Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13082

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/591531 / KG ZA 20-149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, verdeling na echtscheiding. Vordering tot meewerken eigendomsoverdracht dierenpension conform echtscheidingsconvenant en ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591531 / KG ZA 20-149

Vonnis in kort geding van 26 maart 2020

in de zaak van

[naam eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Elmers te Brielle,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2]

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. G.J.J. van Dam-Lolkema te Rotterdam.

Partijen worden hierna [naam eiseres] , [naam gedaagde 1] en de bewindvoerder genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 februari 2020, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de eis in reconventie van 10 maart 2020, met producties 1 tot en met 5.

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 12 maart 2020;

  • -

    de pleitnotities van [naam eiseres] , met 3 producties;

  • -

    de pleitnotities van [naam gedaagde 1] ;

  • -

    de spreeknotitie van de bewindvoerder;

  • -

    het door mr. Van Dam-Lolkema ter zitting overgelegde uittreksel uit het Kadaster.

1.2.

Mr. Elmers heeft bij haar pleitnotities een drietal producties gevoegd. Mr. Van Dam-Lolkema heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat deze al langere tijd voor mr. Elmers beschikbaar waren. Hierop is ter zitting beslist dat het bezwaar van mr. Van Dam-Lolkema tegen de dagvaarding (productie 1) en het afschrift uit het Gemeenteblad 2020 nr. 44933 van 19 februari 2020 (productie 3) wordt gepasseerd. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat de stukken zeer laat zijn ingediend, acht de voorzieningenrechter indiening van deze producties niet in strijd met de goede procesorde nu mr. Van Dam-Lolkema met deze producties bekend wordt geacht. Het bezwaar van mr. Van Dam-Lolkema tegen productie 2 wordt gehonoreerd, nu zij daarover voor de mondelinge behandeling niet beschikte.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres] en [naam gedaagde 1] zijn op 19 juli 2002 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juni 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 23 september 2016 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.3.

Tot de ontbonden gemeenschap behoort de onroerende zaak bekend onder sectienummer [sectienummer 1] waarop het [naam pension] , is gevestigd aan de [adres] (hierna: het dierenpension). Op de onroerende zaak aan de [adres] is naast het dierenpension een woonhuis gesitueerd, bekend onder sectienummer [sectienummer 2] (hierna: het woonhuis), welke ook tot de ontbonden gemeenschap behoort.

2.4.

Bij beschikking van 21 maart 2017 van deze rechtbank is de verdeling van de tussen [naam eiseres] en [naam gedaagde 1] bestaande gemeenschap van goederen bepaald. [naam gedaagde 1] is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Bij arrest van het hof Den Haag van

1 augustus 2018 is bepaald dat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal zijn conform het door partijen gesloten convenant en addendum, dat aan het arrest is gevoegd.

2.5.

In het convenant staat, voor zover van belang, het volgende:

BOEDELSCHEIDING

Art. 1

Peildatum

De man heeft de echtelijke woning aan de [adres] op 5 augustus 2015 verlaten, zodat partijen de peildatum voor de waardebepaling en de verdeling van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende zaken bepalen op 5 augustus 2015.

Art. 2

Samenstellig van de huwelijksgoederengemeenschap

De huwelijksgoederengemeenschap van partijen omvat de navolgende activa en passiva.

activa

  1. echtelijke woning aan de [adres] ;

  2. eenmanszaak [naam pension] ” met erf, grond en toebehoren, gevestigd en gelegen aan de [adres] ;

  3. personenauto van het merk Kia, type Sorento;

  4. bedrijfsauto van het merk Nissan, type NV 200;

  5. stacaravan en toercaravan;

  6. racefiets;

  7. twee mountainbikes;

  8. kleding en lijfgoederen van de man respectievelijk van de vrouw;

  9. inboedelgoederen uit de echtelijke woning;

  10. twee levensverzekeringspolissen, afgesloten bij Legal & General Nederland, met de polisnummers [polisnummer 1] (ten gunst van de man) en [polisnummer 2] (ten gunste van de vrouw);

  11. saldi op diverse bankrekeningen:

I. zakelijke rekening-courant bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 1] ten name van [naam pension] ”:

II. betaalrekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 2] ten name van de man en/of de vrouw;

III. Opbouw Spaarrekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 3] ten name van de man en/of de vrouw;

12. de eventuele teruggaven van de Belastingdienst.

passiva

  1. aflossingsvrije hypothecaire geldlening (nr. [nummer 1] ) afgesloten bij de Rabobank ten name van partijen, met het saldo op 31 december 2014 van € 750.000,-- en de in 2014 te betalen rente van € 43.500,-- per jaar. Op 31 december 2015 is het saldo eveneens € 750.000,-- en de te betalen rente € 43.500,-- per jaar;

