Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13185

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
10/259428-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

De verklaring van de verdachte is niet aannemelijk geworden, noch voldoende concreet en verifieerbaar en daarom veroordeeld voor witwassen. Vanwege ouderdom van het feit is een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/259428-19

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 26 november 2020.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. C.G. van de Grampel,

officier van justitie mr. M. Wille,

griffier C.A. van den Houwen.

De zaak tegen na te noemen verdachte (hierna: verdachte) wordt uitgeroepen.

De verdachte, genaamd

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

is niet verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is aanwezig mr. F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam.

De raadsman verklaart door de niet verschenen verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd hem op de terechtzitting te verdedigen. De politierechter deelt mede daarmee in te stemmen.

De zaak wordt gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [naam medeverdachte] (10-259429-19). Dit proces-verbaal geeft slechts weer hetgeen in de strafzaak tegen de verdachte is voorgevallen.

Omdat een andere politierechter zitting houdt, wordt het onderzoek opnieuw aangevangen.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De officier van justitie legt een lijst over met op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de politierechter te nemen beslissing.

De officier van justitie houdt het requisitoir. Zij vordert dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.

De raadsvrouw voert naast de overgelegde pleitnotities het volgende aan:

Ad 12. Ik hoor de officier van justitie zeggen dat hij nadenkt over consequenties en dat dat blijkt uit zijn schriftelijke verklaring.

Ad 19. Dat ligt nog meer genuanceerd. Het gaat om [naam bedrijf 1] , dat is helaas niet verder onderzocht.

Ad 29. Er is geen onderzoek naar [naam bedrijf 1] gedaan.

Ad 32. Het verbaast mij dat de officier direct een gevangenisstraf vordert. Ik wil u meegeven om een taakstraf op te leggen.

De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mede:

Ik verzet mij tegen aanhouding. Er is voldoende onderzoek gedaan, wat valt er nog meer te verifiëren? Ik hoor de medeverdachte hier ter zitting zeggen dat er geen vergoeding was voor de stage. Ik lees dat [naam restaurant] dicht is. Wat valt er dan nog te onderzoeken?

De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld te dupliceren en deelt mede:

Wij gaan uit van in- en verkoop van de voertuigen. Dat zou het aangetroffen bedrag al dekken. Ten aanzien van het restaurant [naam restaurant] zou het OM makkelijker onderzoek kunnen doen, juist omdat het gesloten is.

De politierechter beslist als volgt.

De politierechter wijst af het verzoek tot aanhouding.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

1. Inhoud van de tenlastelegging

Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegde dat

hij op of omstreeks 27 maart 2018, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag (te weten ongeveer 6800,- euro), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld

en/of

(een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (te weten in totaal 6800,- euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) (te weten in totaal 6800,- euro) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten weten, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit het misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )

2. Waardering van het bewijs

2.1.

Bewijswaardering

2.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Hiervoor heeft hij een verklaring afgelegd. De verdachte dient te worden vrijgesproken.

2.1.2.

Beoordeling

Toetsingskader

De verdachte wordt verweten dat hij een geldbedrag van bijna 7.000 euro heeft witgewassen. De politierechter dient vast te stellen of de feiten en omstandigheden zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als de verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Tijdens een vlucht van Rome naar Rotterdam op 27 maart 2018 vallen de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] op bij de purser van de vlucht. Deze heeft een grote som geld gezien in een tas die de verdachte als handbagage bij zich had. De verdachte bestelde eten en drinken en rekende af met briefjes van 50 euro die hij uit zijn zwarte rugtas haalde.

De purser heeft meerdere stapels briefgeld in de zwarte rugtas van [naam verdachte] zien liggen. Verder constateerde hij dat de verdachte meerdere "taxfree-artikelen" had gekocht, die hij ook met contant geld heeft afgerekend. Op de luchthaven heeft de Koninklijke Marechaussee de verdachte vervolgens aangesproken.

De verdachte heeft toen niet kunnen aangeven hoeveel geld hij bij zich had. Op de vraag van verbalisant of de verdachte zijn contante geld wilde laten zien pakte de verdachte in eerste instantie alleen uit zijn jas en zijn broekzak stapels briefjes van 50 euro.

