt uit het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning bij toepassing van een zogenoemde binnenplanse afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat verweerder bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent dat verweerder, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan te gebruiken. De rechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

15.2.

Daarnaast is niet in geschil dat verweerder bevoegd is om met toepassing van de zogenoemde “kruimelgevallenregeling”, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, ontheffing te verlenen van de architectonische afronding boven de 150 meter en de overige onder r.o. 9.2. genoemde afwijkingen van het bestemmingsplan. Ook ten aanzien hiervan geldt dat verweerder, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken, waarbij de rechter eveneens toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

15.3.

De binnenplanse afwijkingsmogelijkheden staan voor de woontoren en de technische voorzieningen op het dak in totaal een bouwhoogte van 155 meter toe. Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken dat reeds vanaf 1993 het planologisch kader (bestemmingsplan Coolsingel en omgeving en opvolgende bestemmingsplannen) voorziet in de mogelijkheid van hoogbouw tot een hoogte van 100 meter. Ook in die bestemmingsplannen was reeds een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor hoogbouw tot 150 meter. De gemeenteraad van Rotterdam heeft de Rodezandvleugel van het postkantoor dus niet als belemmering gezien voor het vaststellen van het bestemmingsplan met hoogbouwmogelijkheden op die plek.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn afweging in redelijkheid kunnen betrekken dat het planologisch regime ook van toepassing was op het moment dat het Timmerhuis werd herontwikkeld tot woningen en andere functies.

Hoewel op zichzelf geen rechtvaardiging om toepassing te geven aan de afwijkingsmogelijkheden, heeft verweerder tevens mee kunnen wegen dat er op basis van de ruimtelijke onderbouwing van 1 maart 2019 uit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de bouwhoogte tot 155 meter en dat het plan in overeenstemming is met de Hoogbouwvisie 2011. Ondanks dat het bestemmingsplan een bredere toren toestaat is voor een slankere uitvoering van de toren gekozen. Dit betekent dat de gevolgen voor de omgeving minder groot zijn dan hetgeen het bestemmingsplan maximaal toestaat. Van een significante vergroting van het bouwvolume is geen sprake.

Eisers stelling, dat het postkantoor (en het stadhuis) verdwergt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de extra hoogte een betere verhouding geeft tussen het postkantoor en de toren dan bij een bouwhoogte van 100 meter die het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk maakt. Van ‘verdwerging’ van bestaande monumentale gebouwen zoals het voormalig postkantoor of het stadhuis is volgens verweerder geen sprake nu de stedenbouwkundige vormgeving van de hoogbouw met respect voor het monument is vormgegeven. Verweerders argument dat de verwevenheid van de hoogbouw met het monument de monumentale waarde van het postkantoor ook kan benadrukken vindt de rechtbank niet onredelijk.

15.4.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder in zijn belangenafweging mede heeft betrokken dat door de extra bouwhoogte er meer woningen kunnen worden toegevoegd aan de binnenstad, wat bijdraagt aan de verdichtingsopgave en woningdifferentiatie in het gebied. Anders dan eisers hebben aangevoerd over voldoende aanwezigheid van (retail)activiteiten ter plaatse heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voorts aannemelijk gemaakt dat het plan met de publieksgerichte functies na jarenlange leegstand een goede bijdrage levert aan de stedelijke dynamiek en het stadsbeeld.

In dit verband heeft verweerder onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat de aanvaardbaarheid (en wenselijkheid) van hoogbouw in de binnenstad Rotterdam in de Hoogbouwvisie is betrokken en afgewogen. Deze visie is in 2011 door de gemeenteraad van Rotterdam goedgekeurd. Het hoogbouwbeleid is gericht op het realiseren van een sterk

verdichte, multifunctionele binnenstad voor Rotterdam. Uitgangspunten van het hoogbouwbeleid is dat hoogbouw in de binnenstad wenselijk en aanvaardbaar is. Hierbij kan een hoogbouw-as worden getrokken die loopt vanaf het Hofplein via de Coolsingel naar het Wilhelminaplein, waar de diverse deelgebieden op aansluiten.

In de Hoogbouwvisie is voorts betrokken dat met de komst van meerdere hoge gebouwen er steeds minder sprake is van beeldbepalende gebouwen (zoals de Laurenskerk). Niet één hoge toren benadrukt de importantie van een bepaalde plek, zoals de kerktoren in dorpen functioneert, maar de toenemende concentratie van torens bepaalt de hiërarchie van het stadsbeeld van Rotterdam. De bouwhoogte van 155 meter van de geplande woontoren is dan ook in overeenstemming met de Hoogbouwvisie 2011. Daarnaast heeft verweerder onbetwist verklaard dat hij zichzelf in het coalitieakkoord 2018-2022 heeft opgelegd om 18.000 woningen te realiseren, evenwichtig verspreid over de stad.

Voorts wordt zowel in de Stadsvisie Rotterdam “Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030”, Binnenstad als City Lounge, Binnenstadsplan Rotterdam 2008-2020 als in de Woonvisie Rotterdam de ambitie uitgesproken de binnenstad verder te verdichten door meer woningen aan de stad toe te voegen. Meer woningen draagt bij aan de opgave van een vernieuwde woningvoorraad, onder meer gericht op het vasthouden en aantrekken van

midden- en hoge inkomensgroepen en draagt bij aan een groter draagvlak voor

stedelijke voorzieningen en meer levendigheid in de stad. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden ontkend dat het onderhavige project bijdraagt aan het verwezenlijken van deze doelstellingen.

15.5.

Naast het belang van verdichting en de stedelijke dynamiek heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de belangenafweging eveneens in redelijkheid waarde kunnen hechten aan de restauratie van het rijksmonument en het opnieuw publiekelijk openstellen van het gebouw. Eisers hebben niet gemotiveerd weersproken dat de woontoren noodzakelijk is om het project Post Rotterdam financieel en economisch uitvoerbaar te maken.

15.6.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder r.o. 15 weergegeven beroepsgronden van eisers niet slagen.

Bezonning

16.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met een onacceptabele verhoging van de schaduwvorming in de omliggende gebieden door komst van de woontoren.

16.2.

Eiser heeft aangevoerd dat de ontheffing voor bouwen buiten het bouwvlak voor hem slecht uitpakt en wel zodanig dat hij straks minder dan twee uur direct zonlicht op zijn gevel zal krijgen. Ten aanzien van hem wordt de zogenoemde Haagse bezonningsnorm overschreden. Voorts stelt eiser dat zijn woning niet als meetpunt in het onderzoek is meegenomen. Naar zijn mening wordt het aantal zonuren in de onderzoeken te optimistisch voorgesteld. Daarbij valt tevens op dat voor de meetpunten terrassen zijn genomen, terwijl het voor de norm gaat om het aantal zonuren direct op de gevel. Eiser stelt dat het verschuiven van de toren buiten het bouwvlak van het bestemmingsplan voor hem een aanzienlijke verslechtering met zich brengt.

16.3.

De rechtbank overweegt allereerst dat er geen wettelijke normen bestaan die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1515).

