Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13090

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/601498 / KG ZA 20-693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, opheffen beslag. Vordering afgewezen, op voorhand niet aannemelijk dat sprake is van schending art. 21 Rv en misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/601498 / KG ZA 20-693

Vonnis in kort geding van 4 september 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de Republiek Chili

EXPORTADORA BEST BERRY CHILE S.A.,

gevestigd te Los Angeles, Chili,

eiseres,

advocaat mr. J.A.A. van de Ven te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van de Republiek Chili

ALLFRESH EXPORTACIONES LIMITADA,

gevestigd te Las Condas, Santiago, Chili,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Borsboom te Rotterdam.

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALLFRESH INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Borsboom te Rotterdam.

3. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna Best Berry, AEL, Allfresh en Rabobank genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 augustus 2020, met producties;

  • -

    de brief van mr. Borsboom van 20 augustus 2020, met producties;

  • -

    het faxbericht van mr. Borsboom van 20 augustus 2020, met een aanvullende productie;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 21 augustus 2020;

  • -

    de pleitnota van mr. Van de Ven;

  • -

    de pleitnota van mr. Borsboom.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Best Berry is een Chileense onderneming die zich bezig houdt met de export van vers fruit en voornamelijk van blauwe bessen.

2.2.

Allfresh is een in Nederland gevestigde importeur van vers fruit. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder van Allfresh. Hij is tevens bestuurder van AEL.

2.3.

Medio 2014 hebben Best Berry en AEL een schriftelijke overeenkomst gesloten, op grond waarvan AEL de bessen van Best Berry over de hele wereld verkocht. AEL werkte op bemiddelingsbasis, zij legde contact met haar klanten en stelde transacties voor aan Best Berry. Voor haar diensten ontving zij een commissievergoeding. Best Berry factureerde rechtstreeks aan de klanten.

2.4.

In 2016 zijn Best Berry en Allfresh een handelsrelatie met elkaar aangegaan voor de verkoop van bessen in Europa. Deze relatie was gebaseerd op een mondelinge overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst verkocht Best Berry bessen aan Allfresh en verkocht Allfresh het fruit op eigen naam door aan klanten in Europa. Zij bepaalde zelf aan welke klanten en tegen welke prijs het fruit werd verkocht. Allfresh deelde geen klantinformatie met Best Berry, alleen over marktinformatie werd gecommuniceerd. Allfresh factureerde rechtstreeks aan de klanten en ontving de verkoopopbrengst. Zij presenteerde de opbrengst in een account of sale aan Best Berry. Vervolgens werd de inkoopprijs bepaald en deze werd door Best Berry aan Allfresh gefactureerd.

2.5.

In mei 2018 zijn de handelsrelaties tussen Best Berry en Allfresh en tussen Best Berry en AEL beëindigd. Vervolgens zijn in Chili en in Nederland verschillende gerechtelijke procedures gestart. AEL heeft Best Berry in Chili gedagvaard in procedures voor twee verschillende rechtbanken, een in Los Angeles en de andere in Santiago. In Nederland heeft Best Berry Allfresh gedagvaard voor de Rechtbank Den Haag voor een vordering wegens onbetaalde facturen.

2.6.

Na een mondelinge behandeling op 26 november 2018 heeft de voorzieningen-rechter in de rechtbank Den Haag Allfresh bij vonnis van 10 december 2018 veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 175.000,00 op het door Best Berry gevorderde bedrag van € 517.174,00. In de daarop volgende bodemprocedure is Allfresh, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 31 juli 2019, veroordeeld tot betaling van € 539.174,04, vermeerderd met de proceskosten. Allfresh heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

2.7.

In de procedure die AEL in Los Angeles tegen Best Berry aanhangig heeft gemaakt vordert zij betaling van (achterstallige) commissie. Bij vonnis van 3 maart 2019 heeft de rechtbank in Los Angeles de vordering van AEL toegewezen en Best Berry veroordeeld tot betaling van omgerekend € 178.472,00 aan AEL. Best Berry is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan.

2.8.