Pas nadat de verbalisant had gevraagd of dat het enige contante geld was dat de verdachte bij

zich had heeft hij ook nog een aantal stapeltjes van 50 euro uit zijn rugzak gepakt. De bankbiljetten waren met een paperclip gebundeld tot stapeltjes van 1.000 euro. In totaal hadden de verdachte en [naam medeverdachte] een bedrag van 12.225 euro aan contant geld bij zich, waarvan een bedrag van € 6.810,- nagenoeg geheel in coupures van 50 eurobiljetten bij de verdachte is aangetroffen.

Gevraagd naar de herkomst van het geld heeft de verdachte eerst verklaard dat al het bij de medeverdachte en hem geld aangetroffen geld van hem afkomstig was. Hij had dit geld voor een weekendtrip naar Italië via zijn bankpas opgenomen omdat [naam medeverdachte] geen geld had en omdat zijn eigen creditcard geblokkeerd was. [naam medeverdachte] verklaart echter dat (meer dan) het op he aangetroffen geld van hemzelf was.

Nadat onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte liet zien dat in de periode voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte geen contante geldopnames hadden plaatsgevonden, noch geld was opgenomen in Italië of anderszins transacties in het buitenland waren verricht heeft hij zijn verklaring bijgesteld.

Als tweede verklaring heeft de verdachte verteld dat hij het contante geld had meegenomen om in Rome een auto te kunnen huren, waarvoor een aanzienlijk borg contant zou moeten worden afgerekend. Na het terugbrengen van de auto heeft hij die borg ook weer contant terug gekregen. Echter, hoe hoog de borg was geweest kon de verdachte niet vertellen, noch beschikte hij over een huurovereenkomst of betalingsbewijs voor het huren van de auto zelf.

Toen de bankgegevens van de verdachte ook deze verklaring van de verdachte niet konden ondersteunen, heeft de verdachte wederom zijn verklaring voor de herkomst van het contante geld bijgesteld. In zijn derde versie deelde de verdachte mede dat het geld aan hem door zijn vermogende familie zou zijn overgemaakt via Western Union Bank. Ook hiervoor is echter geen ondersteuning in het dossier gevonden.

De verdachte beschikte slechts over een kleine studiefinanciering en op de peildatum 31122017 was het saldo op zijn rekening met rekeningnummer: [bankrekeningnummer] € 84,00 negatief.

De politierechter constateert dat de verdachte steeds wisselende verklaringen heeft gegeven voor het aangetroffen geld en er geen legale economische verklaring is gevonden voor de aangetroffen contante gelden. Het feit dat de verdachte naar zijn zeggen gedronken had toen hij zijn verklaringen aflegde doet op zich niet af aan het gebrek aan (het gebrek aan) waarheidsgehalte van die verklaringen, zeker nu hij die nadien niet heeft verduidelijkt en er pas ter zitting, drie jaar later, een nieuwe reactie is gevolgd.

De hoeveelheid bij de verdachte aangetroffen contant geld staat al in geen verhouding tot de inkomsten van de verdachte, noch is gebleken van contante opnames van dergelijke bedragen door hem. Het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen is sowieso al hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd, maar nog ongebruikelijker is dat wanneer men op de terugweg is van een weekendtripje naar Rome, waar al het nodige geld moet zijn gespendeerd.
Nu ook overigens niet is gebleken van de noodzaak van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant is politierechter van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat inbeslaggenomen geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het contante geld.

De verklaring van de verdachte

Voorafgaand aan de zitting heeft de verdachte geschreven dat hij in de ten laste gelegde

periode drie bronnen van contante inkomsten van in totaal € 5.650 heeft gehad:

1. De in- en verkoop van scooters/auto's/motoren

De verdachte heeft een krediet van € 5.000,- bij Scooterflex (Santander Consumer Finance) afgesloten; hiermee zou hij voertuigen hebben aangeschaft en weer hebben doorverkocht en een deel van het krediet contant hebben ontvangen.

Uit de verklaring van Scooterflex volgt echter dat niet contant wordt uitgekeerd; men maakt het verschuldigde bedrag direct over naar de verkoper van het goed, waarvoor de verdachte het krediet heeft afgesloten.

Daar waar de verdachte stelt de aangeschafte goederen voor contanten te hebben doorverkocht heeft dit echter niet kunnen blijken uit de tenaamstelling van de voertuigen, noch uit de facturen die op de verkopen betrekking hebben gehad.

