Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13099

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
C/10/593545 / KG ZA 20-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – nakoming koopovereenkomst aandelen, dwaling, beroep op opschorstingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/593545 / KG ZA 20-267

Vonnis in kort geding van 11 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. E. Hoekstra te Alkmaar,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. P. de Graaf te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (gezamenlijk [gedaagde 1] c.s.) genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 mei 2020, met producties;

  • -

    de brief van [eiseres] van 27 mei 2020, met aanvullende producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 25 mei 2020, met producties;

  • -

    de brief van [gedaagde 1] c.s. van 27 mei 2020, met aanvullende producties;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1] c.s.;

  • -

    de Skype-zitting van 28 mei 2020.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

ThermIQ B.V. (hierna: ThermIQ) is rechthebbende op de merknaam ‘ThermIQ’. Onder deze merknaam worden verwarmingspanelen verhandeld.

2.2.

Thermiq China B.V. (hierna: de vennootschap) is op 12 oktober 2017 opgericht door [gedaagde 2] en de heer [persoon A] , bestuurder van [gedaagde 1] (hierna: [persoon A] ) in verband met de voorgenomen verhandelingen van ThermIQ op de Chinese markt. Tevens is in China een dochtervennootschap opgericht genaamd Taian Thermiq Technology information center Co.Ltd.

2.3.

In het kapitaal van de vennootschap zijn in totaal 1.200 aandelen geplaatst.

2.4.

Op 28 oktober 2017 zijn door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] elk 100 aandelen in de vennootschap verkocht aan [eiseres] en elk 100 aandelen aan [gedaagde 3] .

2.5.

[gedaagde 1] is thans eigenaar van 400 aandelen (genummerd 1 tot en met 400), [eiseres] is eigenaar van 200 aandelen (genummerd 401 tot en met 500 en 701 tot en met 800), [gedaagde 3] is eigenaar van 200 aandelen (genummerd 501 tot en met 700) en [gedaagde 2] is eigenaar van 400 aandelen (genummerd 801 tot en met 1.200).

2.6.

De aandelen hebben elk een nominale waarde van € 1,00.

2.7.

In 2017 zijn enkele zakenreizen naar China gemaakt, onder leiding van de heer [persoon B] , middellijk bestuurder van [eiseres] (hierna: [persoon B] ). In december 2017 zijn [persoon A] en [persoon B] samen afgereisd naar China.

2.8.

[persoon A] heeft [persoon B] in december 2017 verzocht zijn samenwerking met Degree-n, een van de grootste concurrenten van de vennootschap, te beëindigen. Bij e-mailbericht van 20 december 2017 heeft [persoon B] aan Degree-n het volgende bericht:

“(…)

Hierbij deel ik je mede onze samenwerking per direct te beëindigen.

Conflicterende belangen liggen hieraan ten grondslag.

Als gevolg daarvan zal ik geen inspanningen op welke manier dan ook, voor jou of Degree-n c.s. meer doen.

Ik ben commitment aan gegaan met ThermIQ c.s.

(..)”

2.9.

Op 14 februari 2018 heeft er een algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap plaatsgevonden. In de notulen van deze vergadering is voor zover van belang het volgende opgenomen (waarbij [persoon A] wordt aangeduid als [persoon A] , [persoon B] als [persoon B] en de bestuurder van [gedaagde 3] als [gedaagde 3] ):

“(…)

[persoon A] ; deze vergadering heeft 1 onderwerp; het oplossen van de problemen met aandeelhouder [persoon B] ; er is een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [persoon B] en de overige aandeelhouders.

(…)

[persoon A] nam het woord en gaf aan dat er tijdens de laatste trip met [persoon B] er in gesprekken met portentiele klant (mr. [persoon C] ) er veel moeite gedaan moest worden om een aantal zaken recht te zetten c.q. te ontzenuwen welke [persoon B] en of [persoon D] (medewerker van [persoon B] en broer) hebben veroorzaakt.

De naam ThermIQ bleek al maanden eerder door [persoon B] / [persoon D] te zijn geregistreerd in China zonder toestemming van de CEO / overige aandeelhouders.

