Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13184

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
7800174 CV EXPL 19-23664
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet vaststaat dat het overwerk verplicht voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, zodat bij de vaststelling van het vakantieloon de vergoeding voor overuren niet meegerekend hoeft te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7800174 CV EXPL 19-23664

uitspraak: 27 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] , gemeente [gemeente A] ,

eiser,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. L.R.T. Peeters te Dordrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAMMOET NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

eiseres in verzet,

gemachtigde: mr. H.B. de Hek te Den Haag.

Partijen worden hierna “ [persoon A] ” en “Mammoet” genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Bij tussenvonnis d.d. 31 december 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de kantonrechter [persoon A] toegelaten tot het leveren van bewijs.

1.2

Bij akte, ingediend ter rolzitting d.d. 5 februari 2019, heeft [persoon A] zich uitgelaten over het aan hem opgedragen bewijs. Door [persoon A] zijn bij voornoemde akte producties, genummerd als 7 t/m 10, overgelegd en is tevens opgave van door hem voor te brengen getuigen gedaan.

1.3

Bij tussenvonnis d.d. 5 februari 2020 is een getuigenverhoor gepland op 22 april 2020 (zij het dat in het vonnis abusievelijk is vermeld dat het om een mondelinge behandeling ging).

1.4

In verband met de coronacrisis heeft het voornoemde getuigenverhoor geen doorgang gevonden en zijn partijen door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de verdere voortgang van de procedure.

1.5

Bij akte, binnengekomen ter griffie op 20 april 2020, heeft [persoon A] aangegeven af te zien van het getuigenverhoor en zijn door hem als aanvullend bewijs producties, genummerd als 10 t/m 13, overgelegd. Vervolgens heeft [persoon A] bij aanvullende akte, binnengekomen ter griffie op 29 april 2020, productie 14 overgelegd. Door Mammoet is bij akte, ingediend ter rolzitting d.d. 29 april 2020, naar voren gebracht dat zij van mening is dat aan haar een termijn dient te worden gegund om op de door [persoon A] overgelegde producties te kunnen reageren.

1.6

Ter rolzitting d.d. 27 mei 2020 heeft Mammoet een antwoordakte bewijsopdracht met producties ingediend. Daarop heeft [persoon A] ter rolzitting d.d. 24 juni 2020 bij akte uitlaten antwoordakte gereageerd.

1.7

De uitspraak van deze beschikking is door de kantonrechter vervolgens nader op heden bepaald.

2. De verdere stellingen van partijen

2.1

[persoon A] heeft ter voldoening aan het door de kantonrechter bij tussenvonnis d.d. 31 december 2019 opgedragen bewijs diverse producties overgelegd. Ter toelichting daarop, alsmede in reactie op de door Mammoet nadien genomen akte d.d. 27 mei 2020, heeft [persoon A] voorts nog het volgende naar voren gebracht.

2.2

In het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 maart 1998, NJ1998/527 is geoordeeld dat overwerk alleen maar betaald hoeft te worden als dit is opgedragen of als de werkgever daarmee heeft ingestemd, kortom verplicht is verricht. Nu de overuren in het onderhavige geval feitelijk zijn betaald, staat daarmee volgens [persoon A] vast dat het overwerk “verplicht” is verricht. Verwezen wordt daarnaast door [persoon A] naar een recent door de kantonrechter Groningen gewezen vonnis d.d. 21 april 2020 betreffende dezelfde materie. Geoordeeld is in voornoemd vonnis dat uit de overgelegde overzichten van gewerkte en door de werkgever betaalde overuren genoegzaam het gestelde structurele en regelmatige karakter van de overuren zoals die voortvloeien en samenhangen met de door werknemer in dienst van de werkgever verrichte werkzaamheden als kraanmachinist volgt. En dat de vraag, inhoudende of de werkgever de werknemer tot het uitvoeren van die overuren verplichtte, in het midden kan blijven nu die overuren kennelijk inherent waren aan de hem opgedragen functie.