De procedure die AEL in Santiago tegen Best Berry aanhangig heeft gemaakt, betreft een vordering uit onrechtmatige daad, meer in het bijzonder algemene en bijzondere ‘oneerlijke concurrentie’ als bedoeld in de Chileense Wet 20.169. AEL vordert daarin schadevergoeding wegens (i) benadeling van omgerekend € 978.222,00, (ii) gederfde winst van omgerekend € 3.920.081,00 en (iii) reputatieschade van omgerekend € 658.728,00. De rechtbank in Santiago heeft de vorderingen bij vonnis van 29 mei 2019 afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (conform de overgelegde vertaling):

“Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat beide partijen op verschillende plekken in de fruitmarkt opereerden en daar verschillende rollen hadden, aangezien zij elk werkzaam waren in een andere fase van het productieproces dat tussen de producent en de eindgebruiker ligt, waardoor zij in strikte zin moeilijk kunnen worden beschouwd als concurrenten. Het voorstaande is afdoende om de voorliggende rechtshandeling terzijde te leggen voor wat betreft de overtreding die voorzien wordt in artikel 4 letter f van Wet 20.169 betreffende oneerlijke concurrentie.”

- en -

“In deze zin kan op basis van de bestudering van het bewijs dat in deze zaak geleverd is niet worden geconcludeerd dat de eisende partij heeft aangetoond dat sprake is van contracten met de vermeende cliënten die mogelijkerwijs onderwerp zouden kunnen zijn geweest van de omschreven handeling., waarbij deze cliënten zouden worden weggehaald, en het is al helemaal niet mogelijk vast te stellen dat er sprake zou zijn geweest van exclusieve contracten die de genoemde cliënten op onvermijdelijke wijze zouden binden aan de eisende partij.”

2.9.

AEL heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van Santiago.

2.10.

AEL heeft op 5 december 2018 aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om ter zekerheid van haar vorderingen (zoals opgevoerd in de procedures in Los Angeles en Santiago) ten laste van Best Berry conservatoir beslag te mogen leggen onder Allfresh en wel op alle gelden, vorderingen, geldswaarden en/of roerende zaken die Allfresh van Best Berry onder zich heeft, zal verkrijgen of verschuldigd is uit hoofde van een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding. De voorzieningenrechter heeft op

5 december 2019 verlof verleend en de vorderingen van AEL begroot op € 6.600.000,00. Vervolgens is het beslag gelegd.

3. Het geschil

3.1.

Best Berry vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Primair: de conservatoire beslagen die door of namens AEL zijn gelegd op grond van het op 5 december 2018 door de Rechtbank Rotterdam verleende verlof op te heffen;

  2. Allfresh en Rabobank te bevelen te gehengen en te gedogen dat de onder hen gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven;

  3. Subsidiair: AEL binnen acht dagen na betekening van dit vonnis zekerheid te laten stellen voor het onder Allfresh gelegde conservatoire beslag in de vorm van een bankgarantie afgegeven door een in Nederland gevestigde bank, bij gebreke waarvan het betreffende conservatoire beslag onmiddellijk zal zijn opgeheven;

  4. AEL te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente indien niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de veroordeling is voldaan.

3.2.

Best Berry legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

Het beslag moet worden opgeheven omdat AEL de voorzieningenrechter in het beslagrekest van 5 december 2018 onjuist heeft voorgelicht. AEL heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Best Berry schadeplichtig is wegens het stelen van haar klanten in, onder meer, Europa. Allfresh heeft datzelfde standpunt in eerste aanleg bij de Rechtbank Den Haag en in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag ingenomen. AEL heeft in het beslagrekest verzwegen dat ter zake van de schade die zij claimt al wordt geprocedeerd door Allfresh in Nederland. Daarnaast is van belang dat AEL al jaren geen zaken meer doet met Best Berry voor zover het fruit voor de Europese markt betreft, daarvoor is Allfresh de wederpartij van Best Berry.

AEL heeft de voorzieningenerchter voorts misleid op het punt van de opzegging van de overeenkomst. Anders dan AEL stelt, was het de directeur van AEL die het initiatief nam voor beëindiging van de commerciële relatie met Best Berry.

Het door AEL ingeroepen recht is ondeugdelijk. Dat blijkt uit het vonnis van de rechtbank in Santiago. AEL is er niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van (exclusieve) leveringsovereenkomsten met klanten in Azië, Amerika en Europa. Het is dan ook feitelijk en rechtens onjuist dat Best Berry klanten van AEL heeft gestolen.

Het belang van Best Berry bij opheffing van het beslag weegt zwaarder dan het belang van AEL bij handhaving daarvan. Door het beslag wordt het commerciële proces van Best Berry ontregeld. AEL heeft namelijk ook conservatoir derdenbelag laten leggen bij de logistiek dienstverlener van Best Berry in Europa. Door in te zetten op conservatoire beslaglegging van uiterst bederfelijk fruit wordt het bedrijf van Best Berry in de kern geraakt. Ten gevolge hiervan kan Best Berry haar klanten niet meer beleveren en geen betalingen meer incasseren, waardoor haar werkkapitaal en liquiditeit opdrogen.

3.3.

AEL en Allfresh concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Best Berry in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Best Berry in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

AEL heeft de voorzieningenrechter niet feitelijk onjuist of misleidend voorgelicht in het beslagrekest van 5 december 2018. Best Berry doet het ten onrechte voorkomen alsof AEL in Chili en Allfresh in Den Haag vergoeding vorderen van dezelfde schade. AEL heeft na de oprichting van Allfresh nog wel zaken gedaan met Europese klanten en Best Berry heeft zich ook jegens AEL schuldig gemaakt aan oneerlijke concurrentie. Voorts heeft Best Berry in 2018 gesteld dat de samenwerking met AEL en Allfresh door haar zelf is beëindigd. Dat dit kwam door de slechte prestaties van Allfresh is niet op de feiten gebaseerd. Wanneer het e-mailbericht van de directeur van AEL van 14 mei 2018 wordt opgevat als een opzegging dan is Best Berry schadeplichtig omdat zij AEL en Allfresh een gewichtige en dringende reden heeft gegeven voor de opzegging bestaande in de slechte kwaliteit van het geleverde fruit.

Het door AEL ingeroepen recht is niet ondeugdelijk. Haar vordering € 178.000,00 is door de rechtbank in Los Angeles toegewezen. Best Berry heeft hier nog niets van betaald. Het beslag dat door AEL in Chili is gelegd is niet voldoende om de vordering van AEL te voldoen. Dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is omdat de rechtbank in Santiago de andere vordering van AEL heeft afgewezen is niet juist. AEL heeft immers hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Een belangenafweging dient niet tot opheffing van het beslag te leiden. Best Berry doet nog steeds volop zaken in Nederland en elders in Europa. Zij doet dat inmiddels via Volcan Fruits, een Chileense vennootschap met hetzelfde bestuur als Best Berry. De vordering jegens Allfresh om de opheffing van het beslag te gehengen en te gedogen moet worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

Ten slotte kan toewijzing van de subsidiaire vordering van Best Berry slechts aan de orde zijn wanneer Best Berry zekerheid stelt voor de vorderingen van AEL. De zekerheidsstelling van AEL heeft dan betrekking op de door Best Berry te maken kosten om zekerheid te stellen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verstekverlening ten aanzien van Rabobank

4.1.

Namens Rabobank is niemand verschenen. Bij dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen Rabobank verstek wordt verleend. Nu AEL en Allfresh wel in de procedure zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

Het spoedeisend belang

4.2.

Artikel 705 lid 1 Rv biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Hoewel een spoedeisend belang uit de aard van de vordering voortvloeit, is een spoedeisend belang daarbij strikt genomen niet vereist. In zoverre is artikel 705 Rv een lex specialis van artikel 254 Rv.

De bevoegdheid

4.3.

Artikel 705 lid 1 Rv waarborgt dat, als eenmaal verlof tot beslag is gegeven, er ook steeds een (Nederlandse) rechter bevoegd is over een vordering tot opheffing van het beslag te oordelen. De in die bepaling aan de voorzieningenrechter die verlof tot beslag heeft gegeven toegekende bevoegdheid het beslag in kort geding op te heffen, is geen uitsluitende bevoegdheid in kort geding, maar een aanvullende bevoegdheid naast die welke uit artikel 254 Rv, in combinatie met artikel 99 Rv, voortvloeit. De beslagene die een vordering tot opheffing van een beslag wenst in te stellen, kan terecht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die het beslagverlof heeft verleend (in dit geval: Rotterdam). De voorzieningenrechter van deze rechtbank is dan ook bevoegd van de onderhavige vordering tot opheffing van het beslag kennis te nemen.

Het materiële toetsingskader

4.4.

De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 705 Rv een conservatoir beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. De opheffing wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kortgedingrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

Ten aanzien van de vordering onder 1

4.5.

