Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13131

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
17.521 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenares de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. Schuldenares wordt verweten onrechtmatig reiskosten te hebben gedeclareerd en vergoedingen te hebben ontvangen, die zij bovendien op de rekening van haar ouders liet binnenkomen om deze op die manier te onttrekken aan het loonbeslag dat de schuldeisers (in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de schuldsaneringsregeling) op haar salarisrekening hadden gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van schuldenares onverenigbaar zijn met het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en de daaraan voorafgaande periode waarin de schuldenaar zich ten opzichte van zijn schuldeisers bij het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw moet opstellen.

Los van het feit dat de verweten gedragingen kunnen leiden tot een strafrechtelijke vervolging, heeft schuldenares als gevolg van de gedragingen haar baan, en daarmee haar bron van inkomsten, verloren. De rechtbank stelt dan ook vast dat schuldenares als gevolg van het strafontslag toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting. Schuldenares had een fulltime dienstverband en in het in het kader van de inspanningsverplichting rustte op haar de verplichting om zich tot het uiterste in te spannen om het dienstverband te behouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft schuldenares daarmee haar schuldeisers, door het geleden inkomensverlies, ernstig benadeeld. Voorts is, als gevolg van het ontslag, een voorwaardelijke (bovenmatige) nieuwe schuld ontstaan omdat het voorschot aan WW-uitkering bij afwijzing van het hoger beroep wordt teruggevorderd, hetgeen zou kunnen leiden tot een tekortkoming van de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

weigering schone lei

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 16 december 2020

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: M.A.T. Noordzij.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft op 8 september 2020 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Op 27 november en op 1 december 2020 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 2 december 2020. De bewindvoerder en schuldenares, alsmede de heer [naam 2] , gemachtigde van schuldenares en de heer J.M. van der Linden, advocaat van verzoekster zijn verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 oktober 2017 is het verzoek toepassing wettelijke schuldsanering van schuldenares afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat schuldenares ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden aan de wettelijke erfgenamen van [naam 3] (hierna: [naam 3] c.s.) in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, niet te goeder trouw is geweest.

De (enige) schuld aan [naam 3] c.s. is ontstaan doordat schuldenares de nalatenschap van [naam 3] – blijkens het arrest van Gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2006 en de vonnissen van de rechtbank Dordrecht van 28 april en 20 oktober 2010– ten onrechte niet aan de erfgenamen ter beschikking heeft gesteld, maar te eigen bate heeft aangewend. De rechtbank heeft geoordeeld dat schuldenares het verhaal door haar schuldeisers, in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek toepassing wettelijke schuldsanering, heeft gefrustreerd door de gelden van de nalatenschap buiten het bereik van haar schuldeisers te brengen, in die zin dat van haar kon worden gevergd dat zij meer op haar schuld zou hebben afbetaald dan zij thans via loonbeslag heeft gedaan. Voorts heeft deze rechtbank overwogen dat schuldenares zich niet heeft gehouden aan de informatieverplichting die haar bij vonnis van 22 november 2012 werd opgelegd, zodat zij geen vertrouwen erin heeft dat schuldenares de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

Bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2017 is het vonnis van deze rechtbank vernietigd en is de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toegewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van ten onrechte onbetaald laten van de schuld in de afgelopen vijf jaar, nu schuldenares via het loonbeslag een groot deel van de schuld heeft afbetaald. Voorts heeft schuldenares naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen beschikking had over de nalatenschap, zodat niet is gebleken dat schuldenares meer op haar schuld kon afbetalen dan zij via het loonbeslag heeft gedaan. Tot slot heeft het Hof overwogen dat aannemelijk is dat verzoekster zich zal inspannen om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen gelet op haar fulltime dienstverband en dat het niet nakomen van de informatieplicht in eerdere zaken niet als uitgangspunt mag gelden voor de nakoming van die verplichting in deze schuldsaneringsregeling.

Uit de aan de rechtbank ter beschikking staande stukken blijkt verder het volgende:

Schuldenares is sinds 1985 tot 2002 en van 2005 tot 2020 werkzaam geweest bij de politie.

Op 24 april 2018 heeft de politie schuldenares buiten functie gesteld in verband met beschuldigingen die tegen schuldenares zijn geuit: plichtsverzuim wegens het plegen van valsheid in geschrifte door het foutief en overmatig declareren van reiskosten en het onrechtmatig ontvangen van vergoedingen in de periode 2015-2017. Daarnaast het laten overmaken van maandelijkse vergoedingen van € 250,- uit hoofde van een onregelmatigheidstoeslag (hierna: ORT) naar de rekening van haar ouders om het op die manier te onttrekken aan het loonbeslag dat de schuldeisers op haar salarisrekening hadden gelegd. Schuldenares heeft deze laatste beschuldiging betwist behoudens de erkenning van de ontvangst van drie maandelijkse vergoedingen in het jaar 2017. Naar de gedragingen van schuldenares is zowel een intern disciplinair als een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Het intern onderzoek is op 21 maart 2019 afgerond.

Op 23 mei 2019 is het aangevangen strafrechtelijk onderzoek voor een niet nader genoemde termijn door de rechter-commissaris stilgelegd.

Op grond van het onderzoek heeft haar werkgever, de politie, schuldenares op 18 juli 2019 onmiddellijk strafontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Schuldenares heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij een verzoek voorlopige voorziening ingediend om het besluit te schorsen in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorlopige voorziening is bij vonnis van 23 september 2019 toegewezen. Het bezwaar is op 10 januari 2020 ongegrond verklaard. Schuldenares heeft vervolgens tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland.

Schuldenares heeft op 14 april 2020 een WW-uitkering aangevraagd. Deze is met terugwerkende kracht vanaf 2 maart 2020 voorwaardelijk en op voorschotbasis door het UWV toegekend. Het UWV neemt na de ontvangst van de uitspraak (niet duidelijk is op welke uitspraak wordt gedoeld) een definitieve beslissing.

Op 30 juni 2020 heeft de rechtbank Midden-Nederland het beroep ongegrond verklaard onder meer oordelend dat de gedragingen aan schuldenares toerekenbaar zijn en moeten worden aangemerkt als plichtsverzuim. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de onschuldpresumptie niet met zich brengt dat de bestuursrechtelijke procedure moet worden aangehouden totdat de strafrechtelijke procedure is afgerond. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank in onderhavig geval een oordeel uitspreekt over de rechtmatigheid van het ontslag en niet over de schuld van schuldenares in het strafrechtelijk onderzoek.

Met de beslissing in de bodemprocedure was geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op 30 juni 2020 ook is afgewezen.

Schuldenares heeft ter zitting verklaard dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bij de Centrale Raad van Beroep.

3 De standpunten

Standpunt bewindvoerder: eindverslag en laaste stand van zaken

In het eindverslag heeft de bewindvoerder de rechtbank geadviseerd de schone lei niet aan schuldenares te verlenen wegens tekortkomingen in de nakoming van de navolgende verplichtingen: de afdrachtverplichting van € 5.973,36 en de informatieplicht met betrekking tot de procedures rondom de werkgever van schuldenares. Alsmede de tekortkoming in de sollicitatieplicht van zeven maanden.

In de laatste stand van zaken van 24 november en 1 december 2020 heeft de bewindvoerder aangegeven dat de tekortkomingen in de sollicitatieplicht en de informatieplicht (deels) zijn hersteld. Daarnaast is de boedelachterstand aangepast doordat een aantal kosten onjuist in het boedeloverzicht waren opgenomen, zodat een bedrag van € 1.231,35 aan boedelachterstand resteert.

Standpunt schuldenares/advocaat

De advocaat betwist dat er überhaupt een boedelachterstand is. Indien wordt aangenomen dat er wel een achterstand is, kan deze tekortkoming volgens hem niet aan schuldenares worden toegerekend. Immers in 2019 was reeds bekend dat de achterstand lager was dan werd voorgesteld. Toch is de achterstand pas voor de zitting naar beneden aangepast. Indien dit eerder was gebeurd, had schuldenares voortijdig op de achterstand kunnen anticiperen. Voorts heeft de advocaat aangevoerd dat niet onherroepelijk vaststaat dat schuldenares is ontslagen; schuldenares heeft hoger beroep aangetekend tegen het strafontslag en de strafprocedure ligt stil. De uitspraak van het hoger beroep kan nog wel een jaar duren.

De rechtbank dient echter binnen de termijn van drie jaar te beoordelen of schuldenares aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan. De onschuldpresumptie brengt volgens de advocaat met zich dat moet worden vastgesteld dat thans geen sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming, zodat aan schuldenares de schone lei moet worden verleend. Wanneer de rechtbank oordeelt dat sprake van een kleine boedelachterstand stemt schuldenares in met een korte verlenging.

Standpunt bewindvoerder

De bewindvoerder neemt tot uitgangspunt – gelet op de situatie zoals die nu voorligt – dat het strafontslag rechtmatig is, nu het bezwaar door de rechtbank Midden-Nederland ongegrond is verklaard. De bewindvoerder handhaaft zijn advies om de schone lei niet te verlenen gelet op de gedragingen in de arbeidsrelatie en de onzekerheid van de afdracht vanwege de voorwaardelijkheid van haar WW-uitkering. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat een schuldenaar de verplichting heeft zijn inkomsten te optimaliseren. Schuldenares heeft zich echter op zodanige wijze gedragen dat zij haar baan is verloren, hetgeen zelfs tot een strafrechtelijke veroordeling kan leiden. Daarmee heeft zij de schuldeisers benadeeld. Voorts stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat er nog steeds een boedelachterstand bestaat van € 1.231,35. Deze is schuldenares in de visie van de bewindvoerder aan te rekenen, nu de hoogte van de boedelachterstand meerdere malen aan de orde is gesteld en schuldenares voldoende gelegenheid is geboden tot een oplossing te komen. In het vijfde en zesde verslag is schuldenares op de hoge achterstand gewezen en werd een verlenging in overweging gegeven. Daarnaast is er, door de voorlopige toekenning van de WW-uitkering een voorwaardelijke (bovenmatige) nieuwe schuld ontstaan. De bewindvoerder stelt voor de regeling te verlengen zonder doorlopen van de standaardverplichtingen om duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van het ontslag en de daaruit voortvloeiende tekortkoningen en de positie van de boedel.