Deze registratie is niet gemeld tot 18 januari j.l. tijdens een gesprek met [persoon E] en [gedaagde 3] . In dit gesprek hebben [persoon E] en [gedaagde 3] uitdrukkelijk in woord (persoonlijk) en hierna in diverse apps aan [persoon B] te verstaan gegeven om dit teniet te laten doen, c.q. niet te laten doen. Hierna heeft [persoon B] aangegeven dit niet te doen. Er is door [persoon B] bedoelt een inschrijving in een “namenregister”, [gedaagde 3] en [persoon E] hebben het over een inschrijving LTD gehad, duidelijk was toen wel dat er zonder toestemming überhaupt geen inschrijving in de breedste zin des woord zonder toestemming mag plaatsvinden, c.q. teniet gedaan moet worden.

(…)

Deze registratie kwam aan het licht ten tijde van onderhandelingen begin Februari met een grote prospect in China; de LOI kon geen doorgang vinden volgens de Chinese partij vanwege het feit dat de naam eerder al geregistreerd staat op de LTD van [persoon B] /broer.

Deze onderhandelingen hebben hierdoor een vertraging opgelopen en reputatieschade voor ThermIQ c.s.

Hierna kwam ten tafel de voorlaatste trip met [persoon B] en [persoon A] ; na deze ThermIQ handels trip bleek via via dat [persoon B] onderdelen van de grootste concurrent van ThermIQ, genaamd Degree-n, mee had in zijn koffer ten tijde van deze trip.

(…)

[persoon B] verschilt van mening over de volgende zaken:

(…)

Hij vindt het geen probleem als hij verschillende producten van verschillende fabrikanten (ThermIQ en Degree-n) aanbiedt, er zijn tenslotte ook verschillende restaurant en China is groot genoeg.

(…)

[gedaagde 3] geeft aan dat er geen vertrouwen meer is in [persoon B] , hij heeft (zakelijk) contact gehouden met [persoon F] terwijl hij beloofd had te stoppen, hij heeft de plaatjes van de concurrent meegenomen tijdens een ThermIQ zakenreis en heeft hierdoor het potentiele contract met mr. [persoon C] c.s., dus feitelijk de BV ThermIQ China, in gevaar gebracht.

(…)

Evert geeft aan niet verder te willen met [persoon B] en [persoon A] sluit zich hierbij aan.

(…)”

2.10.

In de periode maart 2018 tot en met augustus 2018 is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [eiseres] onderhandeld over de verkoop van de aandelen van [eiseres] in de vennootschap. In augustus 2018 hebben partijen hierover overeenstemming bereikt. [persoon A] bericht bij e-mail van 31 augustus 2018 aan de notaris, de heer [naam notaris] van JHD Notarissen te Zoetermeer, voor zover van belang het volgende:

“(…)

Na onderhandeling tussen partijen is besloten dat dhr. [persoon B] van [naam bedrijf] zijn (200) aandelen welke hij bezit in Thermiq China BV aan de partijen

Dhr. [gedaagde 2]

[gedaagde 1]

wenst terug te verkopen tegen € 50.000,-- dwz per koper € 25.000,-- voor 100 aandelen.

kunt u daarvoor de voorbereidende werkzaamheden verrichten zodat we deze overdracht kunnen realiseren?

(…)”

2.11.

De notaris heeft bij e-mail van 10 september 2018 aan [persoon A] ter beoordeling een concept-akte aandelenoverdracht, een volmacht verkoop [eiseres] , een volmacht koop [eiseres] , volmacht koop [gedaagde 2] , volmacht erkenning Thermiq China en een verklaring afstand ten behoeve van [gedaagde 3] toegestuurd. In dit e-mailbericht geeft de notaris ook te kennen dat [gedaagde 3] als mede-aandeelhouder dient in te stemmen met de voorgenomen aandelentransactie in verband met de blokkeringsregeling.

2.12.

De levering van de aandelen is een aantal keer aangehouden, waardoor de aandelen eind 2019 nog niet waren geleverd. Bij e-mailbericht van 17 december 2019 bericht mr. Hoekstra, namens [eiseres] , aan [persoon A] en [gedaagde 2] , voor zover van belang, het volgende:

“(…)

[naam bedrijf] heeft mij verzocht om de voorgenomen aandelenlevering (in het verlengde van de verleden jaar tussen u en cliënte overeengekomen koop en verkoop van de door cliënte gehouden aandelen in ThermIQ China BV) alsnog te effectueren.