2.3

[persoon A] verwijst daarnaast, onder overlegging van de relevante pagina’s daarvan, naar het Personeelshandboek van Mammoet als geldend per 1 januari 2013, respectievelijk

1 januari 2015 en 1 januari 2019 en meer specifiek naar hetgeen daarin ten aanzien van de werkinstructies en de vergoeding van overuren staat vermeld. Hieruit vloeit eveneens de verplichting tot overwerk voort. Over overuren wordt nooit gediscussieerd. Er wordt vanuit gegaan dat de kraanmachinist die maakt. De verplichting om overwerk te verrichten is een staande opdracht. [persoon A] verwijst ter verduidelijking naar een door hem overgelegde print screen van de tablet van een collega. Hieruit volgt de wijze waarop door de planning van Mammoet, zonder contact vooraf, opdracht wordt gegeven om op een bepaalde locatie te komen werken waarbij wordt aangegeven van hoe laat tot hoe laat gewerkt moet worden. Bij deze werktijd dient nog te worden opgeteld de extra werktijd in verband met het transport en het opstellen en het afbreken van de kraan. Het Personeelsboek schrijft aan de werknemer voor dat zij niet van de planning mogen afwijken zonder voorafgaande toestemming van de planning.

2.4

[persoon A] heeft daarnaast een viertal schriftelijke verklaringen overgelegd, afgelegd door hem zelf alsmede door zijn collega’s [naam collega 1] (hierna: [naam collega 1] ), [naam collega 2] (hierna: [naam collega 2] ) en [naam collega 3] (hierna: [naam collega 3] ). Hieruit volgt de werkwijze binnen Mammoet en de gang van zaken ten aanzien van overuren.

2.5

Mammoet hanteert een te beperkte uitleg van het woord “verplicht”. Volgens [persoon A] dient te worden uitgegaan van de in de Van Dale opgenomen uitleg van het woord “plicht”, te weten “datgene waarvan je voelt dat je het moet doen” en “dat wat van iemand geëist wordt door het gezag”. Ook de kantonrechter Eindhoven heeft het woord “verplicht” in deze zin uitgelegd in zijn uitspraak van 16 april 2020 (ECLI:NL:RBOBR:2020:2249).

2.6

Het is weliswaar mogelijk om vooraf voorkeuren op te geven aan Mammoet, doch dit moet tijdig vooraf gebeuren en zelfs als dat gebeurt, kan de planning daarmee niet altijd rekening houden. Het is de ervaring van de werknemers dat er, vaak door slechte communicatie, om 16.00 uur door de klant van Mammoet gezegd wordt dat er moet worden overgewerkt en er dan geen vervanging meer te regelen is, zeker niet als er werkzaamheden op een afstand van 150 km van het kantoor van Mammoet uitgevoerd worden. Om de relatie met de klant niet te verstoren is de werknemer dan verplicht te blijven en het werk af te maken. Formeel zou het wellicht mogelijk zijn om halverwege een klus de boel de boel te laten, maar materieel wekt dit zoveel weerstand op dat dit niet kan. Hoewel juist is dat er werknemers zijn die niet willen overwerken, geldt dat als een werknemer gezegd heeft bereid te zijn om over te werken, er ook op wordt gerekend dat hij dat ook doet, lees: dan is hij verplicht dat ook te doen.

2.7

Bij antwoordakte d.d. 27 mei 2020 heeft Mammoet zich op het standpunt gesteld dat [persoon A] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

2.8

Het arrest HR 6 maart 1998 is niet ter zake doende voor de thans voorliggende zaak. Voornoemd arrest zag op de situatie dat een werknemer die werd verplicht over te werken recht had op betaling. Echter niet iedere werknemer die overwerk verricht en daarvoor betaald wordt, wordt daartoe verplicht.