Het bureau Van der Kooij en Verhoef Management&Consultancy (KVMC) heeft een bezonningsstudie verricht waarvan op 18 juli 2018 het rapport ‘Bezonningsonderzoek voor het project Transformatie voormalig Postkantoor Coolsingel te Rotterdam’ is opgesteld. Daarnaast heeft het bureau ABT (ABT) op 12 juni 2019 een aanvullend onderzoek gedaan naar de bezonning waarvan de notitie ‘Aanvullende analyse van wind- en bezonning (schaduw) op de omgeving’ de weerslag van is. Dit aanvullend onderzoek bevestigt de uitkomsten van het onderzoek van KVMC van 18 juli 2018. KVMC zelf heeft op 13 september 2019 een aanvullende verklaring over het onderzoek van juli 2018 overgelegd.

Nu er voor bezonning geen wettelijke normen of voorschriften gelden die het bevoegd gezag in aanmerking moet nemen is, om de aanvaardbaarheid van de schaduwhinder te beoordelen, aansluiting gezocht bij de Haagse bezonningsnorm – gebaseerd op de lichte TNO-norm – die uitgaat van minimaal twee bezonningsuren op de gevel op 19 februari, omdat op die dag de schaduwwerking het grootst is. Verweerder heeft in dit kader aangegeven dat in Rotterdam die Haagse bezonningsnorm is neergelegd in het document ‘Regels voor bezonning van woningen in de binnenstad’. Deze ‘Regels’ worden door verweerder als vaste gedragslijn gehanteerd bij de vaststelling van bestemmingsplannen. Uit de jurisprudentie volgt dat deze ‘Regels’ als richtsnoer bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de schaduwhinder als gevolg van het bouwplan, worden geaccepteerd. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2150.

Uit de resultaten van de bezonningsstudie volgt dat bij vrijwel alle woningen dagelijks minimaal twee uren zon gegarandeerd blijft. Waar toch sprake is van minder zonuren is geconcludeerd dat er geen sprake was van een verslechtering door het beoogde project ten opzichte van een maximale planologische invulling van het bestemmingsplan. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraken van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1151, en 13 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7100, is bij een vergelijking van de bezonningssituatie bepalend wat op grond van het bestemmingsplan maximaal aan bebouwing of anderszins kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk plaatsvindt. In dit verband is van belang dat de woontoren weliswaar hoger is maar tegelijkertijd ranker wordt uitgevoerd. Het bouwvlak in het bestemmingsplan is namelijk 44 meter breed terwijl de breedte van de woontoren 39,5 meter wordt. Zodoende wordt 4,5 meter in de breedte van het bouwvlak niet benut (2,25 meter aan elke zijde) en heeft dit voor de bezonning een gunstig effect. De ophoging naar 150/155 meter brengt in die situatie voor eisers geen verslechtering.

16.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de overschrijding van het bouwvlak met 1,25 meter aan de voorzijde van de toren richting de Coolsingel, het appartement van eiser niet negatief beïnvloeden qua bezonning. De breedte van de toren is namelijk relevant voor de bezonning, niet de diepte ervan. Nu de breedte van de toren 4,4 meter minder wordt dan het bestemmingsplan toelaat, betekent de bouw van de woontoren in zoverre zelfs een verbetering ten opzichte van de maximale invulling op grond van het bestemmingsplan. Dat eisers woning niet als meetpunt in het de bezonningsstudie onderzoek is meegenomen maakt niet dat de rapportages gebrekkig zijn. Bij de bezonningsstudie is men uitgegaan van 15 geanalyseerde meetpunten. Eisers hebben niet onderbouwd gesteld dat deze meetpunten niet representatief zijn. Dat, naar eiser stelt, niet de gevels maar de terrassen als meetpunt zijn genomen valt niet uit de rapportages af te leiden. Het rapport van 18 juli 2018 spreekt over de “gevels van de woningen van het Timmerhuis” (bijvoorbeeld onder 4.1. van het rapport, maar ook in de conclusie, punt 4.2.4). Dat er sprake is van een onacceptabele verhoging van de schaduwvorming heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt noch door middel van een deskundigenrapport aangetoond. Al het overige dat eisers hebben aangevoerd geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om de juistheid van de bij het uitvoeren van de bezonningsstudie gehanteerde uitgangspunten in twijfel te trekken.

16.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de onderzoeken van KVMC en ABT voldoende in kaart gebracht wat de gevolgen zijn van de bouw van de woontoren voor de bezonning op het Timmerhuis. De onderzoeken zijn goed bruikbaar om tot een conclusie daarover te komen. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder deze representatieve zonnestudies dan ook aan zijn beoordeling ten grondslag kunnen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat de gevolgen van de woontoren voor de bezonning niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor eisers. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bezonning niet aan de afwijking van het bestemmingsplan in de weg staat.

Windhinder

17.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de extra hoogte van 55 meter tot meer windhinder zal leiden. Eiser meent dat in het windonderzoek selectief met windrichtingen is gewerkt. In beeld is gebracht de situatie met windrichting SW, terwijl bij SSW wind zijn terras de volle laag krijgt. Eiser is bang voor rukwinden op zijn terras bij windkracht 5+ uit de windrichting SSW. Deze windrichting komt volgens het windonderzoek vaak voor. In het windonderzoek is evenwel geen woord gewijd aan de situatie op de terrassen, terwijl de wijziging van de windsituatie op de terrassen voor woningen als deze van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat.

17.2.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verslechtering van het woon- en leefklimaat in en rondom het Timmerhuis. De wind op de hoge woontoren wordt namelijk afgebogen op het postkantoor hetgeen leidt tot een slecht windklimaat voor (de entree van) het Timmerhuis. Dit kan volgens eiseres mogelijk leiden tot gevaarlijke situaties zoals evenwichtsverlies.

17.3.

De rechtbank overweegt dat in het rapport ‘CFD onderzoek naar het Windklimaat’ van ABT en KVMC van 11 januari 2019 de gevolgen voor het windklimaat in kaart zijn gebracht. Aan de hand van een benadering van de werkelijkheid in een computermodel is onderzocht hoe de wind zich zal gedragen in en om de woontoren. Anders dan eiser stelt beperkt dit onderzoek zich niet tot de zuidwestelijke windrichting. Er zijn twaalf windrichtingen gesimuleerd en er is onderzocht wat het windklimaat is als men ‘doorloopt’ dan wel ‘slentert’. Uit het onderzoek volgt o.a. dat het windklimaat op veel plaatsen goed is bij de activiteit ‘doorlopen’ en dat voor de gevel van het Timmerhuis het windklimaat o.a. ter plaatse van de entree van het museum “slecht” is voor slenteren. Er is geadviseerd daar schermen of groen te plaatsen.