Best Berry vordert om de conservatoire beslagen die door of namens AEL zijn gelegd op grond van het op 5 december 2018 door de Rechtbank Rotterdam verleende verlof op te heffen. In het beslagrekest is slechts verlof gevraagd – en verleend – voor het leggen van (één) conservatoir beslag onder Allfresh, niet voor het leggen van een beslag onder Rabobank. Best Berry heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat AEL ook onder Rabobank conservatoir beslag heeft doen leggen. Wat daar verder van zij, de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft daarvoor op 5 december 2018 geen verlof verleend terwijl de vordering in dit kort geding is beperkt tot het beslag dat krachtens dat verlof is gelegd. Dat betekent dat – bij gebreke van een eiswijziging en onderbouwende stukken – de beoordeling hierna beperkt is tot het beslag onder Allfresh dat op grond van het verlof van 5 december 2018 is gelegd.

Onjuiste voorlichting - misleiding ten aanzien van de schade

4.6.

Artikel 21 Rv verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter – overeenkomstig het bepaalde in dit artikel – daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.7.

In haar beslagrekest van 5 december 2018 heeft AEL de door haar tegen Best Berry aanhangig gemaakte betalingsbevelprocedure – in Los Angeles – genoemd en daarvan stukken overgelegd. AEL heeft ook de in Santiago aanhangig gemaakte procedure genoemd en daarvan stukken geciteerd en bijgevoegd. AEL heeft voorts vermeld dat sprake is van een in Den Haag aanhangige bodemprocedure en een aanhangig kort geding waarin Allfresh zich beroept op opschorting ter verrekening. Allfresh en AEL zijn verschillende partijen zodat AEL (strikt genomen) niet gehouden was zich (verder) over de procedure van Allfresh, en de grondslagen voor het beroep op verrekening, uit te laten. Daar komt bij dat AEL en Allfresh betwisten dat zij in Chili, respectievelijk Nederland, dezelfde schade vorderen. Op die betwisting is Best Berry niet meer ingegaan. Gelet op het voorgaande is schending van artikel 21 Rv, op het punt van de schadevorderingen, niet aannemelijk.

Onjuiste voorlichting - misleiding ten aanzien van de opzegging

4.8.

In het beslagrekest van 5 december 2018 heeft AEL gesteld dat de zakelijke relatie tussen partijen is beëindigd op initiatief van Best Berry. Volgens Best Berry heeft AEL de voorzieningenrechter onjuist ingelicht omdat het juist AEL was die de zakelijke relatie tussen partijen heeft beëindigd. Best Berry beroept zich hiertoe op een e-mailbericht van de directeur van AEL van 14 mei 2018, waarin hij het volgende (vertaald in het Nederlands) aan de directeur van Best Berry schrijft:

“Ik accepteer dit niet [naam 2] . Nu beëindig ik de commerciële relatie. Ik jullie noemen me maar gek alsjeblieft.”

Volgens AEL ging de discussie tussen partijen niet alleen over niet betaalde commissies en wilde de directeur van AEL uiting geven aan zijn frustraties over de handelwijze van Best Berry dat achter de rug van AEL om de belangrijkste klant van AEL in de Verenigde Staten benaderde om rechtstreeks zaken te doen waarna die klant weigerde om AEL nog langer commissie te betalen. Wie de handelsrelatie heeft beëindigd en waarom kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld, nu Best Berry – in het licht van de door AEL gemotiveerde betwisting – heeft nagelaten om de door haar ingenomen stelling nader te concretiseren en te onderbouwen. Dat er meer speelde voorafgaand aan het e-mailbericht van de directeur van AEL kan niet zo maar worden uitgesloten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat niet kan worden gesproken van misleiding door AEL op het punt van de opzegging van de handelsrelatie tussen partijen zodat dit geen grond oplevert voor opheffing van het beslag.

De ondeugdelijkheid van de vordering

4.9.

Best Berry stelt zich op het standpunt dat het door AEL ingeroepen recht ondeugdelijk is omdat de rechtbank in Santiago de vorderingen van AEL heeft afgewezen en in haar vonnis van 29 mei 2019 heeft geoordeeld dat van oneerlijke concurrentie van Best Berry geen sprake is. AEL heeft hiertegen aangevoerd dat zij hoger beroep tegen het vonnis heeft ingesteld en dat de kans van slagen hiervan aanzienlijk is. Bovendien heeft de rechtbank in Los Angeles de vorderingen van AEL wel toegewezen.

4.10.

Op grond van vaste jurisprudentie dient de voorzieningenrechter, die over een voorlopige voorziening beslist nadat een rechter al een beslissing in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn vonnis daarop af te stemmen. Er kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dat beginsel, bijvoorbeeld wanneer de uitspraak van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht of indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. De afstemmingsregel is niet van toepassing indien de gevraagde voorziening strekt tot opheffing van een conservatoire maatregel en de uitspraak van de bodemrechter over de vordering over de vordering ter verzekering waarvan de conservatoire maatregel strekt, nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Van een dergelijke situatie is hier sprake. In zo’n geval moeten de belangen van partijen worden afgewogen, waarbij enerzijds in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag er naar zijn aard toe strekt te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn, en anderzijds de omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak al uitspraak heeft gedaan.

