Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13334

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
10/250058-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorhanden hebben meerdere (nep) vuurwapen. Onvoldoende bewijs dat verdachte beschikkingsmacht had over wapens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/250058-19

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres,

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G. Özveren, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Boekhoud heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Vrijspraak

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte wapens, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie, voor handen heeft gehad. In oktober 2019 ging op internet een bedreigend filmpje van het facebookaccount ‘ [naam facebookaccount] ’ rond waarop een persoon met meerdere vuurwapens te zien was. De beelden van dit filmpje zijn op telefoon van de verdachte aangetroffen. Daarbij komt dat op de telefoon van de verdachte het facebookaccount met de schermnaam “ [naam facebookaccount] ’ ingelogd was. Het filmpje is op 18 september 2019 om 19.25 uur met de telefoon van de verdachte gemaakt. Gezien de tijd, locatie en bewegingen van de telefoon die avond is dit gebeurd in aanwezigheid van de verdachte. De vuurwapens die op het filmpje te zien zijn lijken op echte vuurwapens. Daarnaast reageert de verdachte in een chatbericht met zijn moeder niet afwijzend op haar vraag wat hij met wapens moet. Ook toont de verdachte een foto van een vuurwapen via snapchat aan de getuige [naam getuige] .

4.2.2.

Beoordeling

Aan de verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 18 september 2019 tot en met 16 oktober 2019 een of meerdere (nep)wapens voorhanden heeft gehad.

Is de verdachte de persoon in het filmpje?

Op de telefoon van verdachte zijn een filmpje en foto’s aangetroffen waarop een persoon te zien is met een op een Uzi-lijkend vuurwapen in zijn handen. Het hoofd van de persoon die het vuurwapen vasthoudt, is niet in beeld gebracht. De getuige [naam getuige] aan wie voormeld filmpje is getoond, heeft verklaard dat zij de verdachte in het filmpje herkent aan zijn armen en t-shirt. Deze verklaring heeft zij later afgezwakt. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het dossier niet is vast te stellen dat de verdachte de persoon is die op het filmpje en de foto’s een vuurwapen vasthoudt. De enkele verklaring van de getuige [naam getuige] - ander bewijs ontbreekt - is hiervoor onvoldoende, nu deze herkenning onvoldoende onderscheidende kenmerken aangeeft en later door de getuige niet is gehandhaafd.

Is er sprake van ‘voorhanden hebben’?

Op basis van de chatgesprekken die op de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk een (nep)vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het filmpje, waarop een op een Uzi-lijkend vuurwapen en drie andere voorwerpen die op wapens gelijken te zien zijn, op 18 september 2019 met de telefoon van de verdachte is gemaakt. Dit maakt dat de telefoon van de verdachte in de directe nabijheid van deze vuurwapens moet zijn geweest. De verdachte heeft echter ontkend dat hij het filmpje heeft gemaakt. Hij stelt dat hij zijn telefoon wel eens heeft uitgeleend en dat het fimpje door een ander moet zijn gemaakt. Gelet op de eerdere verklaring van de verdachte dat hij er altijd bij staat als andere mensen gebruik maken van zijn telefoon en het gegeven dat een telefoon snel vergrendelt en voor de ontgrendeling van de telefoon een pincode dan wel een gezichtsscan nodig is, vindt de rechtbank het op zich onaannemelijk dat het filmpje met de telefoon van de verdachte door een ander buiten zijn aanwezigheid is gemaakt. Dit maakt dat de rechtbank het voldoende aannemelijk vindt dat de verdachte in ieder geval bij het maken van het fimpje aanwezig moet zijn geweest en daarmee ook in de nabijheid is geweest van een - tenminste -op een Uzi-lijkend vuurwapen en drie andere voorwerpen die op wapens lijken.

Vervolgens staat de rechtbank echter voor de vraag of de aanwezigheid van de verdachte in de directe nabijheid van voormelde vuurwapens voldoende is om te mogen te spreken van ‘voorhanden hebben’ in de zin van artikel 13 en 26 van de Wet wapens en munitie. Voor het ‘voorhanden hebben’ in de zin van deze wet is naast de aanwezigheid van de verdachte bij of in de directe omgeving van het wapen immers ook vereist dat er sprake is van de bewustheid van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van dat wapen en van voldoende beschikkingsmacht van de verdachte daarover. Er blijken echter onvoldoende feiten en omstandigheden uit het dossier en de verklaringen ter zitting op basis waarvan afgeleid kan worden waar en onder welke omstandigheden het filmpje is gemaakt. Hierdoor blijft onduidelijk of er bij de verdachte ook sprake was van de voor het ‘voorhanden hebben’ vereisten van bewustheid en beschikkingsmacht ten opzichte van de wapens. Niet bewezen is dan ook dat er sprake is van ‘voorhanden hebben’ van wapens, zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie.

4.2.3.

Conclusie

Het subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en J.S. van den Berge, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.V. Wagener, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 18 september 2019 tot en met 16

oktober 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 2º, danwel

Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie,

te weten een (machine)pistool van het model Uzi,

en/of

- een (of meer) wapen(s)als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º

van de Wet wapens en munitie, te weten drie, althans een of meer,

vuurwapen(s) in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm

van (een) pisto(o)l(en), en/of

- munite in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten een hoeveelheid kogelpatronen,

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

dat hij

in of omstreeks de periode van 18 september 2019 tot en met 16 oktober

2019 te Rotterdam, althans in Nederland,

een (of meer) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º

van de Wet wapens en munitie gelet op gelet op 3, onder a van de

Regeling wapens en munitie, te weten

(een) door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp(en) dat/die

zodanig op (een) wapen(s) gelijkt/gelijken dat het/die voor

bedreiging of afdreiging geschikt is/zijn, namelijk (een) nabootsing(en)

van (een of meer) pisto(o)l(en) en een (machine)pistool,

welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis

vertoont/vertonen met

onder andere een vuurwapen van het merk Uzi;

voorhanden heeft gehad;

( art 13 lid 1 Wet wapens en munitie )