2.9

Ook het vonnis d.d. 21 april 2020 van de kantonrechter Groningen is niet relevant voor het in de onderhavige zaak te geven oordeel over het door [persoon A] geleverde bewijs. Het door de kantonrechter Groningen bij vonnis d.d. 21 april 2020 gegeven oordeel is gebaseerd op een onjuiste weergave van het in de onderhavige zaak op 31 december 2019 gewezen tussenvonnis. In het door de kantonrechter Groningen weergegeven citaat uit het tussenvonnis d.d. 31 december 2019 zijn de rechtsoverwegingen 5.12 en 5.14 weggelaten, terwijl juist in die rechtsoverwegingen is weergegeven dat vereist is dat Mammoet de werknemer daadwerkelijk verplichtte dit overwerk te verrichten. Miskend wordt daarmee dat naast ‘voorzienbaarheid’, ook sprake moet zijn van een ‘verplichting tot het verrichten van overwerk’. Tevens is door de kantonrechter Groningen de norm uit de zaak HvJ EU 13 december 2018, ECLI:EU:C:2018:1018, Hein/Albert Holzkamm GmbH & Co (hierna: de zaak Holzkamm) ten onrechte genegeerd ten faveure van de norm uit het oudere en voor deze zaak niet-relevante zaak HvJ EU 15 september 2011, ECLI:EU:C:2011:588, Williams/British Airways (hierna: de zaak Williams). De ratio uit de zaak Williams geldt echter niet voor overwerk. Ten onrechte is door de kantonrechter Groningen de norm uit de zaak Holzkamm niet toegepast en is overwogen dat het verplichte karakter van de overuren in het midden kan blijven.

2.10

Mammoet stelt daarnaast dat van enige verplichting tot overwerk geen sprake is. Afwijking van de werkinstructies is wel degelijk mogelijk, mits hiervoor toestemming wordt gekregen van de planning. Niet gesteld is echter dat een dergelijk verzoek is gedaan door [persoon A] alsmede dat [persoon A] geen invloed had op opdrachten waarop hij werd ingepland. Bij de planning wordt rekening gehouden met voorkeuren en wensen van werknemers, werknemers die niet willen overwerken worden op kortere klussen ingepland en de planning staat toe dat werknemers die in overleg laten weten op een bepaald tijdstip naar huis te willen, naar huis gaan. Van een verplichting tot overwerken is dan ook geen sprake. Mammoet wijst er daarnaast op dat het feitelijk niet juist is dat een kraanmachinist altijd als eerste op de locatie aanwezig is en als laatste weg gaat. Immers er zijn ook opdracht waar een kraan meerdere dagen achter elkaar op locatie staat. Een kraan hoeft er daarnaast niet altijd te blijven staan totdat alle werkzaamheden zijn afgerond. [persoon A] gaat daarnaast uit van een onjuist overwerkbegrip. Op grond van de CAO is pas sprake van overwerk als het aantal werkuren per week de 40 overschrijdt. Dus pas als een werknemer bijvoorbeeld vier dagen 10 uur heeft gewerkt, op de vijfde dag door de planning wordt verzocht opnieuw te werken én de planning hem of haar ondanks een verzoek daartoe niet toestaat af te wijken van deze instructie, is sprake van een poging van de planning de werknemer te laten overwerken. Mammoet wijst er daarnaast op dat veel van haar werknemers juist graag overwerk verrichten omdat zij daarvoor op grond van de CAO goed beloond worden.

3. De verdere beoordeling

3.1

Bij tussenvonnis d.d. 31 december 2019 heeft de kantonrechter [persoon A] toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het door hem verrichte overwerk in de periode van 2013 t/m 2018 door Mammoet als een verplichting aan hem is opgelegd.

