Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13214

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
8847887 VZ VERZ 20-18870
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst na LEO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8847887 VZ VERZ 20-18870

datum: 16 december 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.A. van Huussen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Es.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 december 2020 plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven. Namens [verzoekster] hebben aan de mondelinge behandeling deelgenomen [naam persoon 1] en [naam persoon 2] , in hun hoedanigheid van indirect zelfstandig bevoegd bestuurder, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] was in persoon aanwezig, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door de gemachtigde. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de datum voor deze uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verweerder] is sinds 18 april 2016 bij [verzoekster] in dienst waar hij werkzaam is in de functie accountmanager. Het salaris bedraagt € 4.929,51 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

3. Het verzoek

3.1

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Aan dit verzoek legt [verzoekster] - samengevat en voor zover van belang - ten grondslag dat er sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren en dat herplaatsing binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is. [verzoekster] benadrukt dat de ontstane situatie niet aan [verweerder] verweten kan worden. Het verzoek houdt volgens [verzoekster] geen verband met het bestaan van een opzegverbod. [verzoekster] is bereid om in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan [verweerder] een vergoeding van € 25.000,00 bruto te voldoen, waarin de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW is begrepen. [verzoekster] is bereid dit bedrag te voldoen uiterlijk op 1 maart 2021. [verzoekster] verzoekt een langere opzegtermijn aan te houden en de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 maart 2021.

4. Het verweer

4.1

[verweerder] erkent hetgeen [verzoekster] aan haar verzoek ten grondslag legt en refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden verzoekt [verweerder] hem de door [verzoekster] aangeboden beëindigingsvergoeding van € 25.000,- bruto toe te kennen en de ontbinding uit te spreken per 1 maart 2021.

5. De beoordeling

5.1

Uit artikel 7:669 lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a, BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Gelet op artikel 7:669 lid 3, onder g, BW kan een verstoorde arbeidsverhouding een redelijke grond opleveren om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

5.2

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Mede op basis van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord is dat van [verzoekster] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarmee is een redelijke grond voor ontbinding gegeven. Gebleken is dat herplaatsing van [verweerder] niet mogelijk is binnen een redelijke termijn. Niet gebleken is dat terzake de ontstane situatie één van partijen een verwijt te maken valt. Het verzoek houdt geen verband met omstandigheden waarop een opzegverbod betrekking heeft.

5.3

Gezien het voorgaande zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Conform de wens van partijen zal de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2021 worden ontbonden.

5.4

[verweerder] heeft aanspraak op de wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Conform de wens van partijen wordt aan [verweerder] de overeengekomen beëindigingsvergoeding toegekend van € 25.000,- waarin het bedrag van de transitievergoeding is begrepen. Aangezien partijen het eens zijn over de toe te kennen vergoeding behoeft geen toepassing te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 7:686a lid 6 van het Burgerlijk Wetboek.

5.5

Ten aanzien van de proceskosten wordt beslist op de wijze als hieronder vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter,

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2021;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding van € 25.000,- bruto en bepaalt dat [verzoekster] deze vergoeding uiterlijk op 1 maart 2021 zal voldoen;

bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;

wijst af het méér of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650