ABT heeft aanvullend onderzoek gedaan. In het rapport ‘Aanvullende analyse van wind- en bezonning (schaduw) op de omgeving’, van 12 juni 2019 heeft ABT de huidige situatie vergeleken met de aangevraagde situatie. Meer specifiek heeft ABT gekeken naar de gevolgen van de woontoren op het Timmerhuis. Uit het onderzoek volgt dat de woontoren het Timmerhuis afschermt tegen de wind. De dakterrassen op de bovenste verdiepingen en aan de Rodezandzijde zullen volgens het onderzoek zeer weinig wind ervaren wat resulteert in een sterk verbeterd of gelijkblijvend comfort op de terrassen. De wind op de dakterrassen neemt per saldo af. Voor de terrassen aan de Haagseveerzijde van het Timmerhuis geldt dat deze enige afgebogen wind zullen ervaren met snelheden van gemiddeld 2,5 - 3 m/s, terwijl in de huidige situatie sprake is van een volledige blootstelling van het Timmerhuis aan de wind, waarbij zich op de bovenste niveaus ervaren windsnelheden >6 m/s op een hoogte van 35 meter boven de grond voordoen. Wanneer de glazen balustrades op de terrassen ook in ogenschouw worden genomen zal de ervaren wind op deze terrassen nog lager zijn. Bovendien volgt uit het onderzoek dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat een zuid-zuid-westenwind (SSW) significant nadeliger zal zijn voor de terrassen van het Timmerhuis dan een zuidwestenwind omdat de windsnelheden van een zuidwestenwind hoger zijn en vaker gedurende het jaar voorkomen.

Op grond van de voornoemde windhinderonderzoeken, waarvan de uitkomsten niet door eisers met een tegenonderzoek zijn bestreden, is de rechtbank van oordeel dat de windbelasting door de woontoren niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vaststaat bovendien dat de gevolgen van de woontoren van 155 meter wat betreft windhinder niet groter zijn dan hetgeen het bestemmingsplan reeds mogelijk maakt. De windsnelheden nemen door de woontoren ter plaatse van de hogere verdiepingen van het Timmerhuis (woonverdiepingen) af. Dit volgt uit het feit dat de woontoren wegens een goede positionering de overheersende windrichting (zuidwesten) zal blokkeren.

17.4.

Aangezien in het licht van het vorenstaande het windklimaat aanvaardbaar is te achten is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich tevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de bouw van de woontoren voor het windklimaat niet zodanig zijn dat dit aan een afwijking van het bestemmingsplan in de weg staat.

18. Alles bijeengenomen heeft verweerder zich, gelet op al hetgeen hiervoor in de r.o. 9 tot en met 17 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eisers gestelde belangen door het realiseren van het bouwplan niet onevenredig zullen worden geschaad en dat deze bezwaren van eisers niet in de weg staan aan de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit “Bouwen en handelen in strijd met het geldende planologische regime”.

Parkeren

Auto

19. Ter zake van het aspect “parkeren” heeft verweerder overwogen dat de locatie van het project ook gelegen is in het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormering Rotterdam” (het bestemmingsplan II). De locatie van het plan ligt in gebiedstypeA: hoogstedelijk gebied als bedoeld op kaart 3.1 Gebiedsindeling Beleidsregeling

Parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2018 (de beleidsregeling).

Parkeereis auto voor de woonfunctie

20.1.

De parkeereis auto bestaat uit 228 plaatsen ten behoeve van de woonfunctie.

Verweerder heeft besloten gebruik te maken van enkele bijzondere vrijstellingen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de beleidsregeling. Hierdoor wordt de parkeereis van 228 ten behoeve van de woonfunctie gereduceerd tot een netto parkeereis van 32 autoparkeerplaatsen (waarvan 9 plaatsen voor deelauto’s zijn bestemd). Aangezien deze worden gerealiseerd op eigen terrein, voldoet het bouwplan aan de gestelde netto parkeereis conform de beleidsregels.

Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat artikel 6, derde lid, van de beleidsregeling een bijzondere vrijstelling omschrijft van de parkeereis voor plannen in de nabijheid bij OV-stations. In dit specifieke geval is op minder dan 400 meter hemelsbreed (circa 350 meter) OV-halte Beurs aanwezig. Conform tabel 2.3 in de beleidsregeling kan de parkeereis daarom met 40% worden verminderd.

Verder heeft verweerder erop gewezen dat in het project een collectieve fietsenstalling is opgenomen van 120 fietsplekken, waarvan er 46 dienen als compensatie voor de toegepaste reductie op autoparkeren voor de woontoren. De stalling is gesitueerd in de kelder van het complex, maar zowel per trap als lift publiek bereikbaar tijdens openingsuren. Deze collectieve fietsenstalling is een voorziening bovenop de standaard fietsparkeereis uit het Bouwbesluit. Verweerder past in dit geval dan ook de bijzondere vrijstelling in artikel 6, derde lid, van de beleidsregeling voor extra fietsparkeerruimte toe. Hierdoor kan de parkeereis verder met 10% worden verlaagd.

Verweerder heeft voorts opgemerkt dat het mobiliteitsconcept volledig zal voorzien in de automobiliteit van de bewoners. Van de 32 te realiseren parkeerplaatsen of eventuele in een nabijgelegen parkeervoorziening te huren parkeerplaatsen zijn er tenminste 9 bestemd voor de deelauto’s die worden aangeboden door de ‘Mobility as a Service (MaaS)’ provider. Dit aantal kan worden opgeschaald aan de hand van de gebleken behoefte van de gebruikers. Hierbij geldt volgens het parkeerbeleid dat één deelauto gelijk staat aan vijf particuliere auto’s. Het aanbod van deelauto’s bestaat uit een mix van modellen en zal bijvoorbeeld bestaan uit een kleine elektrische auto voor korte afstanden in de stad, een grote (familie)auto voor de langere afstanden en specials zoals een (verhuis)busje of cabrio in de zomer. Hierdoor kan de parkeereis wederom met 20% worden verlaagd.

Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat er tevens gebruik wordt gemaakt van MaaS mobiliteitskaart. Deze kaart biedt de bewoners structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, toegang tot de eigen deelauto’s. Gelet hierop past verweerder tevens de bijzondere vrijstelling in artikel 6, derde lid, van de beleidsregeling voor deelauto’s toe. Hierdoor kan de parkeereis volgens verweerder nog eens met 20% worden verlaagd.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het in dit geval aanvaardbaar en gewenst is om deze vrijstellingen toe te passen. Er is sprake is van een bijzonder gemeentelijk belang, in de vorm van de realisatie van 305 woningen. Deze vier bijzondere vrijstellingen uit artikel 6, derde lid resulteren in een reductie van de parkeereis met 90% (40+10+20+20). De parkeereis van 228 is zodoende gereduceerd tot 32 (10% van 228 + 9 deelauto’s). Nu het project voorziet in een parkeervoorziening van 34 autoparkeerplaatsen is hiermee aangetoond dat op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, aldus verweerder.

20.2.

Eisers wijzen erop dat naast artikel 26 van de planregels van het bestemmingsplan ten aanzien van het parkeren het bestemmingsplan II van toepassing is. Het is eisers niet geheel duidelijk hoe deze twee plannen zich tot elkaar verhouden. Weliswaar is de inhoud van de belangrijkste bepaling dezelfde, namelijk dat een omgevingsvergunning voor bouwen alleen wordt verleend wanneer op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeerruimte, maar hoe wordt bepaald wat voldoende parkeerruimte is lijkt in beide bestemmingsplannen te verschillen.

Het bestemmingsplan II verwijst in artikel 3 naar “bijlage 1 of de rechtsopvolger daarvan”. Dat is de beleidsregeling. Het bestemmingsplan verwijst ook naar een bijlage bij de planregels met parkeernormen. De daarin opgenomen normen zijn niet identiek aan die in de beleidsregeling terwijl het bestemmingsplan op dezelfde dag is vastgesteld als de beleidsregeling, namelijk 1 februari 2018. Eisers vinden het vreemd dat de gemeenteraad van Rotterdam op één en dezelfde dag parkeernormen vaststelt waarvan het kennelijk de bedoeling is dat ze gelden in heel Rotterdam terwijl ook een bestemmingsplan wordt vastgesteld met parkeernormen die daar weer niet identiek aan zijn.

Wanneer ervan uit moet worden gegaan dat de beleidsregeling hier van toepassing is, doet zich volgens eisers nog een probleem voor. De beleidsregeling bevat voor niet-woonfuncties in de binnenstad maximumnormen. Om die reden wordt er in het bestreden besluit van uitgegaan dat de parkeereis voor de vele andere functies die het postkantoor krijgt, een vijfsterren hotel en commerciële voorzieningen zoals winkels, restaurants en café’s, nul is.

De bepaling dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte en die inzake een maximum parkeernorm, zonder ondergrens, verdragen zich volgens eisers niet met elkaar. De eis dat een omgevingsvergunning voor bouwen alleen kan worden verleend als er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte, veronderstelt dat die gebouwen een parkeerbehoefte met zich meebrengen en dat dat gevolgen heeft voor de omgeving en dus ruimtelijk relevant is. Een maximum parkeernorm impliceert daarentegen dat niet behoeft te worden voorzien in voldoende parkeerruimte. Het mag wel, maar slechts in beperkte mate, tot het maximum van de norm. Dan wordt een andere keuze gemaakt dan bij de bepaling dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte.

Naar de mening van eisers is daarom ten onrechte aan de hand van die beleidsregeling geconcludeerd dat niet behoeft te worden voorzien in voldoende parkeerruimte voor de vele niet-woonfuncties waarin het plan voor het postkantoor voorziet.

Ten aanzien van de woonfunctie is in het bestreden besluit vastgesteld dat de parkeereis 228 parkeerplaatsen bedraagt. Die parkeereis wordt met maar liefst 90% teruggebracht tot 23 parkeerplaatsen (weliswaar komen daar nog 9 parkeerplaatsen bij voor de deelauto’s, maar die maken strikt genomen geen deel uit van de parkeereis). De berekeningen van verweerder van de kortingspercentages wegens het openbaar vervoer en de extra fietsparkeerplaatsen kunnen eisers op zich volgen.

Er kan daarnaast ook een kortingspercentage worden toegepast bij de beschikbaarheid van deelauto’s. In dit geval wordt een korting van 20% toegepast. Eisers 2 hebben daar moeite mee. De beleidsregeling verlangt namelijk dat die beschikbaarheid structureel, voor minimaal 10 jaar, verzekerd moet zijn. De vraag is hoe moet worden aangetoond dat die beschikbaarheid er is en dat die ook gedurende minimaal 10 jaar verzekerd blijft. Voorts is onduidelijk wat de gevolgen zijn wanneer na verloop van tijd blijkt dat er niet of niet meer aan die eis van 10 jaar wordt voldaan. Wordt dan handhavend opgetreden en zo ja, jegens wie en hoe? Eisers stellen zich op het standpunt dat dit vereiste te vaag is en daardoor niet handhaafbaar. Een kortingspercentage op grond daarvan moet dan ook achterwege blijven.

Vervolgens kan volgens de beleidsregeling ook nog een korting van 20% worden

toegepast bij het beschikbaar stellen van MaaS. MaaS houdt een Mobiliteitsconcept in waarbij reizigers gebruik maken van mobiliteitsdiensten van een aanbieder in abonnementsvorm, in plaats van eigen vervoer. Niet bezit van mobiliteit staat centraal maar beschikbaarheid. Dat vinden eisers nog steeds betrekkelijk vaag maar uit de beleidsregeling en ook uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat dit dan concreet bestaat uit openbaar vervoer en deelauto’s. Ook dat moet dan voor 10 jaar structureel verzekerd zijn.

Problematisch is hoe die beschikbaarheid voor 10 jaar verzekerd kan zijn, maar belangrijker is nog dat de beschikbaarheid van OV en deelauto’s al verrekend is. Op de parkeereis is al een korting van 40% toegepast wegens de beschikbaarheid van OV in de omgeving en een korting van 20% wegens de beschikbaarheid van deelauto’s. Niet valt in te zien waarom daar bovenop dan nog eens een korting van 20% zou kunnen worden toegepast vanwege diezelfde beschikbaarheid.

De totale korting van 90% op de parkeereis van 228 parkeerplaatsen vinden eisers een goocheltruc. Naar hun mening wordt niet voldaan aan de eis dat in voldoende parkeerruimte moet worden voorzien. De omgevingsvergunning had dus om die reden geweigerd moeten worden.

20.3.

Eiser stelt zich in aanvulling hierop nog op het standpunt dat de kortingspercentages niet bij elkaar kunnen worden opgeteld. Indien er goed openbaar vervoer is kan er worden verwacht dat 40% van de bewoners ervoor kiest er geen auto op na te houden, bewoners die anders wel een (extra) auto zouden kopen/aanhouden. Deze bewoners kunnen deze auto echter niet meer voor de tweede keer inleveren. Indien er vervolgens nog extra plaatsen in de fietsenstalling komen kan het veronderstelde effectpercentage (10%) nog uitsluitend werken op de na de eerste maatregel resterende 60% benodigde autoplekken. Het effect is dan nog slechts 0.6 x 10 = 6% en niet 10%. Dezelfde redenering geldt ook ten aanzien van de overige effectpercentages. Hierdoor komt eiser op een benodigd aantal parkeerplaatsen van 35% in plaats van 10% van de parkeernorm. Dit betekent dat er dus veel meer parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn.

20.4.

Eiseres vindt het verder onduidelijk hoe de parkeereis van 228 auto’s voor de woontoren is bepaald. Daarnaast meent eiseres ten aanzien van de toegepaste bijzondere vrijstellingen dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de specifieke luxe aard van de appartementen in de woontoren. Op basis daarvan kan dan ook worden verwacht dat de bewoners van de woontoren een bovengemiddelde parkeerbehoefte zullen hebben, omdat het autobezit toeneemt bij een hoger inkomen. Verder stelt eiseres dat MaaS in Rotterdam eerst eind 2018 een pilot is gestart waarbij voor een periode van twee of drie jaar een startsubsidie is afgegeven. Gezien de zeer beperkte historie van de MaaS en de huidige pilotfase waarin MaaS zich, specifiek in Nederland, bevindt, kan er op dit moment redelijkerwijs niet van worden uitgegaan dat MaaS structureel voor een periode van 10 jaar beschikbaar zal blijven.

20.5.

Tot slot stellen eisers zich op het standpunt dat het onwenselijk is dat in de nieuwe situatie de bevoorrading van de winkels en horeca juist op de hoek tegenover de ingang van het Timmerhuis is voorzien. Volgens eisers valt niet in te zien waarom de bevoorrading niet in de Stadhuisstraat of aan de Meent kan worden gesitueerd. Daar bevinden zich geen woningen die hinder zouden kunnen ondervinden van de bevoorrading.

21. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat het laden en lossen in de Stadhuisstraat en niet aan het Rodezand zal plaatsvinden. Daarmee mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag en faalt.