De vordering van AEL in Los Angeles is toegewezen en Best Berry heeft het door haar aan AEL verschuldigde bedrag van omgerekend € 178.000,00 (blijkbaar) nog niet voldaan. Dat betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat het ingeroepen recht van AEL summierlijk ondeugdelijk is. Dat er voldoende zekerheid is voor deze vordering door een beslag dat door AEL in Chili is gelegd – zoals Best Berry stelt – blijkt vooralsnog nergens uit. Er is geen informatie over dat beslag en meer in het bijzonder niet over de door het beslag geraakte objecten. Dat de vordering in de zaak in Santiago is afgewezen, maakt het hiervoor overwogene niet anders, gelet op het ontbreken aan informatie over de beslagen in Chili en, zoals hierna nog wordt besproken, de buitengewoon summiere informatie over de met het verlof van 5 december 2018 gelegde beslagen, die (bovendien) niet kleven tot het in Chili toegewezen bedrag. Dat niet vooruit kan worden gelopen op de uitkomst van het in Chili lopende hoger beroep is, in dit kort geding, dan verder zonder betekenis.

De belangenafweging

4.11.

Over de wederzijdse belangen wordt het volgende overwogen.

4.12.

Best Berry stelt in de dagvaarding dat zij door het beslag – waarbij AEL heeft ingezet op beslaglegging van uiterst bederfelijk fruit – in het hart van haar bedrijf wordt getroffen. Zij kan klanten niet meer beleveren, althans geen betalingen meer incasseren waardoor haar werkkapitaal en liquiditeit opdroogt.

Vooropgesteld zij dat Best Berry haar stellingen niet onderbouwt. Zij maakt in de dagvaarding ook niet concreet welk bedrag er door het (overigens niet repeterende) beslag onder Allfresh is geraakt. Daar komt bij dat AEL heeft aangevoerd dat Best Berry, via het bedfrijf Volcan Fruits, nog steeds volop zaken doet in Nederland en elders in Europa. Best Berry heeft ook dit onbesproken gelaten. Van een conservatoir beslag op bederflijk fruit, op verzoek van AEL, blijkt ook niets. Daarvoor is met het beslagrekest van 5 december 2018 ook geen verlof gevraagd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Best Berry nog wel een bedrag in euro’s en een bedrag in dollars genoemd, waarop beslag zou zijn gelegd. Van die beslagen ontbreken echter stukken terwijl de genoemde bedragen (€ 17.434,83 en $ 20.862) bovendien niet in de buurt komen van het bedrag van de veroordeling door de rechtbank in Los Angeles. Dat laatste levert een belang voor AEL bij handhaving van het beslag op.

Een afweging van de belangen valt dan in het voordeel van AEL uit. Haar belang is evident terwijl het belang van Best Berry bij opheffing onduidelijk is. Dat betekent dat de vordering die strekt tot opheffing van het conservatoire beslag wordt afgewezen.

Ten aanzien van de vordering onder 2

4.13.

Afwijzing van de vordering onder 1. betekent dat de vordering onder 2. ook wordt afgewezen. Nu de vordering tot opheffen van het beslag wordt afgewezen, valt er immers geen opheffing te gedogen. Of Best Berry bij een toewijzende beslissing onder 1. enig belang bij de vordering onder 2. zou hebben gehad – gelet op de gevorderde opheffing door de voorzieningenrechter –, kan dan onbesproken blijven. Opmerking verdient nog dat de vordering ten aanzien van de Rabobank in ieder geval niet toewijsbaar was, nu niets gesteld en bekend is over enig beslag dat onder Rabobank is gelegd.

Ten aanzien van de vordering onder 3

4.14.

Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen grond is voor zekerheidstelling door AEL.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Best Berry wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van AEL en Allfresh International worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

4.16.

De door AEL en Allfresh gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde, Rabobank,

5.2.

wijst de vorderingen af,

5.3.

veroordeelt Best Berry in de proceskosten, aan de zijde van AEL en Allfresh tot op heden begroot op € 1.636,00,

5.4.

veroordeelt Best Berry in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Best Berry niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020.

2180/2009