3.2

Dit bewijs is naar het oordeel van de kantonrechter door middel van de door [persoon A] overgelegde producties en de gegeven toelichting daarop, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Mammoet, niet geleverd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3.1

Ten aanzien van de overgelegde schriftelijke verklaringen, afgelegd door [persoon A] , [naam collega 1] , [naam collega 2] en [naam collega 3] , wordt vooropgesteld dat dit schriftelijke verklaringen betreffen. De waardering van de bewijskracht van een schriftelijke verklaring is aan het oordeel van de rechter overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv). Nu voornoemde verklaringen niet onder ede zijn afgelegd, dient daaraan naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel een geringere bewijskracht te worden toegekend dan in het geval dit wel aan de orde was geweest. Van belang is voorts dat ook in het geval de verklaringen wel onder ede zouden zijn afgelegd, te gelden heeft dat de door [persoon A] afgelegde verklaring omtrent de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. In dat verband wordt daarnaast nog opgemerkt dat de schriftelijke verklaringen van [naam collega 1] , [naam collega 2] en [naam collega 3] die in de onderhavige zaak als bewijs zijn overgelegd, tevens zijn ingebracht in de door laatstgenoemden tegen Mammoet aanhangig gemaakte procedures omtrent dezelfde casuïstiek, zodat zij bij het afleggen van deze verklaringen ook een zeker eigen belang hebben gehad.

3.3.2

Met betrekking tot de inhoud van de overgelegde schriftelijke verklaringen is de kantonrechter van oordeel dat daaruit weliswaar volgt dat zij als kraanmachinist de werktijden en locaties van de planning ontvangen, dat het daarbij meer regel dan uitzondering is dat er overuren worden gemaakt, dat daarover niet wordt gediscussieerd en dat zij het ook als een morele/sociale verplichting zien tegenover Mammoet om het werk bij de klant af te maken, doch geenszins volgt hieruit dat het overwerken als een verplichting door Mammoet is opgelegd alsmede dat er geen keuzemogelijkheid voor hen bestond om al dan niet overwerk te verrichten.

3.3.3

Door Mammoet is bij akte d.d. 27 mei 2020 uitgebreid en gemotiveerd betwist dat zij haar werknemers, en meer specifiek [persoon A] , heeft verplicht tot het verrichten van overwerk. Daartoe heeft zij, onder overlegging van een viertal schriftelijke verklaringen afgelegd door binnen Mammoet werkzame personen, gesteld dat door de planning wel degelijk rekening wordt gehouden met de voorkeuren en wensen van haar werknemers en dat werknemers die niet willen of kunnen overwerken dat ook niet hoeven te doen. Deze werknemers worden bijvoorbeeld op kortere klussen ingepland. Het voorgaande is door [persoon A] bij akte d.d. 24 juni 2020 niet, althans onvoldoende, weersproken. Zo is door [persoon A] erkend dat het mogelijk is om vooraf voorkeuren aan de planning door te geven alsmede dat er werknemers zijn die niet willen overwerken. Echter in het geval de werknemer heeft gezegd dat hij bereid is om over te werken, wordt er ook op gerekend dat hij dat doet, aldus [persoon A] . Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat er voor [persoon A] een keuzemogelijkheid bestond om al dan niet overwerk te verrichten. Gesteld nog gebleken is dat [persoon A] aan Mammoet op enig moment (expliciet) heeft kenbaar gemaakt geen overwerk te willen verrichten, laat staan dat Mammoet daar vervolgens geen rekening mee heeft willen houden. Niet gesteld kan dan ook worden dat er vanuit Mammoet enige verplichting tot overwerk is opgelegd. Dat een werknemer, in het geval hij zich bereid heeft verklaard om overwerk te verrichten, zich vervolgens ook aan de planning dient te houden en daar, zonder voorafgaande toestemming van de planning, niet vanaf dient te wijken, zoals door [persoon A] gesteld en uit het Personeelshandboek ook volgt, kan daarbij niet als onbegrijpelijk of onterecht worden aangemerkt en evenmin tot het oordeel leiden dat het verrichten van overwerk als een verplichting is opgelegd. Immers Mammoet heeft er voor wat betreft een goede organisatie en planning van haar bedrijfsactiviteiten belang bij om een bepaalde zekerheid te hebben en moet er, behoudens vooraf opgegeven voorkeuren en wensen, vanuit kunnen gaan dat haar werknemers zich aan de gemaakte planning houden. De omstandigheid, inhoudende dat een werknemer een bepaalde morele verplichting voelt tegenover zijn werkgever om overwerk te verrichten, maakt daarnaast nog niet dat kan worden gezegd dat het overwerk door de werkgever als een verplichting is opgelegd. In dat kader is mede van belang dat gesteld noch gebleken is dat werknemers die hebben aangegeven geen overwerk te willen verrichten, daarop door Mammoet op enigerlei wijze zijn afgerekend of zijn benadeeld.