  2. hypothecaire geldlening (nr. [nummer 2] ) afgesloten bij de Rabobank ten name van het [naam pension] met het saldo op 31 december 2014 van € 34.166,93 en de te betalen rente van € 2.481,91 per jaar. Op 31 december 2015 is het saldo € 24.166,97 en de te betalen rente € 1.425,35 per jaar;

  3. hypothecaire geldlening, d.d. 30 december 2008, ten gunste van [naam 1] en [naam 2] zogenaamde minderjarige hypotheek) gevestigd op de echtelijke woning en het [naam pension] ” ten bedrage van € 86.233,79;

  4. “lening durfkapitaal” aangegaan op 25 april 2008 met [naam 3] en [naam 4] ten bedrage van € 105.000,--. Ingaande 1 mei 2011 werd deze schuld tot 1 mei 2016 (5 jaar) jaarlijks afgelost met 20.000,--. De stand op 1 augustus 2015 is € 84.500,--;

  5. rekening courant op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] bij de Rabobank, ten name van [naam pension] met de stand op 31 december 2014 van € 57.654,83, met de jaarlijkse rente van € 5.018,15. Op 31 december 2015 is de stand € 65.330,72 en de jaarlijkse rente € 5.162,68;

  6. lening op naam van [naam pension] onder nummer [nummer 3] , op 31 december 2014 is de stand € 287.300,-- en de jaarlijkse rente € 18.418,77. Op 31 december 2015 is de stand € 271.700,-- en de jaarlijkse rente € 13.492,56;

  7. de eventuele verschuldigde belasting of andere heffingen van de Belastingdienst.

(…)

Art. 5

De vrouw draagt er zorg voor, dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen.

De vrouw zal daartoe de hypothecaire geldleningen op haar doen stellen, dan wel een nieuwe hypotheek afsluiten, alles binnen 6 maanden na de ondertekening van het onderliggende convenant.

Het gestelde in de voorgaande alinea geldt niet voor de hypothecaire geldlening van € 86.233,799, ten gunste van de Rabobank en [naam 1] en [naam 2] .

De man dient er zorg voor te dragen, dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldlening.

De vrouw draagt er zorg voor, dat de man wordt ontslagen uit elke hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele schulden of garanties samenhangend met de voormalige echtelijke woning en de eenmanszaak “ [naam pension] ”.

Partijen zeggen elkaar toe mee te werken aan de noodzakelijke overdracht van het eigendomsrecht van de echtelijke woning aan de vrouw bij de notaris.

De kosten die samenhangen met deze notariële overdracht zullen door de vrouw worden betaald.

(…)”

2.6.

Aan [naam gedaagde 1] zijn alleen toegescheiden: de racefiets, de twee mountainbikes, zijn kleding en andere lijfgoederen en de levensverzekering ten gunste van hem. De overige activa en passiva zijn aan [naam eiseres] toegescheiden.

2.7.

[naam eiseres] exploiteert vanaf 2008 het dierenpension. Zij wil het dierenpension uitbreiden en daarbij een zorgproject starten voor begeleiding en dagbesteding voor jongeren met een beperking. Mede-initiatiefnemer van het project en tevens aannemer van de bouw van het nieuwe dierenpension is Woonwelzorg, een onderneming van [naam 5] (hierna: [naam 5] ). [naam eiseres] en [naam 5] waren bevriend met elkaar en met mevrouw [naam 6] (hierna: [naam 6] ).

2.8.

[naam eiseres] heeft [naam 6] omstreeks februari 2016 benaderd met het verzoek om te investeren in de uitbreiding van het dierenpension. [naam 6] heeft zich hiertoe bereid verklaard. Een derde zou zorgdragen voor de financiering van het zorgproject.

2.9.

Met [naam 6] is afgesproken dat [naam eiseres] een aparte vennootschap zou oprichten, [naam bedrijf] , en dat [naam eiseres] de grond waarop het dierenpension zou worden gebouwd aan [naam bedrijf] zou overdragen. [naam 6] zou ook een hypotheekrecht krijgen op het onroerend goed, als onderpand voor de door [naam 6] te verstrekken geldlening van € 1.200.000,00.

2.10.

[naam 6] heeft voor [naam eiseres] (en [naam bedrijf] ) in de periode vanaf omstreeks medio 2017 tot en met juni 2018 diverse facturen van de aannemer ( [naam 5] ) betaald: in totaal een bedrag van € 503.677,75.

2.11.

Op 17 juli 2018 hebben [naam eiseres] en [naam 6] een “Overeenkomst van hoofdelijke verbondenheid” gesloten waarin is overeengekomen dat [naam 6] nog een extra bedrag van € 100.000,00 als lening zal verstrekken aan [naam eiseres] en [naam bedrijf] .

2.12.

Bij brief van 24 juli 2018 heeft [naam eiseres] [naam 6] aangemaand tot betaling. [naam 6] heeft bij brief van 3 augustus 2018 het geleende geld inclusief rente opgeëist.