21.1.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat het bestemmingsplan II op 14 december 2017 is vastgesteld en op 31 maart 2018 in werking is getreden. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 1 februari 2018 en is op 14 april 2018 in werking getreden. Eveneens op 1 februari 2018 is de beleidsregeling door de gemeenteraad vastgesteld. Deze beleidsregeling is op 23 maart 2018 in werking getreden.

Ingevolge artikel 2 van de planregels van het bestemmingsplan II gelden de in dit plan opgenomen regels in aanvulling c.q. in afwijking van de regels van de ruimtelijke plannen in de gemeente Rotterdam, die op het moment van inwerkingtreding van deze parapluherziening zijn vastgesteld, voor wat betreft het onderwerp ‘parkeren’. Ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan II was het bestemmingsplan wel vastgesteld maar nog niet in werking getreden. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan II op 31 maart 2018 de parkeerregeling uit het bestemmingsplan nooit in werking is getreden. Daarvoor in de plaats is de voorwaardelijke verplichting zoals geformuleerd in artikel 3 van het bestemmingsplan II in werking getreden. Deze luidt als volgt: “Een omgevingsvergunning voor het bouwen (---), zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in bijlage 1, “Parkeerbeleid, normering 2010” of de rechtsopvolgers daarvan.” Dat is de beleidsregeling.

Aangezien de onderhavige vergunningaanvraag door verweerder op 22 oktober 2018 is ontvangen, gold ten tijde van de aanvraag van het project volgens de dynamische verwijzing in artikel 3 van de planregel van het bestemmingsplan II dus de beleidsregeling. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de vergunningaanvraag met inachtneming van de beleidsregeling beoordeeld.

21.2

In het kader van de besluitvorming voor de parkeereis voor auto’s voor de woonfunctie overweegt de rechtbank dat verweerder een differentiatie heeft toegepast. Daarbij is uitgegaan van 72 appartementen van 40-65 m2, 100 appartementen van 65-85 m2, 101 appartementen van 85-120 m2 en 32 appartementen groter dan 120 m2. Met inachtneming van de ‘standaardnormering’ uit de beleidsregeling dient voor de woonfunctie in beginsel te worden voorzien in 228 parkeerplaatsen op eigen terrein (zoals toegelicht in de ruimtelijke onderbouwing).

De rechtbank overweegt verder dat uit de toelichting van de beleidsregeling blijkt dat het de bedoeling is om de auto minder dominant aanwezig te laten zijn en om parkeren op maaiveld te veranderen in parkeren in garages zodat een betere balans in de buitenruimte ontstaat tussen groen enerzijds en parkeren anderzijds. Omdat het doel van de beleidsregeling is om auto’s zo veel mogelijk uit de binnenstad te weren voorziet de beleidsregeling in de mogelijkheid om op de parkeereis kortingspercentages toe te passen, wanneer wordt voldaan aan bepaalde vereisten, en op grond daarvan kan worden aangenomen dat sprake zal zijn van minder autobezit.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, indien vast staat dat de in het bestreden besluit vastgestelde vrijstellingen zouden kunnen worden toegepast, de berekening van verweerder worden gevolgd dat dit tot de volgende uitkomst leidt: 228 parkeerplaatsen - 91,2 - 22,8 - 45 - 45,6 = 23,4 parkeerplaatsen. Dit aantal moet worden aangevuld met de 9 parkeerplaatsen voor deelauto’s, hetgeen een totaal van 32,4 parkeerplaatsen oplevert. Dat getal mag op grond van artikel 2, derde lid, van de beleidsregeling naar beneden toe worden afgerond. Daarmee komt de parkeereis voor woningen op 32 parkeerplaatsen, die op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd.

Het standpunt van eiser dat de kortingspercentages niet bij elkaar kunnen worden opgeteld kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. In de beleidsregeling staat immers vermeld dat de maatregelen en de daarmee samenhangende kortingen bij elkaar mogen worden opgeteld (p. 31). Als dat niet zou kunnen zou bovendien nooit een algehele vrijstelling kunnen worden bereikt, terwijl dat wel de bedoeling is van de beleidsregeling. De rechtbank verwijst naar de passage op p. 31 van de beleidsregeling waar dat uitdrukkelijk is opgenomen bij de toelichting op de keuze voor flexibiliteit in de parkeernormen voor de auto door middel van vrijstellingen: “ Dit kan verder oplopen tot volledige vrijstelling als…”

Elke reductiemogelijkheid kan dus worden toegepast op de oorspronkelijke parkeereis. De berekening van eiser die leidt tot een korting van maximaal 35% past hier dan ook niet in en heeft verweerder terecht niet toegepast.

21.3.

De inhoudelijke grieven van eisers ten aanzien van de toegepaste vrijstellingen richten zich met name op het aanbod door een provider aan de bewoners van appartementen van minimaal negen deelauto’s en de gelijktijdige toepassing van de korting wegens het MaaS-abonnement.

De rechtbank stelt daarover vast dat de deelauto’s die op daartoe geoormerkte deelauto-parkeerplaatsen beschikbaar worden gesteld, niet dezelfde auto’s zijn als die auto’s die onderdeel uitmaken van het MaaS-abonnement. Indien dat wel het geval zou zijn, zouden eisers gelijk hebben dat de korting dubbel wordt gerekend.

Blijkens de beleidsregeling mogen de (negen) deelauto’s worden geplaatst in een nabijgelegen parkeervoorziening op geoormerkte deelauto-parkeerplaatsen. De deelauto’s die deel uitmaken van een MaaS-abonnement zijn daarentegen deelauto’s die elders op geoormerkte parkeerplaatsen aanwezig zijn. Deze deelauto’s staan doorgaans op het maaiveld geparkeerd op daartoe aangewezen deelauto-parkeerplaatsen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat MaaS ruimer is dan enkel het aanbieden van deelauto’s. Het vormt daarom een aparte categorie waarvoor verweerder niet ten onrechte eveneens vrijstelling heeft verleend. MaaS betreft immers een abonnement waarbij de gebruiker afhankelijk van de reisbehoefte bepaalt welke transportmiddelen gebruikt worden. Het gaat in dat kader ook om een trein-, bus-, tram- en metrokaart, een abonnement op OV-fietsen en deelauto’s (van verschillende typen) en zelfs elektrische scooters en bakfietsen. Dit alles wordt gecombineerd in een mobiele applicatie waarmee de gebruiker te allen tijde het benodigde vervoer kan regelen en de optimale transportmethoden kan (laten) bepalen.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder er redelijkerwijs op kan vertrouwen dat MaaS een toekomstbestendig concept is. Het gebruik van de elementen waaruit MaaS bestaat neemt alleen maar toe, zie onder meer het gebruik van elektrische Felyx-scooters en swapfietsen. Nu voorts geldt dat bewoners en gebruikers van ontwikkelingen waarvoor geheel of gedeeltelijk een vrijstelling van de parkeereis is verleend op grond van artikel 7 van de beleidsregeling geen aanspraak meer kunnen maken op een parkeervergunning, ligt autobezit bij de bewoners van de woontoren minder voor de hand.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beginsel in redelijkheid tevens gebruik heeft kunnen maken van de in de beleidsregeling geboden mogelijkheid om vrijstellingen te verlenen voor zowel het aanbod door een provider aan de bewoners van appartementen van minimaal negen deelauto’s als de beschikbaarheid van het MaaS-abonnement.

Wat betreft de stelling van eisers in dit verband dat de beschikbaarheid van deelauto’s en het MaaS-abonnement niet gedurende 10 jaar zeker is gesteld, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft besloten door middel van een herstelbesluit (het betreden besluit II) hieraan alsnog voorwaarden te verbinden waaruit volgt dat ingebruikname van de woningen is gekoppeld aan de aanwezigheid en instandhouding van het MaaS-abonnement en negen deelauto’s voor ten minste een periode van 10 jaar.

Parkeereis auto voor de niet-woonfuncties

22. In de beroepsgronden van eisers over de autoparkeerplaatsen voor de niet-woonfuncties heeft verweerder aanleiding gezien om in het bestreden besluit II de parkeereis auto’s voor niet-woonfuncties te bepalen op 47 (in plaats van op 0-120 zoals in het bestreden besluit).

Met toepassing van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 6:19, eerste lid van de Awb, heeft verweerder bij het bestreden besluit II drie nadere voorschriften en een nadere motivering aan de omgevingsvergunning verbonden.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de parkeereis voor niet-woonfuncties bij het bestreden besluit II nader op het standpunt gesteld dat de daadwerkelijke vraag naar autoparkeerplaatsen per functie niet de hele dag hetzelfde is. Daarom wordt uitgegaan van dubbelgebruik van de aanwezige parkeervoorzieningen. Voorwaarde is wel dat de parkeervoorzieningen openbaar toegankelijk zijn zodat dubbelgebruik ook daadwerkelijk mogelijk is. De parkeereis van 120 wordt door dubbelgebruik op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, van de beleidsregeling gereduceerd naar 117 parkeerplaatsen.

Ten aanzien van deze 117 parkeerplaatsen heeft verweerder vervolgens artikel 6, derde lid, van de beleidsregeling toegepast en bijzondere vrijstelling van de parkeereis wegens de ligging van het bouwplan in de nabijheid van OV-stations (40%) en het MaaS-abonnement (20%) verleend. Hierdoor wordt de parkeereis van 120 gereduceerd tot 47

(117 - (46,8 + 23,4) = 46,8).

Verweerder heeft daarnaast aangegeven dat deze 47 parkeerplaatsen op basis van artikel 4, sub a, van de beleidsregeling structureel beschikbaar worden gesteld in een alternatieve parkeervoorziening binnen een loopafstand van 900 meter, zodat deze niet op eigen terrein beschikbaar hoeven te zijn. Om dit te borgen heeft verweerder in het bestreden besluit II voorschrift 1 opgenomen.

23. Subsidiair heeft verweerder aangegeven dat er sprake is van een bijzonder gemeentelijk belang. Met de uitvoering van deze ontwikkeling komt een einde aan de zeer langdurige leegstand en de slechte onderhoudsconditie van het Rijksmonument en wordt een goede herbestemming voor dit bijzondere gebouw gerealiseerd. Daarnaast streeft het gemeentelijk beleid ernaar om de gebruikers van niet-woonfuncties te laten kiezen voor een duurzame verplaatsing. Voor de werknemers betekent dit dat er geen parkeerplaatsen worden voorzien. Voor bezoekers van de niet-woonfuncties die toch met de auto willen komen, biedt de binnenstad meer dan voldoende parkeercapaciteit. Binnen een straal van 600 meter van het Postkantoor bevinden zich elf parkeergarages met een capaciteit van in totaal ca. 5.500 parkeerplaatsen (de stadsgarages Schouwburgplein (730) en Meent (548), Q Park de Bijenkorf (449), Koopgoot (435) en Weena (480) en Interparking WTC Beursplein (340), Kruiskade (269), Lijnbaan (540), Central Plaza (470), Markthal (1040) en Wijnstraat 78 (163). Verder beschikt de gemeente Rotterdam over P+R terreinen waar de auto tot 72 uur gratis geparkeerd kan worden en is er sprake van een centrumstedelijke ontwikkeling die zeer goed bereikbaar is via hoogwaardig OV (tram en metro) in de directe omgeving.

Daarnaast wijst verweerder erop dat het hotel gebruik gaat maken van valetparking. Dit houdt kortgezegd in dat de hotelgast, in plaats van zelf een parkeerplaats op te moeten zoeken, de auto voor de deur kan parkeren waarna een hotelmedewerker (‘valet’) de auto op een veilige plaats (parkeergarage) parkeert en doorgaans later de auto ook weer ophaalt voor de gast. Deze ontwikkeling sluit aan op het gemeentelijk beleid om de bestaande parkeercapaciteit beter te benutten en duurzamere verplaatsing te stimuleren.

Voor de beide functies (wonen en niet-wonen)

24. Op grond van de r.o. 21.3 (laatste alinea) en 22 (eerste alinea), waarin is overwogen dat verweerder zelf aanleiding heeft gezien voor wijziging van het bestreden besluit, komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de zekerheid ten aanzien van de beschikbaarheid van deelauto’s en het MaaS-abonnement en op het vaststellen van het aantal auto-parkeerplaatsen bij niet-woonfuncties, niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. In zoverre moet het bestreden besluit worden vernietigd.

Inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit II

25. Verweerder heeft bij het bestreden besluit II tevens de volgende nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.

Voorschrift parkeren niet woonfunctie; hotel, restaurant en detailhandel functie

Nader voorschrift 1:

“Het aangevraagde gebruik van het postkantoor ten behoeve van hotel, restaurant en

detailhandel is slechts toegestaan als de vergunninghouder voor een periode van minimaal 10 jaar heeft geborgd dat 47 parkeerplaatsen beschikbaar zijn binnen een loopafstand genoemd in tabel 2.1 van de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018.

Bij ingebruikname van het gebouw dient de aanwezigheid van ‘Mobility as a Service’ (MaaS), zoals voorzien in dit bouwplan, beschikbaar te zijn voor de toekomstige gebruikers. De aanwezigheid van de service MaaS blijft minimaal 10 jaar, na ingebruikname van het gebouw, beschikbaar voor de toekomstige gebruikers. Middels een daartoe gesloten contract met een provider wordt geborgd dat alle aangeboden MaaS-modaliteiten vierentwintig uur per dag, 365 dagen per week beschikbaar zijn en blijven. Voorafgaand aan de aanvang van voornoemd gebruik dient vergunninghouder (dan wel diens rechtsopvolger) het college daarvan schriftelijk in kennis te stellen.”

Voorschriften parkeren woonfunctie

Deelauto‘s

Nader voorschrift 2:

“Bij ingebruikname van de woningen in het gebouw dienen minimaal 9 deelauto’s, zoals

voorzien in dit bouwplan, beschikbaar te zijn voor de bewoners. De 9 deelauto’s dienen minimaal 10 jaar, na ingebruikname van het gebouw voor de woonfunctie, beschikbaar te blijven voor de bewoners. Middels een daartoe gesloten contract met een provider van

deelauto’s wordt geborgd dat alle 9 deelauto’s vierentwintig uur per dag, 365 dagen per week beschikbaar zijn en blijven. Voorafgaand aan de aanvang van voornoemd gebruik dient vergunninghouder (dan wel diens rechtsopvolger) het college daarvan schriftelijk in kennis te stellen.”

Mobility as a Service (MaaS)

Nader voorschrift 3:

“Bij ingebruikname van het gebouw dient de aanwezigheid van ‘Mobility as a Service’ (MaaS), zoals voorzien in dit bouwplan, beschikbaar te zijn voor de bewoners. De aanwezigheid van de service MaaS blijft minimaal 10 jaar, na ingebruikname van het gebouw voor de woonfunctie, beschikbaar voor de bewoners. Middels een daartoe gesloten contract met een provider wordt geborgd dat alle aangeboden MaaS-modaliteiten vierentwintig uur per dag, 365 dagen per week beschikbaar zijn en blijven. Voorafgaand aan de aanvang van voornoemd gebruik dient vergunninghouder (dan wel diens rechtsopvolger) het college daarvan schriftelijk in kennis te stellen.”

26. Eisers blijven ten aanzien van het bestreden besluit II bij hun standpunt dat MaaS op bestaande vervoersmogelijkheden ziet waarvoor al een forse korting is toegepast op de parkeereis. MaaS is meer van hetzelfde. Zo maakt MaaS kennelijk gebruik van het OV, dat hier op loopafstand aanwezig is, maar daarvoor is al een korting van 40% toegepast. Dat dat hier opnieuw gebeurt ten aanzien van de niet-woonfuncties is dan uiteraard evenzeer onterecht.

Afgezien daarvan is het voor de niet-woonfunctie nog vreemder dat MaaS wordt gehanteerd als argument om nog meer te korten, want het is niet goed voorstelbaar dat bezoekers van een restaurant of klanten van een winkel hun vervoer zullen laten regelen door de exploitant van het complex waarin de winkel, het restaurant of een andere commerciële ruimte is gevestigd. Het valt dan ook niet in te zien hoe het opleggen van de verplichting aan de vergunninghouder om MaaS beschikbaar te houden voor bezoekers van winkels, restaurants en andere commerciële ruimten een oplossing biedt voor parkeerproblemen, want die bezoekers zullen met eigen vervoer komen.

Verder komen de voorwaarden dat MaaS en ook deelauto’s beschikbaar moeten worden gehouden weliswaar tot op zekere hoogte tegemoet aan hun bezwaren dat die beschikbaarheid niet verzekerd is, maar eisers vragen zich af hoe die voorwaarden in de praktijk kunnen worden gehandhaafd. Wordt er ook na de ingebruikneming van het gebouw op toegezien dat aan die verplichting wordt voldaan en wat is de consequentie wanneer op enig moment blijkt dat daaraan niet wordt voldaan. Nu dit volstrekt onduidelijk blijft kunnen eisers zich evenmin in dit herstelbesluit vinden.

27. Ter zake van de stelling van eisers dat MaaS meer van hetzelfde is verwijst de rechtbank kortheidshalve naar r.o. 21.3. Daarin heeft de rechtbank reeds overwogen dat MaaS - anders dan eisers stellen – extra mogelijkheden en faciliteiten biedt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder door middel van het nadere voorschrift 1 voor een periode van minimaal 10 jaar heeft geborgd dat deze 47 parkeerplaatsen ten behoeve van de niet woonfunctie binnen loopafstand beschikbaar zullen zijn. Gelet hierop wordt aan de beleidsregeling voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de nadere voorschriften van het bestreden besluit II handhaafbaar zijn. Verweerder kan, na voltooiing en (jaren na) aanvang van het project, controleren of er voldoende parkeerplaatsen in de omgeving aanwezig zijn, door bijvoorbeeld de overeenkomsten die daarop zien op te vragen. Eveneens is het eenvoudig te controleren of MaaS aan de klanten en werknemers van de niet-woonfuncties wordt aangeboden. Sowieso heeft het hotel inzicht in welke gasten van MaaS gebruik maken dan wel zullen gaan maken. Het gebruik van MaaS is ook toepasbaar bij een restaurant en andere horeca. Ook klanten kunnen (al dan niet tegen betaling van een vergoeding) van diverse vormen van vervoer gebruik maken. De rechtbank acht het daarbij absoluut niet ondenkbaar dat vergunninghoudster het aanbieden van MaaS met de betrokken ondernemers afdoende kan afstemmen en coördineren. Mocht op enig moment echter blijken dat MaaS onvoldoende beschikbaar wordt gesteld, dan zal verweerder (in beginsel) handhavend dienen op te treden door bijvoorbeeld aan vergunninghoudster dan wel haar rechtsopvolger een last onder dwangsom op te leggen.

28. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit II de in de r.o. 21.3 en 22 vastgestelde gebreken van het bestreden besluit ten aanzien van het (auto) parkeren in voldoende mate heeft hersteld. De beroepen tegen het bestreden besluit II zijn ongegrond.

Fiets (wonen en niet-wonen)

29. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de parkeereis fietsen bestaat uit 90 plaatsen ten behoeve van het hotel (224 kamers), 23 plaatsen ten behoeve van de winkels (854 m2), 130 plaatsen ten behoeve van restaurants (722 m2) en 610 stallingsplaatsen ten behoeve van de woningen. De totale parkeereis fietsen van 853 heeft verweerder verder nog uitgebreid met 46 stallingplekken voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten) als compensatie voor een toegepaste reductie op het aantal autoparkeerplaatsen. Daarnaast heeft verweerder berekend dat het project voorziet in 120 fietsparkeerplaatsen voor publieke functies en 610 fietsparkeerplaatsen voor de woningen, waardoor er 168 (bedoeld is 169) fietsplekken in de openbare ruimte beschikbaar moeten zijn.

30. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het aantal fietsparkeerplekken waarin wordt voorzien vele malen lager is dan de norm van de beleidsregeling. Bij de berekening van het aantal fietsparkeerplekken voor de woontoren is immers uitgegaan van 2 fietsen per appartement, terwijl uit tabel 4.2 van de beleidsregeling kan worden afgeleid dat de norm van 2 fietsen geldt voor woningen tot 40 m. De appartementen van de woontoren hebben een oppervlakte van tussen de 50 m2 en 212 m2, waarbij de norm van 3 fietsen voor woningen tot 65 m2, 4 fietsen voor woningen tot 85 m2 en 5 fietsen voor woningen groter dan 85 m2. Deze extra parkeerbehoefte zal volgens eiseres niet in de bij de appartementen behorende berging opgelost kunnen worden.

Eiseres merkt verder op dat het uitgangspunt van verweerder is dat 169 fietsparkeerplekken voor kort stallen in de openbare ruimte beschikbaar moeten zijn. In de directe omgeving van het postkantoor is, gezien de reeds hoge mate van commerciële activiteiten op de Meent en Coolsingel, nu al een te beperkt aanbod voor de vraag naar fietsparkeerplekken. In het bestreden besluit is niet aangegeven op welke locaties deze fietsplekken beschikbaar zijn, en verweerder gaat er dan ook ten onrechte van uit dat deze 169 fietsparkeerplekken in de openbare ruimte opgelost kunnen worden (zonder daarbij voor overlast te zorgen).

31. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn verweerschrift heeft benadrukt dat de beleidsregeling (ook) voor fietsparkeren onderscheid maakt tussen normen voor de woonfunctie en normen voor de niet-woonfunctie. Op grond van artikel 9 van de beleidsregeling geldt de parkeereis voor woonfuncties als bedoeld in tabel 4.3 van de beleidsregeling pas vanaf het moment dat geen voorschriften voor een (fiets)berging meer zijn opgenomen in de regeling die het Bouwbesluit 2012 opvolgt. Dit volgt ook uit het onderschrift bij tabel 4.3. Zolang de regels van het Bouwbesluit niet zijn vervallen worden de normen zoals bedoeld in tabel 4.3 voor woonfuncties niet toegepast. De beleidsregeling sorteert hier voor op de situatie dat het realiseren van voldoende stallingsruimte voor fietsen bij woningen op grond van het Bouwbesluit niet langer afdwingbaar zou zijn.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij het bestreden besluit heeft aangegeven voor de woonfunctie ten aanzien van het stallen van fietsen gebruik te hebben gemaakt van de gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.3 van het Bouwbesluit. In plaats van de eis uit het Bouwbesluit dat per woning wordt voorzien in een niet-gemeenschappelijke buitenberging van minimaal 5 m2 die vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar is, is op basis van gelijkwaardigheid ingestemd met een berging van minimaal 2,7 m2 in de woningen zelf in combinatie met een gemeenschappelijke inpandige fietsenstalling waarin minimaal twee fietsenstallingen per woning worden gerealiseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met inachtneming van de toepassing van de gelijkwaardigheidsbepaling uit het Bouwbesluit terecht de eis van twee fietsparkeerplaatsen per woning vastgesteld, hetgeen - uitgaande van 305 appartementen - resulteert in een fietsparkeereis van 610 stallingsplekken.

32. De rechtbank overweegt dat voor niet-woonfuncties geen met de regeling in het Bouwbesluit voor woonfuncties vergelijkbare eis geldt. De beleidsregeling schrijft in tabel 4.4 normen voor niet-woonfuncties voor. Deze normen zijn toegepast op de in het bouwplan aangevraagde functies op basis waarvan is bepaald dat in 243 fietsparkeerplaatsen voor publieke functies moet worden voorzien. Dit aantal is niet door eisers betwist.

33. Ter zake van de stelling van eiseres dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de 169 fietsparkeerplekken voor kort stallen van het Postkantoor zonder overlast in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, is in het verweerschrift aangegeven dat Fietskoers 2025 deel uitmaakt van het gemeentebrede mobiliteitsbeleid. In het kader van dit fietsbeleid worden - zo stelt verweerder - op dit moment vijf tot tien locaties onderzocht waar uitbreiding van fietsparkeercapaciteit plaats kan vinden. Eén van deze locaties is de locatie Coolsingel 75, waar de gemeente kijkt naar het huren van een ruimte voor de realisatie van ruim 350 fietsparkeerplaatsen. Deze locatie bevindt zich recht tegenover de projectlocatie. Volgens verweerder zouden de 169 fietsparkeerplekken daar gesitueerd kunnen worden.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij nog steeds de locatie Coolsingel 75 op het oog heeft. Naar de mening van verweerder is het voldoende geborgd dat de 169 fietsparkeerplekken er daadwerkelijk komen. Verweerder heeft daar immers zelf invloed op.

De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet dan wel onvoldoende met waarborgen is omkleed. In het licht van het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover verweerder hierin de meergenoemde fietsvoorziening van 169 fietsparkeerplekken niet door middel van een vergunningvoorschrift heeft geborgd, niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep van eisers tegen het bestreden besluit is gegrond, zodat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

De rechtbank ziet, nu niet aannemelijk is dat derden hierdoor worden benadeeld, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door een vergunningvoorschrift ten behoeve van het fietsparkeren aan de omgevingsvergunning voor de activiteit “Bouwen en handelen in strijd met het geldende planologische regime” te verbinden. Dit voorschrift komt als volgt te luiden.

“Het project mag niet in gebruik worden genomen voordat de fietsvoorziening voor 169 parkeerplaatsen is gerealiseerd in het pand Coolsingel 75 te Rotterdam dan wel op een locatie die niet verder van de projectlocatie afligt dan het voornoemde pand aan de Coolsingel.”

Conclusie

34. Gelet op hetgeen onder r.o. 24 is overwogen is het bestreden besluit, zowel voor wat betreft de beschikbaarheid van deelauto’s en het MaaS-abonnement voor minimaal 10 jaar als voor wat betreft de benodigde autoparkeerplaatsen voor niet-woonfuncties, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. Nu het bestreden besluit ter zake hiervan een gebrek bevatte dat, zo blijkt uit r.o. 28, eerst met het bestreden besluit II afdoende is hersteld, dient het beroep van eisers tegen het bestreden besluit gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal in zoverre het bestreden besluit vernietigen.

35. Gelet op hetgeen onder r.o. 33 is overwogen is het bestreden besluit ter zake van het fietsparkeren eveneens in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen. Ook in die zin is het beroep van eisers gegrond en dient het bestreden besluit in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank heeft op dat punt evenwel aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien door een vergunningvoorschrift ten behoeve van het fietsparkeren, zoals opgenomen onder r.o. 33 aan het bestreden besluit te verbinden. Daarbij bepaalt de rechtbank dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit op dit aspect is vernietigd.

36. De beroepen van eisers, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, zijn ongegrond.

37. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

38. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers 1 en 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor elk van deze eisers vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

39. Verweerder heeft in het bestreden besluit opgenomen dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is op het besluit. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is. Het project valt niet onder punt 3.1. van bijlage I van de Chw. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, ten derde, van de Wabo is niet toegepast voor de afwijking van het bestemmingsplan. Het project is ook niet opgenomen in bijlage II van de Chw of in een van de bijlagen bij het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op zowel de beschikbaarheid van deelauto’s als het MaaS-abonnement voor minimaal 10 jaar als voor wat betreft het benodigde aantal parkeerplaatsen voor niet-woonfuncties;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit tevens, voor zover dit ziet op het fietsparkeren;

  • -

    bepaalt dat aan het bestreden besluit het volgende voorschrift wordt toegevoegd;

  • -

    “Het project mag niet in gebruik worden genomen voordat de fietsvoorziening voor 169 parkeerplaatsen is gerealiseerd in het pand Coolsingel 75 te Rotterdam dan wel op een locatie die niet verder van de projectlocatie afligt dan het voornoemde pand aan de Coolsingel.”

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit ten aanzien van het fietsparkeren is vernietigd;

  • -

    verklaart de beroepen, voor zover deze gericht zijn tegen het bestreden besluit II, ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers 2 het betaalde griffierecht van € 345,- vergoedt;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers 1 en 3 het door hen betaalde griffierecht van ieder

  • -

    € 174,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 en 2 tot een bedrag van ieder € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. A.S. Flikweert en

mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Vermaat, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 2.1., eerste lid, aanhef en onder a, c en f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid,, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…)

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

Artikel 2.15 van de Wabo

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 6.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor)

1. Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet, worden als adviseurs aangewezen:

a. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op:

1° het slopen van een rijksmonument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende aard,

2° het ingrijpend wijzigen van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het rijksmonument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1°,

3° het reconstrueren van een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of

4° het geven van een nieuwe bestemming aan een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan;

Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen,

(…)

Artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor)

Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en onder 1, 3 en 4 van Bijlage II van het Bor

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (…);

(…)

3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m. en

b. de oppervlakte net meer dan 50 m2 ;

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

(…)

Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.