(…)

Op grond van het voorgaande verzoek ik beide kopers om mij ieder voor zich binnen 4 dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat alsnog voor het einde van het jaar uitvoering zal worden gegeven aan de kopers-verplichtingen uit de koopovereenkomst en dat in dat kader zal worden meegewerkt aan de levering, zoals hiervoor omschreven. Gelieve de notaris daarbij telkens in te kopiëren, met daarbij het verzoek aan de notaris om de levering alsnog althans opnieuw te faciliteren en te begeleiden.

(…)”

2.13.

Op 30 december 2019 mailt [persoon A] , ook namens [gedaagde 2] , het volgende aan mr. Hoekstra:

“(…)

Wij hebben moeten vaststellen dat uw client onze bedrijfsnaam “Thermiq” alsnog heeft geregistreerd in China op het adres van zijn Vennootschap in Shanghai en sterker nog, wij troffen zijn foto’s tezamen met de ceo van de grootste concurrent van thermiq, )aan in een folder van een voormalige agent van ons bedrijf in Bao Ding.

U, en uw client zullen begrijpen dat deze zaken een mogelijke overname van zijn aandelen volledig blokkeren en wij zien graag een passend voorstelen van u en/of uw client tegemoet.

(…)”

2.14.

Bij e-mail van 4 januari 2020 heeft mr. Hoekstra aan [persoon A] en [gedaagde 2] bericht dat [eiseres] niet met een nader aangepast voorstel zal komen en dat [eiseres] nakoming wenst van wat eerder tussen partijen is overeengekomen. [persoon A] en [gedaagde 2] zijn door mr. Hoekstra gesommeerd om alsnog mee te werken aan de aandelenoverdracht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet aan deze sommatie voldaan.

2.15.

[eiseres] is daartoe een kort geding procedure gestart. De mondelinge behandeling stond gepland op 20 februari 2020. Deze procedure is door [eiseres] ingetrokken omdat partijen in onderhandeling waren. Deze onderhandelingen zijn op niets uitgelopen waardoor [eiseres] onderhavig kort geding heeft opgestart.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen zeven dagen na dit vonnis over te gaan tot koop, levering en afname van de door [eiseres] gehouden aandelen 401 tot en met 500 in het kapitaal van de vennootschap, zulks tegen een koopprijs van € 25.000,00 en om in dat verband op eerste afroep van [eiseres] en/of de notaris voor deze notaris te verschijnen, teneinde medewerking te verlenen aan het passeren van de daartoe opgestelde akte en [gedaagde 1] daarbij te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 25.000,00 aan [eiseres] bij gelegenheid van de overdracht als koopprijs voor de aandelen;

  2. [gedaagde 2] te veroordelen om binnen zeven dagen na dit vonnis over te gaan tot koop, levering en afname van de door [eiseres] gehouden aandelen 701 tot en met 800 in het kapitaal van de vennootschap, zulks tegen een koopprijs van € 25.000,00 en om in dat verband op eerste afroep van [eiseres] en/of de notaris voor deze notaris te verschijnen, teneinde medewerking te verlenen aan het passeren van de daartoe opgestelde akte en [gedaagde 2] daarbij te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 25.000,00 aan [eiseres] bij gelegenheid van de overdracht als koopprijs voor de aandelen;

  3. [gedaagde 3] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat voorgaande aandelenoverdracht plaatsvindt, waarbij [gedaagde 3] geen rechten en aanspraken kan ontlenen aan haar positie als mede-aandeelhouder en/of eventuele blokkeringsregelingen, en [gedaagde 3] in dat verband mede te veroordelen om medewerking te verlenen aan de levering en overdracht van de aandelen, zoals onder 1 en 2 omgeschreven en [gedaagde 3] in dat verband mede te veroordelen om op eerste afroep van [eiseres] en/of de notaris voor deze notaris te verschijnen, teneinde medewerking te verlenen aan het passeren van de daartoe opgestelde akte en [gedaagde 3] daarbij mede te veroordelen tot het ondertekenen van de zogenaamde ‘verklaring van afstand’ bij gelegenheid van de overdracht;

  4. te bepalen dat [gedaagde 1] c.s. gehouden is tot voorgaande aandelenoverdracht en dat dit vonnis in de plaats treedt, althans dezelfde kracht heeft, als de akte zoals onder 1 en 2 en de verklaring van afstand zoals onder 3 bedoeld, dan wel [eiseres] te machtigen alle handelingen te verrichten die nodig blijken te zijn voor de aandelenoverdracht, meer subsidiair [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om medewerking te verlenen aan de levering en overdracht van de aandelen;

  5. dit alles op straffe en verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of gedeelte daarvan;

  6. te bepalen dat de kosten verbonden aan de overdracht voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] komen en hen daarin hoofdelijk te veroordelen.

