Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
C/10/595832 / KG ZA 20-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – hervatten werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/595832 / KG ZA 20-362

Vonnis in kort geding van 24 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.R. van Manen te Gorinchem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 mei 2020, met producties;

  • -

    het e-mailbericht van [gedaagde] van 18 mei 2020;

  • -

    het e-mailbericht van [eiser] van 9 juni 2020, met aanvullende producties;

  • -

    het telehoormoment van 10 juni 2020.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 1] in Gorinchem (hierna: het winkelpand). [eiser] verhuurt het winkelpand aan [naam zorgwinkel] (hierna: [naam zorgwinkel] ).

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 2] in Gorinchem (hierna: de woning). [gedaagde] heeft een eenmanszaak, [naam eenmanszaak] genaamd, die is gevestigd aan de [adres 3] in Gorinchem. Het winkelpand van [eiser] en de woning van [gedaagde] grenzen aan elkaar.

2.3.

[eiser] is op 12 november 2019 door [naam zorgwinkel] aangesproken op stankontwikkeling in het winkelpand. [eiser] heeft daartoe nader onderzoek laten uitvoeren door AR-Support. Dit onderzoek, waarvoor [gedaagde] toegang heeft verleend tot de woning, heeft uitgewezen dat de stank afkomstig is van een lekkage die haar oorzaak heeft in de woning van [gedaagde] . Volgens AR-Support is bij de gevel van de woning van [gedaagde] nog een oud deel van de riolering aanwezig waardoor lekkage is ontstaan en er vuil water onder de vloer is gelopen.

2.4.

Teneinde het stankprobleem op te lossen dient de defecte riolering te worden gerepareerd. Dit is alleen mogelijk nadat in de woning van [gedaagde] , nabij de entree op de begane grond, een kruipluik wordt gemaakt, waarna een loodgieter de lekkage kan verhelpen en overige reparatiewerkzaamheden kan uitvoeren.

2.5.

In november/december 2019 zouden partijen in overleg tot reparatie overgaan. Vanaf 7 december 2019 wilde [gedaagde] geen toegang tot de woning meer verlenen. Omdat [naam zorgwinkel] op 18 maart 2020 opnieuw bij [eiser] heeft geklaagd over stankoverlast is [gedaagde] nogmaals verzocht om zijn medewerking te verlenen aan de werkzaamheden. Hierop is door [gedaagde] niet gereageerd.

2.6.

Bij brief van 9 april 2020 heeft mr. Van Manen [gedaagde] namens [eiser] gesommeerd om schriftelijk te bevestigen dat [eiser] wordt toegelaten tot de woning teneinde de reparatiewerkzaamheden uit te voeren, dan wel om er voor zorg te dragen dat de schade aan de riolering uiterlijk op 30 april 2020 is verholpen.

2.7.

Bij e-mailbericht van 14 april 2020 heeft [gedaagde] voor zover van belang het volgende aan mr. Van Manen bericht:

“(…)

Op 23 Maart is een medebewoner van mij op [adres 2] overleden (dood aangetroffen). Ik zit zelf in een depressie periode en heb heel moeilijk om dit te verwerken. Mede hierdoor zijn deze werkzaamheden welke bestaan uit boren, graven, herrie in de woning, voor mij psychisch niet verdraaglijk. Ook de politie voert na controles uit dat ik niet zomaar werkzaamheden zoals graven enz kan laten uitvoeren.

(…)”

2.8.

Bij brief van 17 april 2020 heeft mr. Van Manen [gedaagde] opnieuw verzocht zijn medewerking te verlenen. In de brief is aangegeven dat [eiser] bereid is de werkzaamheden te faciliteren, te weten door het maken van afspraken met opdrachtnemers en het aanwezig zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden zodat [gedaagde] daarbij niet aanwezig hoeft te zijn.

2.9.

Bij e-mailbericht van 22 april 2020 heeft [gedaagde] als volgt aan mr. Van Manen bericht:

“(…)

Ik heb om begrip gevraagd om mijn situatie en blijf daarbij vast bij mijn besluit dat ik dezer dagen nog geen werk kan laten uitvoeren in mijn woning.

Er zal hoop geboord en gehakt worden welke mijn depressie op hol zal zetten.