3.4.1

Ook de door [persoon A] aangehaalde jurisprudentie kan niet tot het oordeel leiden dat het door hem verrichte overwerk in de periode van 2013 t/m 2018 door Mammoet als een verplichting aan hem is opgelegd. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat de overgelegde uitspraken geen onderbouwing vormen voor de feitelijke gang van zaken in het specifieke onderhavige geval ter zake het verrichten van overwerk.

3.4.2

De uitspraak HR 6 maart 1998 mist voorts ook voor wat betreft haar inhoud relevantie, nu uit desbetreffende zaak met name volgt dat de werkgever slechts gehouden is tot betaling van een overwerkvergoeding indien daarover afspraken zijn gemaakt, waarbij op zijn minst vast moet komen te staan dat de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of dat uit de omstandigheden van het geval blijkt dat hij daarmee heeft ingestemd. Deze uitspraak ziet dan ook meer op de situatie waarin de vraag speelt of de werknemer al dan niet uit eigener beweging overwerk heeft verricht en of daar een vergoeding tegenover dient te staan, hetgeen in de onderhavige zaak niet aan de orde is. Op basis van de enkele omstandigheid dat door Mammoet feitelijk een vergoeding voor overwerk is betaald kan voorts niet worden geconcludeerd dat het overwerk “verplicht” is verricht, zoals door [persoon A] wordt gesteld. Immers feitelijke betaling van overwerk kan ook geschieden in het geval het overwerk door de werknemer op vrijwillige basis is verricht.

3.4.3

De kantonrechter ziet voorts geen aanleiding om in het onderhavige geval gelijkluidend te oordelen als door de kantonrechter Groningen bij uitspraak d.d. 21 april 2020 is beslist. Met Mammoet is de kantonrechter van oordeel dat in voornoemde uitspraak ten onrechte in het midden is gelaten het oordeel over de vraag of de werkgever de werknemer tot het uitvoeren van overuren heeft verplicht. Dit, nu voor de vraag of overuren dienen te worden meegerekend bij het vaststellen van vakantieloon naast de voorwaarden van de zaak Williams, eveneens aan de criteria van de zaak Holzkamm dient te zijn voldaan.

In de zaak Holzkamm is geoordeeld dat vergoedingen voor overuren, vanwege het uitzonderlijke en onvoorspelbare karakter ervan, in beginsel geen deel uitmaken van het gewone loon waarop de werknemer tijdens zijn vakantie aanspraak maakt, tenzij voldaan is aan een aantal criteria. Naast dat voldaan moet zijn aan de criteria dat op regelmatige basis overuren worden gemaakt en dat de vergoeding van de overuren een belangrijk onderdeel vormt van de totale vergoeding die de werknemer voor zijn beroepsactiviteit ontvangt, dient te zijn voldaan aan het criterium dat de gemaakte overuren voortvloeien uit een verplichting op grond van de arbeidsovereenkomst. De enkele omstandigheid dat overuren op regelmatige basis werden verricht en dat dit mogelijk gebruikelijk was, maakt nog niet dat het maken van die overuren als een verplichting voortvloeide uit de arbeidsovereenkomst.

3.5

Nu niet is komen vast te staan dat het door [persoon A] in de periode van 2013 t/m 2018 verrichte overwerk verplicht voortvloeit uit zijn arbeidsovereenkomst, is niet voldaan aan de criteria uit de zaken Williams en Holzkamm en dient bij de vaststelling van het vakantieloon de vergoeding voor overuren niet meegerekend te worden. Het door [persoon A] gevorderde bedrag van € 4.573,33 ter zake van te weinig ontvangen vakantieloon dat ziet op de overwerkvergoeding over de periode vanaf salarisperiode 3 in 2013 tot en met salarisperiode 13 in 2018 wordt dan ook afgewezen.

3.6

[persoon A] heeft daarnaast nog aanspraak gemaakt op een bedrag van € 1.514,02 aan te weinig betaald vakantieloon dat ziet op toeslagen. De in voornoemd bedrag door [persoon A] opgenomen toeslagen, aangeduid als “zaterdaguren 50% toeslag” en “zondaguren 100% toeslag” zien in feite op overwerkuren, zodat dit deel van de toeslagen, gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.5 is overwogen, niet toewijsbaar is. Ten aanzien van het door [persoon A] gevorderde bedrag aan te weinig ontvangen vakantieloon ter zake van nachtrittentoeslag heeft de kantonrechter bij tussenvonnis d.d. 31 december 2019 reeds geoordeeld dat deze toeslag wel valt onder het gebruikelijke loon zoals bedoeld in de zaak Williams, zodat deze moet worden meegenomen bij de berekening van het vakantieloon.

3.7

Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van het vakantieloon dat ziet op de nachtrittentoeslag. Mammoet heeft gesteld dat [persoon A] slechts aanspraak kan maken op een bedrag van € 53.41 aan nachtrittentoeslag. Mammoet heeft daartoe onder meer naar voren gebracht dat dient te worden uitgegaan van het structurele gedeelte van de toeslagen en niet van een gemiddelde toeslagcomponent. Daarnaast kan dit deel van de vordering volgens Mammoet alleen worden toegewezen over de wettelijke vakantiedagen en niet tevens over de bovenwettelijke vakantiedagen.

3.8

Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er voor het hanteren van een ander loonbegrip voor bovenwettelijke vakantiedagen dan voor wettelijke vakantiedagen geen grondslag. Artikel 7:639 BW maakt geen onderscheid en is ook op bovenwettelijke vakantiedagen van toepassing. Partijen kunnen slechts afwijkende afspraken over bovenwettelijke dagen maken voor zover de betreffende wetsbepaling dat uitdrukkelijk toestaat. De dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7:639 staat dat niet toe. Voor zover dit neerkomt op een strengere implementatie van artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG dan nodig, geldt daarnaast dat de richtlijn hiervoor ruimte biedt, nu deze slechts voorziet in een minimumbescherming. Artikel 15 van de Richtlijn 2003/88/EG biedt lidstaten de mogelijkheid om gunstiger bepalingen voor werknemers vast te stellen. De nachtrittentoeslag is gelet op het voorgaande dus ook over bovenwettelijke vakantiedagen verschuldigd.

3.9

Hoewel juist is dat de rechtsoverweging in het arrest Williams over “het gemiddelde in een representatieve periode” ziet op het vaststellen van een intrinsiek verband tussen de verschillende componenten van het globale loon van de werknemer en de uitvoering van de taken die hem zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst, zoals door Mammoet gesteld, dient naar het oordeel van de kantonrechter ook voor wat betreft het vaststellen van de hoogte van het vakantieloon in beginsel te worden uitgegaan van het gemiddelde aan ontvangen nachtrittentoeslag over een bepaalde periode. In het onderhavige geval zal daarbij worden uitgegaan van een referentieperiode van zes jaar, te weten van 2013 tot en met 2018.