Overig (primair en subsidiair):

7. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.275,00 aan [eiseres] te voldoen;

8. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden tot nakoming van de overeenkomst. Vanaf begin 2018 speelden de merken- en concurrentiekwestie al. Partijen hebben echter daarna, in augustus 2018, overeenstemming bereikt over de aandelenoverdracht. Daarbij is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van deze kwesties. Ook nadien is hier niets over opgemerkt. Door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is steeds te kennen gegeven dat de transactie zou worden nagekomen. Dat [gedaagde 1] c.s. zich nu op het standpunt stellen dat zij om die reden niet gehouden zijn tot nakoming van de overeenkomst is een poging om de overdracht te frustreren, dan wel om een lagere prijs te hoeven betalen voor de aandelen. [eiseres] stelt daarnaast dat zij niet in concurrentie is getreden met de vennootschap. Het is juist [persoon A] geweest die samen met zijn zoon via zijn vennootschap, Thermiq Germany, is gaan samenwerken met de heer [persoon C] . [eiseres] heeft evenmin iets van doen met de merkregistratie. De merkregistratie in China is gedaan door de broer van [persoon B] . [persoon B] had daar niets mee te maken en was daarbij niet betrokken. [eiseres] heeft bovendien een spoedeisend belang bij het gevorderde nu zij geen inzicht heeft op het reilen en zeilen van de vennootschap. Daarnaast loopt [eiseres] een financieel risico nu de vennootschap volgens [gedaagde 1] c.s. op ‘omvallen staat’.

3.3.

[gedaagde 1] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. [gedaagde 1] c.s. voeren daartoe aan dat de overeenkomst is vernietigd wegens bedrog en dwaling. Het was [persoon B] duidelijk dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet wilden dat hij nog langer zou samenwerken met Degree-n. [persoon B] heeft daarnaast toegezegd dat hij de inschrijving van de naam ThermIQ op zijn eigen vennootschap in China zou beëindigen. [persoon B] is echter nooit voornemens geweest de samenwerking met Degree-n te staken en heeft evenmin de inschrijving verwijderd. Deze handelswijze van [persoon B] is aan te merken als bedrog. Daarnaast was er sprake van dwaling aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het aangaan van de overeenkomst. [persoon B] is blijven samenwerken met Degree-n, heeft verzwegen dat hij betrokken was bij het op de markt brengen van een namaakproduct en heeft zijn mededelingsplicht geschonden door niet te melden dat zijn activiteiten de belangen van de vennootschap ernstig schaden. Bij een juiste voorstelling van zaken zouden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de overeenkomst niet hebben gesloten. De vorderingen dienen daarnaast te worden afgewezen omdat [gedaagde 3] geen medewerking verleent voor de aandelenoverdracht. Zonder medewerking van [gedaagde 3] kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de aandelen niet leveren aan [eiseres] . Voor zover wordt geoordeeld dat de overeenkomst in stand is gebleven beroepen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op een recht van opschorting aangezien [eiseres] zich niet aan de afspraken heeft gehouden. Bovendien zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden worden aan de afspraak om de aandelen voor € 25.000,00 over te nemen. Door het handelen van [persoon B] zijn de aandelen immers waardeloos geworden. [eiseres] heeft daarnaast geen spoedeisend belang bij het gevorderde. De besprekingen over de aandelenoverdracht vonden plaats in augustus 2018 en inmiddels zijn er 20 maanden verstreken. [eiseres] heeft de voortgang van de zaak voorts zelf vertraagd. Door haar toedoen ging de zitting van 20 februari 2020 niet door en is er lang gewacht met het aanvragen van een nieuwe zittingsdatum.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiseres] strekken tot nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen van [eiseres] in de vennootschap. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onder meer gesteld dat zij niet tot nakoming kunnen worden gehouden omdat zij de koopovereenkomst rechtsgeldig hebben vernietigd.

4.2.

In kort geding dient te worden beoordeeld of het in zodanige hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen dat het verantwoord is daar bij wijze van voorziening bij voorraad op vooruit te lopen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] alleen kunnen worden toegewezen indien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn tot nakoming van de koopovereenkomst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ontbreekt en overweegt daartoe als volgt.