En ook corona risico wil ik buiten mijn deur houden. Voorlopig kan ik u de toegang in mijn woning niet verlenen.(…)”

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] op eerste verzoek toe te laten tot de woning en om te gehengen en te gedogen dat de noodzakelijke werkzaamheden (het maken van een toegangsluik/kruipluik en het herstel van een defecte riolering) door [eiser] dan wel door hem in te schakelen derde in de woning worden uitgevoerd;

  2. bepaalt dat bij gebreke van toestemming en medewerking van [gedaagde] dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en medewerking van [gedaagde] ;

  3. [eiser] toestaat de punten 1. en 2. hierbij zo nodig met de hulp van de sterke arm in te roepen;

  4. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 2.396,77 bij wijze van voorschot schadevergoeding;

  5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Toegang tot de woning van [gedaagde] is noodzakelijk om de reparatiewerkzaamheden te kunnen uitvoeren. De voortdurende weigering van [gedaagde] om mederwerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden is onrechtmatig jegens [eiser] en levert misbruik van eigenaarsbevoegdheid op, waardoor [gedaagde] jegens [eiser] schadeplichtig is. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij het gevorderde nu hij voortdurend wordt aangesproken door zijn huurder en het risico loopt dat zijn huurder hem aanspreekt ter zake huurvermindering of schadevergoeding ter zake gederfde omzet.

3.3.

[gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat hij nooit van plan is geweest om geen medewerking te verlenen aan de reparatiewerkzaamheden. Hij heeft alleen om uitstel van de werkzaamheden gevraagd in verband met het overlijden van een werknemer en daarna wegens het uitbreken van de Corona-crisis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is op grond van artikel 254 Rv in alle spoedeisende zaken

waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt

vereist, bevoegd deze te geven. Van een spoedeisende zaak is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 gevorderde

4.2.

Het spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde is gelegen in het risico dat [eiser] wordt aangesproken door zijn huurder ter zake huurvermindering of schadevergoeding ter zake gederfde omzet. Tussen partijen staat vast dat de reparatiewerkzaamheden noodzakelijk zijn en dat deze alleen kunnen worden uitgevoerd vanuit de woning van [gedaagde] . Medewerking van [gedaagde] en toegang tot de woning van [gedaagde] is dan ook essentieel. Nu [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is om [eiser] toegang tot zijn woning te verlenen en medewerking te verlenen aan de reparatiewerkzaamheden wordt de vordering toegewezen met inachtneming van het volgende.

4.3.

De termijn waarop [gedaagde] [eiser] dient toe te laten tot de woning en dient te gehengen en te gedogen dat de noodzakelijke werkzaamheden door [eiser] , dan wel door [eiser] in te schakelen derden worden uitgevoerd in het pand, wordt in redelijkheid vastgesteld op één week na betekening van dit vonnis. De voorzieningenrechter geeft partijen daarbij in overweging om voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg te treden opdat [gedaagde] de aannemer toegang tot de woning kan verlenen om het werk op te nemen, een plan van aanpak op te stellen en een offerte te doen. Op die manier is voor [gedaagde] duidelijk wat er gaat gebeuren.

4.4.

De vordering om te bepalen dat bij gebreke van toestemming en medewerking van [gedaagde] dit vonnis daarvoor in de plaatst treedt ex artikel 3:300 BW wordt afgewezen, nu [gedaagde] niet gehouden is tot het verrichten van een rechtshandeling, maar tot het verrichten van een feitelijke handeling.

4.5.

De vordering om [eiser] toe te staan het vonnis met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen wordt toegewezen. [gedaagde] heeft weliswaar aangegeven zijn medewerking te verlenen, maar heeft sinds december 2019 omtrekkende bewegingen gemaakt waardoor niet zeker is of hij zijn toezegging gestand doet.

Ten aanzien van het onder 4 gevorderde

4.6.

[eiser] heeft daarnaast gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.396,77 aan [eiser] bij wijze van voorschot van schadevergoeding. [eiser] heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het niet verlenen van zijn medewerking aan de reparatiewerkzaamheden. De door [eiser] geleden schade is voldoende met stukken onderbouwd en niet door [gedaagde] betwist. De vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.

Ten aanzien van het onder 5 gevorderde

4.7.

In de omstandigheid dat [gedaagde] kampte met depressieve klachten en het Corona-virus is uitgebroken is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende reden was om de werkzaamheden uit te stellen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na betekening van dit vonnis [eiser] toe te laten tot de woning aan de [adres 2] te Gorinchem, en om te gehengen en te gedogen dat de noodzakelijke werkzaamheden (waaronder het maken van een toegangsluik/kruipluik en het herstel van de defecte riolering) worden uitgevoerd door [eiser] dan wel door [eiser] in te schakelen derden,

5.2.

machtigt [eiser] om – indien [gedaagde] met het bepaalde in onderdeel 5.1. in gebreke blijft – dit onderdeel zo nodig ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.396,77,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.

2180/1573