3.10

[persoon A] heeft de door hem gebruikte berekeningsmethode niet nader toegelicht, maar uit de inhoud van de bij brief d.d. 11 oktober 2019 overgelegde verbeterde versie van de bijlage bij productie 4 maakt de kantonrechter op dat [persoon A] ook van de in de CAO gehanteerde rekenmethode uitgaat, in die zin dat (vanwege het niet altijd structurele karakter van de toeslagen) in de berekening 90% van de totale waarde van de nachtrittentoeslag wordt meegenomen. Voornoemde rekenmethode is door Mammoet niet betwist, zodat dit niet in geschil is tussen partijen. Mammoet heeft haar berekening ten aanzien van de nachtrittentoeslag eveneens niet, althans onvoldoende, toegelicht en/of onderbouwd.

3.11

Al het voorgaande in ogenschouw nemende ziet de kantonrechter aanleiding om [persoon A] in de gelegenheid te stellen (enkel) zijn berekening ten aanzien van de nachtrittentoeslag nader toe te lichten en te onderbouwen en zo nodig zijn vordering op dat punt bij akte te wijzigen. Mammoet zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop nog bij antwoordakte te reageren.

3.12

Ten aanzien van het door Mammoet gedane beroep op de redelijkheid en billijkheid/matiging wordt daarnaast het volgende overwogen. Mammoet heeft onder meer gesteld dat zij wordt geconfronteerd met een grote navordering, die zij niet kan doorberekenen aan haar klanten, hetgeen in potentie desastreuze gevolgen voor de transportsector zou hebben. Daarnaast zou het oplopen van de navordering en het niet kunnen doorberekenen aan haar klanten een gevolg zijn van de omstandigheid dat de werknemers, waaronder [persoon A] , te lang hebben gewacht met het instellen van hun vordering. Vooropgesteld wordt dat niet gesteld kan worden dat [persoon A] te lang heeft gewacht met het instellen van zijn vordering. [persoon A] heeft immers reeds kort na ontvangst van de door Mammoet bij brief d.d. 23 november 2018 voorgelegde overeenkomst, waarin het bedrag van € 750,- is aangeboden, zijn bezwaren kenbaar gemaakt. Bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet de nodige terughoudendheid worden betracht en de omstandigheden van het geval rechtvaardigen niet dat met een beroep hierop inbreuk wordt gemaakt op de wettelijke rechten van [persoon A] . Daarbij is ook betrokken dat uit het onderhandelingsresultaat van CAO-partijen al blijkt dat zij zich hebben gerealiseerd dat niet iedere werknemer het afkoopvoorstel zou accepteren. Om in aanmerking te komen voor de éénmalige uitkering van € 750,- bruto is immers als voorwaarde opgenomen dat de werknemer afstand doet van zijn rechten aangaande de vergoeding van de structurele toeslagen over de genoten vakantiedagen in de jaren 2014-2018. Mammoet heeft de éénmalige uitkering conform artikel 67a lid 9 sub b van de CAO aan [persoon A] aangeboden. [persoon A] heeft dit geweigerd. Hieruit volgt dat zowel door de sociale partners in de transportsector als door Mammoet onder ogen is gezien, althans dat men zich had kunnen realiseren, dat werknemers de afkoopregeling kunnen afwijzen met alle (financiële) gevolgen van dien. Door Mammoet is ook niet onderbouwd dat haar financiële positie met zich brengt dat toewijzing van het gevorderde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het door Mammoet gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid/matiging faalt derhalve.

3.13

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

stelt [persoon A] in de gelegenheid om zijn berekening ten aanzien van de door hem gevorderde nachtrittentoeslag nader toe te lichten en zo nodig te onderbouwen;

verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van woensdag 6 januari 2021 om 14.30 uur alwaar [persoon A] zich schriftelijk dient uit te laten.

De schriftelijke reactie dient in tweevoud ingestuurd te worden en uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen te zijn. [persoon A] kan het processtuk ook zelf of door tussenkomst van een gemachtigde indienen op genoemde rolzitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

495