4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat zij zijn bedrogen door [eiseres] en dat zij hebben gedwaald bij van het sluiten van de overeenkomst. Zij voeren daartoe aan dat het [persoon B] duidelijk was dat zij niet wilden dat [persoon B] nog langer zou samenwerken met Degree-n. Door [persoon B] is bevestigd dat hij deze samenwerking zou beëindigen. Dit heeft hij echter nooit gedaan. Daarnaast is gebleken dat [persoon B] betrokken is (geweest) bij activiteiten waarbij ten onrechte naam- en merkuitingen van ThermIQ zijn gebruikt. Bovendien heeft [persoon B] toegezegd dat hij de inschrijving van de naam ThermIQ op het adres van zijn eigen vennootschap in China zou beëindigen. Ook dit heeft [persoon B] nagelaten. Bij een juiste voorstelling van zaken zouden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de overeenkomst niet hebben gesloten.

4.4.

Door [eiseres] is hiertegenover gesteld de inschrijving van de naam ThermIQ in het Chinese handelsregister, alsmede de merkenkwestie bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bekend waren voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dit genoegzaam uit de door [eiseres] overgelegde notulen van de aandeelhoudersvergadering van 14 februari 2018. Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vormden dit kennelijk geen beletsel om in augustus 2018 ongeclausuleerd en onvoorwaardelijk een koopovereenkomst te sluiten met betrekking tot de aandelen. Dat sprake is van bedrog en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gedwaald bij het sluiten van de overeenkomst is daarom op voorhand niet aannemelijk. De voorzieningenrechter gaat om die reden aan deze verweren voorbij.

4.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich, mocht geoordeeld worden dat de overeenkomst in stand is gebleven, beroepen op hun recht om hun betalingsverplichting op te schorten. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde stukken blijkt dat de distributeur, de heer [persoon C] , waar de vennootschap en haar Chinese dochtervennootschap exclusief mee samen werkten, producten van de vennootschap heeft nagebootst en onder dezelfde naam op de Chinese markt heeft gebracht. [persoon A] heeft zich bij een bezoek aan [persoon C] een folder toegeëigend, waaruit blijkt dat [persoon C] producten van de vennootschap heeft nagebootst en deze producten verkoopt terwijl deze concurreren met de producten van ThermIQ. In de folder worden ten onrechte naam- en merkuitingen van ThermIQ gebruikt. Op de binnenzijde van de folder staat een foto van [persoon B] met de directeur van Degree-n. De stelling van [gedaagde 1] c.s. dat [persoon B] betrokken was bij deze activiteiten en dat dat door het handelen van [persoon B] de vennootschap aanzienlijke schade heeft geleden is niet door [eiseres] (gemotiveerd) betwist. Door [eiseres] is evenmin betwist dat de samenwerking met Degree-n, ondanks een eerdere toezegging daartoe van [persoon B] , niet is beëindigd. Ook staat de naam ThermIQ nog steeds ingeschreven in het Chinese handelsregister op het adres van de vennootschap van [persoon B] in China. Dat de broer van [persoon B] daarvoor verantwoordelijk zou zijn, zoals door [eiseres] gesteld, is onvoldoende onderbouwd en doet daar ook niets aan af. In het licht van al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gedragingen van [persoon B] na het sluiten van de koopovereenkomst van zodanige aard zijn dat bepaald niet uitgesloten kan worden geacht dat door het handelen van [persoon B] de vennootschap aanzienlijke schade lijdt, waardoor ook de betreffende participerende aandeelhouders hun belangen zien verwateren. Niet uit te sluiten valt dat zij hun schade op [eiseres] kunnen verhalen. Voorts is van belang dat [persoon B] enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is en zijn handelingen aan [eiseres] kunnen worden toegerekend.

4.6.

Het voorgaande leidt tot het voorlopige oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder de gegeven omstandigheden terecht een beroep hebben gedaan op hun opschortingsrecht, waardoor de aannemelijkheid dat de vorderingen van [eiseres] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen ontbreekt. De voorzieningenrechter neemt voorts in aanmerking dat van een spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres] onvoldoende is gebleken. Niet valt in te zien waarom [eiseres] een bodemprocedure niet zou kunnen afwachten. Derhalve komen de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking en behoeft op de overige verweren van [gedaagde 1] c.s. niet te worden ingegaan.

4.7.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 3.022,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] tot op heden begroot op € 3.022,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.

2180/676