4 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 337.078,76 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenares de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen.

Schuldenares wordt immers verweten onrechtmatig reiskosten te hebben gedeclareerd en vergoedingen te hebben ontvangen, die zij bovendien op de rekening van haar ouders liet binnenkomen om deze op die manier te onttrekken aan het loonbeslag dat de schuldeisers (in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de schuldsaneringsregeling) op haar salarisrekening hadden gelegd.

De feiten die aan de verwijten ten grondslag liggen zijn opgenomen in het interne onderzoeksrapport op grond waarvan de werkgever van schuldenares heeft besloten tot strafontslag van schuldenares. Het strafontslag is vervolgens twee keer getoetst in een interne bezwaarprocedure en door de rechtbank Midden-Nederland. Deze rechtbank acht de in het rapport geformuleerde feiten en verwijten daarom aannemelijk, terwijl deze door schuldenares onvoldoende zijn weerlegd, noch in de twee hiervoor genoemde procedures, noch ten overstaan van deze rechtbank. Schuldenares heeft daarnaast een gedeelte van de verweten gedragingen erkend tegenover haar voormalige werkgever, namelijk de ontvangst van drie ORT-vergoedingen van € 250,00 in of rond het jaar 2017 en dat zij die betalingen heeft laten betalen op een bankrekening van haar ouders, waardoor de betalingen werden onttrokken aan het loonbeslag dat door de schuldeiser was gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de bovenstaande gedragingen van schuldenares onverenigbaar zijn met het wezen en de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling en de daaraan voorafgaande periode waarin de schuldenaar zich ten opzichte van zijn schuldeisers bij het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw moet opstellen.

Los van het feit dat de verweten gedragingen kunnen leiden tot een strafrechtelijke vervolging, getuigt het van een allesbehalve saneringsgezinde houding en is reeds op zichzelf grond om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder schone lei.

Als gevolg van de gedragingen heeft schuldenares haar baan, en daarmee haar bron van inkomsten, verloren. De rechtbank stelt dan ook vast dat schuldenares als gevolg van het strafontslag toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar inspanningsverplichting. Schuldenares had een fulltime dienstverband en in het in het kader van de inspanningsverplichting rustte op haar de verplichting om zich tot het uiterste in te spannen om het dienstverband te behouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft schuldenares daarmee haar schuldeisers, door het geleden inkomensverlies, ernstig benadeeld. Voorts is, als gevolg van het ontslag, een voorwaardelijke (bovenmatige) nieuwe schuld ontstaan omdat het voorschot aan WW-uitkering bij afwijzing van het hoger beroep wordt teruggevorderd, hetgeen zou kunnen leiden tot een tekortkoming van de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan.

De rechtbank oordeelt dat deze nieuwe feiten ten aanzien van de gedragingen van schuldenares, die zich hoofdzakelijk hebben afgespeeld gedurende drie jaar voorafgaand aan toelating schuldsaneringsregeling, aan toelating tot de regeling in de weg zouden hebben gestaan. Immers komt hiermee vast te staan dat schuldenares (inderdaad) niet te goeder trouw was in het onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de schuldsanering omdat wél van schuldenares gevergd kon worden dat zij meer op haar schuld zou hebben afbetaald dan zij thans via loonbeslag heeft gedaan. Schuldenares heeft immers bewust gelden aan het beslag van haar schuldeisers onttrokken door deze op de rekening van haar ouders te laten overmaken. In de procedure tot de toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft schuldenares ten opzichte van de rechter deze feiten verzwegen.

De rechtbank stelt ook vast dat schuldenares tekort is geschoten in de nakoming van de afdrachtverplichting, nu er een boedelachterstand bestaat van € 1.231,35. Dat deze tekortkoming niet aan schuldenares te verwijten is, zoals haar advocaat heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk, nu gedurende de regeling vele malen over de boedelachterstand is gecorrespondeerd en steeds ruimte is geboden deze in te lopen. Dat de boedelachterstand pas op het laatste moment naar beneden is bijgesteld doet daar niet aan af.

De bewindvoerder heeft de rechtbank nog in overweging gegeven om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen om het hoger beroep tegen het besluit strafontslag af te wachten. De rechtbank zal hier niet toe overgaan, nu schuldenares tijdens een verlenging niet alsnog de aan haar verweten onttrekkingen voorafgaand aan de start van de schuldsaneringsregeling ongedaan zal kunnen maken

De schone lei zal daarom worden geweigerd.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat de schuldenares toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares eindigen op 12 december 2020;

- stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.350,95;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

mr. R.S.S. Huizinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.