Ook het doorverkopen van onderdelen van een motor tegen contanten is in het geheel niet onderbouwd.

2) Bijverdiensten bij [naam bedrijf 2] in het kader van zijn stage

De verdachte heeft aangegeven dat hij bij [naam bedrijf 2] af en toe meedeelde in de contante

opbrengsten. Ook hier ontbreekt iedere onderbouwing. Niet alleen is de hoogte van het gemoeide bedrag de verdachte niet bekend maar ook is in de stageovereenkomst een dergelijke regeling niet opgenomen.

3) Bijverdiensten in restaurant [naam restaurant]

Ook van deze werkzaamheden in Restaurant [naam restaurant] . Heeft de verdachte geen enkele onderbouwing kunnen leveren. Omdat het restaurant niet langer bestaat is dit ook niet meer na te gaan.

conclusie

De verklaring van de verdachte is dan ook niet aannemelijk geworden, noch voldoende concreet en verifieerbaar.

De politierechter is van oordeel dat, nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan ook op de hoogte is geweest.

Het ten laste gelegde kan worden bewezen.

3. Bewijsmiddelen en voor bewijs redengevende feiten en omstandigheden

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

1.

Het proces-verbaal van bevindingen , pagina’s 1 t/m 5, van Koninklijke Marechaussee District West Brigade Zuid-Holland, Mutatienr: [proces-verbaalnummer] , inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] of één van hen:

Naam: [naam verdachte] ,

Voornamen: [voornamen verdachte]

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte]

Op 27 maart 2019 kreeg ik een melding van de dienstdoende Duty Manager Security van Rotterdam The Hague Airport (DMS), dat er op de vlucht inkomende uit Rome

twee betrokkenen zaten die een grote som aan contant geld bij zich hadden. De purser, genaamd [naam purser] zei mij hoe hij had gezien dat er een grote som contant geld in de tas van [naam verdachte] zat en dat hij eten en drinken bestelde en afrekende met briefjes van 50 euro, waardoor [naam verdachte] opviel.

Ik sprak [naam verdachte] aan en hij verklaarde mij desgevraagd dat hij een grote som contant geld bij zich had en hij haalde briefjes van 50,- euro uit zijn jas en broekzak legde dit op tafel. Hij wist niet precies hoeveel het was en ook niet wat precies van hem was, omdat hij het geld deelde met [naam medeverdachte] . Voorts zagen wij dat [naam verdachte] , zijn zwarte rugtas van het merk The North Face open deed en hier nog een aantal stapeltjes contant geld van 50,- euro biljetten uit kwamen. Sommige stapeltjes van

50,00 euro zaten met een paperclip aan elkaar vast en elk stapeltje had een totaalbedrag van 1000,00 euro. Wij telden het voornoemde contante geld, in aanwezigheid van beide mannen, en kwamen hierbij uit bij een totaalbedrag van 12.225,00 euro, waarvan 6.800,00 euro onder [naam verdachte] in beslag is genomen.

2.

Een ander geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 35 t/m 37 in het proces-verbaal van Koninklijke Marechaussee District West Brigade Zuid-Holland, Mutatienr: [proces-verbaalnummer] , inhoudende:

[Afbeelding proces-vebaal]

4. Bewezenverklaring

Hiervoor heeft de politierechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 27 maart 2018, te Rotterdam een geldbedrag (te weten ongeveer 6800,- euro) heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist, dat dat geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit het misdrijf;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een bedrag van bijna zevenduizend euro witgewassen. Dat neemt de politierechter de verdachte kwalijk. Witwassen tast de integriteit van het financieel en het economisch verkeer aan en ondermijnt de legale economie. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2019 en de ouderdom van de zaak zal in plaats daarvan echter worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur. Dit dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de politierechter de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 6.800,00 verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.

8.3.

Beoordeling

Nu het bewezenverklaarde feit is begaan met het in beslag genomen geldbedrag zal dit bedrag van € 6.800,00 verbeurd worden verklaard.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De politierechter:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

-
verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1: een geldbedrag van € 6.800,00.

De politierechter geeft aan de verdachte kennis dat deze binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt de verdachte opmerkzaam op het recht om op de terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld door de politierechter en de griffier en ondertekend door de griffier. De politierechter is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen.