Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1392

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
C/10/588858 / JE RK 19-3911
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoekschrift inzake verlenging uithuisplaatsing (uhp);

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/588858 / JE RK 19-3911

datum uitspraak: 10 februari 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2009 te [geboorteplaats kind] ,

hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 24 december 2019, ingekomen bij de griffie op 31 december 2019.

Op 10 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. J.A. Smits,

- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster] .

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft in een pleeggezin.


Bij beschikking van 20 augustus 2019 is [naam kind] onder toezicht gesteld met ingang van
20 augustus 2019 tot 20 augustus 2020 en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 20 augustus 2019 tot 20 februari 2020.

Het verzoek en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] voor verblijf 24-uurs te verlengen voor de duur van zes maanden.

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.

De veiligheid van [naam kind] kan bij de moeder thuis onvoldoende worden gewaarborgd.

De moeder heeft een ambivalente houding ten opzichte van de hulpverlening. Zij stelt zich onvoldoende begeleidbaar op in gesprekken met de hulpverlening en de jeugdbescherming. De moeder erkent de zorgen niet. Zij geeft over de zorgen in de thuissituatie aan dat zij haar andere kinderen niet kan verbieden in de woning drugs te gebruiken. Tijdens het bespreken van de zorgen met de moeder, raakt zij boos en gefrustreerd en komt er geen fatsoenlijk gesprek van de grond. De vader moet de moeder dan kalmeren, waarna de moeder uiteindelijk uit het gesprek wegloopt.

De ouders hebben één keer per week anderhalf uur met [naam kind] een begeleid bezoek in de thuissituatie. De meest besproken zorg met de moeder is de lichamelijke verzorging van [naam kind] . De moeder onderwerpt [naam kind] aan een lichamelijk inspectie. Volgens de moeder worden de vlekken in de nek en hals van [naam kind] niet goed gescrubd. Voor de aanvang van een begeleid bezoekmoment heeft de moeder [naam kind] onder de douche gezet om de vlekken te verwijderen. Er is tevergeefs getracht hierover met de moeder in gesprek te gaan. Ook is de moeder het niet eens met de diagnose van de arts in het Sophia Kinderziekenhuis dat bij [naam kind] sprake is van eczeem. De moeder blijft vervolgens bij haar standpunt dat [naam kind] in het pleeggezin niet goed wordt verzorgd. Ook wordt tijdens de bezoeken waargenomen dat de ouders moeite hebben om de bezoeken met [naam kind] zelfstandig in te vullen. Daarin hebben zij aansturing nodig. Daarom zal opvoedondersteuning tijdens deze bezoeken worden ingezet om te bezien of de ouders kunnen aansluiten bij [naam kind] .

Ook de samenwerking tussen de ouders en de pleegouders verloopt zorgelijk. Zo communiceren de ouders niet met de pleegouders en hebben zij de pleegouders nooit gevraagd hoe het met [naam kind] in het pleeggezin gaat. Dit is met de moeder door de pleegzorgwerker besproken. De vader heeft in de samenwerking met de pleegouders wel een positieve vooruitgang gemaakt. Hij doet een korte overdracht aan de deur bij de pleegouders als [naam kind] weer wordt teruggebracht.

Momenteel gaat het erg goed met [naam kind] in het pleeggezin. Zij heeft meer rust, voelt zich goed, heeft het naar haar zin, heeft vriendjes en vriendinnetjes in de omgeving en op school. Ook is [naam kind] dertien kilo afgevallen, waar zij erg trots op is. Er zijn wel enige zorgen over haar gedrag. Daarom zal worden bezien of [naam kind] behandeling, begeleiding en therapie nodig heeft. Het is echter wel van belang dat de moeder hiervoor toestemming zal geven. De oorzaak van het gedrag van [naam kind] moet immers duidelijk worden.

Per 1 maart 2020 stopt het huidige pleeggezin met het pleegouderschap. Voor [naam kind] is een geschikt pleeggezin gevonden per die datum. De andere pleegkinderen in dit nieuwe pleeggezin gaan naar dezelfde school als [naam kind] .

Het standpunt van de belanghebbende

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. Subsidiair is verzocht om de duur van de machtiging uithuisplaatsing te beperken tot één maand. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

