Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13092

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
8792940 VZ VERZ 20-18022
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer. Einde tijdelijke arbeidsovereenkomst door niet verlengen werkgever. Transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8792940 VZ VERZ 20-18022

uitspraak: 28 december 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.W. Koevoets, FNV Horecabond,

tegen

[verweerster] h.o.d.n. [naam horecagelegenheid] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster,

procederend zonder gemachtigde.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ontvangen op 30 september 2020;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de spreekaantekeningen van [verweerster] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2020 plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. M. van de Loo, in verband met verhindering van mr. Koevoets. [verweerster] is in persoon verschenen, vergezeld van [naam persoon] . Tijdens deze skypezitting heeft [verweerster] spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.

1.3

De datum voor de uitspraak van deze beschikking is nader bepaald op heden.

2. De feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[verweerster] is eigenaar van [naam horecagelegenheid] (hierna ‘ [naam horecagelegenheid] ’).

2.2

[verzoeker] is per 1 april 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van zes maanden, in dienst getreden bij [verweerster] , in de functie van kok. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 2.275,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.3

Per brief van 12 mei 2020 heeft [verweerster] aan [verzoeker] , voor zover van belang, het volgende meegedeeld:
“Zoals reeds bij u bekend zal uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet worden

verlengd. Dit betekent dat uw arbeidsovereenkomst per 30 juni 2020 van rechtswege

eindigt.”
2.4 De arbeidsovereenkomst is per 30 juni 2020 geëindigd.

3. Het verzoek van [verzoeker] en de reactie van [verweerster]

3.1

[verzoeker] heeft verzocht (na vermindering van eis) - samengevat - [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding van € 2.109,17 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en tot verstrekking van met verstrekking van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten en de nakosten.

3.2

[verzoeker] legt aan zijn verzoek, kort gezegd, ten grondslag nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft recht op de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Omdat de transitievergoeding niet is betaald maakt [verzoeker] aanspraak op de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. Omdat [verzoeker] genoodzaakt was zijn vordering uit handen te geven maakt hij ook aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW.

3.3

[verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen recht op de transitievergoeding. Primair omdat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst zelf heeft beëindigd en subsidiair omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verzoeker] .

3.4

Op de standpunten van partijen wordt hierna - voor zover voor de beoordeling relevant - nader ingegaan.

4. De beoordeling

Transitievergoeding

4.1

[verweerster] heeft bij brief van 12 mei 2020 aan [verzoeker] medegedeeld dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst per 30 juni 2020 zal eindigen. Als gevolg hiervan is [verweerster] op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 3 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) in beginsel een transitievergoeding aan [verzoeker] verschuldigd.

4.2

Het primaire verweer van [verweerster] dat [verzoeker] na de aanzegging door [verweerster] zelf de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, wordt verworpen. Voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst door een werknemer is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting die gericht is op definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst vereist. De werknemer moet zich bovendien bewust zijn van de gevolgen die een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou kunnen hebben. Van een opzeggingshandeling door [verzoeker] is geen sprake geweest. De enkele omstandigheid
dat [verzoeker] , tijdens zijn dienstverband met [verweerster] , na de aanzeggingsbrief van 12 mei 2020 van [verweerster] , al enkele dagen elders (al dan niet betaald) werk heeft verricht, kan niet worden opgevat als een opzegging van de arbeidsovereenkomst door hem.

4.3

Het subsidiaire verweer dat [verzoeker] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding omdat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 aanhef, onder c BW, wordt eveneens verworpen. De wetgever heeft voor ogen gestaan dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden en dat niet snel mag worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake.

4.4

[verweerster] stelt weliswaar dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , maar heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. De aanzeggingsbrief van 12 mei 2020 vermeldt immers geen reden voor het besluit om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet te verlengen. Ook overigens heeft [verweerster] geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat voor [verzoeker] duidelijk is geweest dat zijn arbeidsovereenkomst niet werd verlengd vanwege ernstig verwijtbaar handelen. Daar komt nog bij dat gedragingen waarvoor [verzoeker] in maart 2020 een officiële waarschuwing heeft gekregen, ook indien deze zouden vaststaan, vanwege de hoge lat die hiervoor wordt aangelegd niet zijn aan te merken als ernstig verwijtbaar.

4.5

De omstandigheid dat [verzoeker] in juni 2020 enkele dagen - al dan niet betaald - elders heeft gewerkt, leidt evenmin tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen door [verzoeker] . Deze omstandigheden hebben plaatsgevonden ruim na de aanzegging dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen en zijn dus alleen al daarom niet de reden geweest om de arbeidsovereenkomst te laten eindigen. Los daarvan kwalificeren de gedragingen niet als ernstig verwijtbaar. Op zichzelf is juist dat [verzoeker] als goed werknemer aan [verweerster] toestemming had moeten vragen om nog tijdens zijn dienstverband elders - al dan niet bij wijze van proef - mee te lopen of te werken, maar dat hij dit heeft nagelaten is in de gegeven omstandigheden niet ernstig verwijtbaar. Vast staat dat [verzoeker] zich in maart 2020 vanwege een arbeidsconflict heeft ziek gemeld. Als onweersproken staat voorts vast dat de verstandhouding nadien erg is verslechterd en dat hij door de arbo-arts niet in staat werd geacht om voor [verweerster] te werken. Het kan [verzoeker] in deze omstandigheden niet worden verweten dat hij, in de wetenschap dat zijn arbeidsovereenkomst op korte termijn zou eindigen, zich alvast is gaan oriënteren op een andere baan en in dat kader enkele dagen elders heeft meegelopen of gewerkt. Daarbij neemt de kantonrechter nog in aanmerking dat [verweerster] ter zitting heeft verklaard dat zij [verzoeker] , indien hij hierom had gevraagd, ook de ruimte zou hebben geboden om tijdens zijn dienstverband sollicitatieactiviteiten te verrichten.

4.6

Omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen door [verzoeker] , heeft hij recht op de transitievergoeding. [verweerster] heeft het door [verzoeker] gevorderde bedrag aan transitievergoeding niet betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.7

De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van de transitievergoeding is toewijsbaar vanaf de datum van opeisbaarheid.

Verstrekken afschrift arbeidsovereenkomsten

4.8

Omdat [verzoeker] ter zitting heeft verklaard dat hij de gevorderde afschriften van arbeidsovereenkomsten inmiddels heeft ontvangen, wordt dit deel van de vordering vanwege gebrek aan belang afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.9

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal worden afgewezen. Niet gesteld is dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kosten waarvan [verzoeker] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding te bevatten.

Proceskosten

4.10

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te voldoen een bedrag van € 2.109,17 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de datum van volledige voldoening;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [verzoeker] begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 360,- (2 punten maal € 180,-) aan salaris voor de gemachtigde van [verzoeker] en indien [verweerster] niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking vrijwillig aan de beschikking heeft voldaan, begroot op € 90,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

wijst af het méér of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650