Er is sprake geweest was van een zorgelijke situatie rond het overlijden van het nichtje. Op dat moment was de moeder in het buitenland. Wel heeft zij er toen voor gezorgd dat de vader de zorg voor [naam kind] van haar overnam. Er is onderzoek geweest naar het overlijden van het nichtje. Daar zijn geen mensen voor aangehouden. Wiegendood is goed mogelijk, maar dat staat niet in het dossier vermeld. Er zouden zorgen zijn over seksuele uitingen van [naam kind] en handelingen. Ook dat is onderzocht, maar heeft niets zorgwekkends opgeleverd. De vondst van de softdrugs in mei heeft te maken gehad met de andere zoon van de moeder na het overlijden van het nichtje. Het verzoek is gebaseerd op vermoedens die niet zijn bevestigd. Er zijn geen zorgsignalen van school of een arts dat het niet goed met [naam kind] gaat. Het is opmerkelijk dat de eerdere ondertoezichtstelling in 2018 is opgeheven. Men vond toen dat het allemaal goed ging. Vanwege de omstandigheden rond het overleden nichtje is [naam kind] uit huis geplaatst. Sindsdien verloopt de samenwerking met de jeugdbescherming stroef. De moeder vindt dat [naam kind] ten onrechte en zonder reden uit huis is geplaatst. Zij staat wel open voor hulp. Volgens de moeder worden zaken uit de context getrokken. Ook heeft zij een andere lezing van de zorgen. De moeder heeft het gevoel dat zij in haar verhaal niet wordt geloofd. Zij ervaart dan gevoelens van paniek en vraagt zich af op welke wijze zij [naam kind] terug kan krijgen. Bij een uithuisplaatsing van een kind bestaat er een bepaalde ongelijkheid. Dit alles maakt de situatie en de samenwerking erg lastig en is deze op een nare wijze gestart. De hygiëne in het pleeggezin laat volgens de moeder te wensen over. De bezoeken met [naam kind] verlopen goed. Het is opmerkelijk dat [naam kind] makkelijk naar een andere pleeggezin wordt overgeplaatst terwijl er voldoende mogelijkheden thuis zijn. Er kan worden gewerkt naar een thuisplaatsing van [naam kind] nu de bezoeken worden opgebouwd. [naam kind] is niet gebaat bij een overplaatsing naar een ander pleeggezin. Daarom moet hulp bij de moeder worden ingezet zodat [naam kind] op 1 maart 2020 bij haar kan worden teruggeplaatst. Wellicht is ook een plaatsing van [naam kind] bij haar vader een optie.

In aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij foto’s heeft om aan te tonen dat er geen sprake is van eczeem, maar van een vuile huid bij [naam kind] .

De vader is in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt over het verzoek kenbaar te maken.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de vereisten wordt voldaan en overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] in een zorgelijke opvoedomgeving bij haar moeder is opgegroeid. Bij beschikking van 20 augustus 2019 heeft de kinderrechter in het kader van een ondertoezichtstelling een machtiging uithuisplaatsing van [naam kind] verleend naar aanleiding van de jarenlange zorgen over onveiligheid en instabiliteit in de opvoedomgeving bij de moeder. Zo waren er zorgen over de aangetroffen drugsresten in de vervuilde woning van de moeder en de telkens herhaalde vermoedens van prostitutie. Ook heeft de kinderrechter in genoemde beschikking vanwege de herhaaldelijk ambivalente opstelling van de moeder tijdens eerdere hulpverleningstrajecten, de hoop uitgesproken dat de ouders in het belang van [naam kind] erin zullen slagen om meer openheid te geven en de samenwerking met een jeugdbeschermer daadwerkelijk aan zullen gaan. Om haar moverende redenen blijft de moeder de zorgen in de opvoedomgeving echter bestrijden en is zij niet in staat om een positieve samenwerkingsrelatie met de jeugdbescherming, hulpverlening en de pleegouders tot stand te brengen. Als gevolg hiervan is nog steeds niet duidelijk of (één van) de ouders al dan niet in staat zijn om [naam kind] een voldoende veilige en verantwoorde opvoedomgeving te bieden. Daar komt ook bij dat er nog steeds zorgen zijn over het gedrag van [naam kind] . Zo heeft zij over bepaalde gebeurtenissen onwaarheden verteld, kleding van de pleegouders verknipt, op de muur met pennen/stiften gekrast, opzettelijk overgeven door een vinger in haar keel te stoppen om aandacht te krijgen en in haar broek geplast, waarna zij de urine opveegt met kleding van de pleegmoeder. Ook heeft [naam kind] last van eczeem. De moeder bestrijdt echter de diagnose van de kinderarts en heeft ter zitting verzocht om foto’s van het lichaam van [naam kind] te bekijken. De kinderrechter ziet daar echter geen aanleiding voor nu zij niet medisch is onderlegd en om die reden op de foto’s niet kan vaststellen wat de aandoening van [naam kind] is.

Ook zijn er nog steeds zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder. Volgens de Lelie Zorggroep lijkt er bij haar sprake te zijn van een patroon waarbij zij door haar persoonlijke problematiek in beslag wordt genomen. Zij heeft nog steeds psychische en slaapproblemen, hyperventilatie en onverwerkte rouw en heeft moeite om bij [naam kind] aan te sluiten. Vanwege de complexe en langdurige zorgen is een terugplaatsing van [naam kind] bij (één van) de ouders nog niet in haar belang nu haar ontwikkeling en veiligheid nog niet kan worden gewaarborgd.

Gelet op al het vorenstaande is het in het belang van de ontwikkeling en veiligheid van [naam kind] om haar plaatsing in een pleeggezin voort te zetten. Het is de komende periode in het belang van [naam kind] dat met name de moeder openheid van zaken zal geven en de samenwerking met de hulpverlening en de jeugdbescherming zal aangaan zodat duidelijk zal worden of de opvoedsituatie voor [naam kind] veilig en verantwoord is. Ook is het van belang dat de oorzaak van het gedrag van [naam kind] duidelijk zal worden, waarna zonodig behandeling, begeleiding en therapie zal moeten worden ingezet.

Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg tot 20 augustus 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020 door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.