2.13.

[naam 6] heeft een bodemprocedure aangespannen waarin zij onder andere in conventie heeft gevorderd om [naam eiseres] te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 503.677,75. Bij vonnis van 4 december 2019 van deze rechtbank zijn de vorderingen van [naam 6] afgewezen. In reconventie is [naam 6] veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst tot geldlening, in die zin dat zij het nog resterende bedrag van de overeengekomen € 1.200.000,00 aan [naam eiseres] en [naam bedrijf] ter beschikking dient te stellen in de vorm van het betalen van de facturen voor de nieuwbouw van het dierenpension en dat zij – voor zover vereist – haar medewerking moet verlenen aan het vestigen van een recht van hypotheek op het onroerend goed.

2.14.

[naam 6] heeft zich na ontvangst van een daartoe strekkende (concept) kort geding dagvaarding bereid verklaard om het onder 2.13 genoemde uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis hangende het door haar ingestelde hoger beroep na te komen en de lening van € 1.200.000,00 te verstrekken onder vestiging van een recht van hypotheek. Hiertoe is eigendomsoverdracht van de roerende zaak van [naam gedaagde 1] aan [naam eiseres] noodzakelijk.

2.15.

[naam gedaagde 1] en de bewindvoerder hebben geen medewerking verleend aan de eigendomsoverdracht van de onroerende zaak. [naam gedaagde 1] is nog niet ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

3. Het geschil in conventie

3.1.

[naam eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

I. bepaalt dat [naam gedaagde 1] het arrest waarin het echtscheidingsconvenant is opgenomen dient na te komen, althans in eerste instantie gedeeltelijk na te komen, en bepaalt dat de bewindvoerder haar medewerking dient te geven aan de nakoming door [naam gedaagde 1] aan het bepaalde in het arrest en het tussen de partijen gesloten echtscheidingsconvenant, met de bepaling dat de bewindvoerder hiervoor de toestemming dient te vragen van de kantonrechter;

II. met de bepaling dat primair dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, waarin [naam gedaagde 1] , na medewerking van de bewindvoerder, volmacht geeft voor het notariële transport aan [naam eiseres] van de onroerende zaak waarop het dierenpension is gevestigd (sectienummer [sectienummer 1] ) aan de notaris, die zal zorgdragen voor het verlijden van de notariële transportakte;

III. met de bepaling dat subsidiair [naam gedaagde 1] en de bewindvoerder worden gelast om hun medewerking te verlenen aan alle (rechts)handelingen die benodigd zijn voor de levering aan [naam eiseres] van de onroerende zaak waarop het dierenpension is gevestigd (sectienummer [sectienummer 1] ), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [naam gedaagde 1] en de bewindvoerder na de betekening van dit vonnis weigeren toestemming te geven, dan wel hun medewerking te verlenen, aan de voor levering van de onroerende zaak benodigde (rechts)handelingen,

een en ander met veroordeling van [naam gedaagde 1] en de bewindvoerder in de werkelijke proceskosten, zijnde € 4.273,06.

3.2.

[naam eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [naam gedaagde 1] dient zijn medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van het dierenpension conform artikel 5 van het convenant. [naam eiseres] en [naam gedaagde 1] zijn immers overeengekomen dat zij elkaar toezeggen mee te werken aan de noodzakelijke eigendomsoverdracht aan [naam eiseres] . [naam eiseres] wil conform het convenant [naam gedaagde 1] laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit kan echter alleen in twee fases; eerst de eigendomsoverdracht van het gedeelte waarop het dierenpension (sectie [sectienummer 1] ) gevestigd is en daarna dat deel waarop het woonhuis (sectie [sectienummer 2] ) gevestigd is. [naam gedaagde 1] heeft geen enkel belang om nu de eigendomsoverdracht van het dierenpension tegen de houden. Hij wordt niet benadeeld door de gefaseerde overdracht. [naam eiseres] heeft bovendien een spoedeisend belang bij het gevorderde.

3.3.

[naam gedaagde 1] en de bewindvoerder concluderen tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [naam eiseres] in de proceskosten in conventie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

[naam eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:

I. aan [naam eiser] een machtiging wordt verleend tot verkoop en levering van het woonhuis en bijbehorende percelen en opstallen, teneinde het onroerend goed op de vrije markt te verkopen en aan koper(s) te leveren voor een verkoopprijs nader vast te stellen door een door [naam eiser] aan te zoeken makelaar;

II. [naam verweerster] binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis een verkoopopdracht verstrekt aan een door [naam eiser] aan te wijzen verkopend makelaar, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats treedt;

III. [naam verweerster] dient mee te werken aan de bezichtigingen van het woonhuis en de opstallen ten behoeve van de verkoop en al datgene te verrichten dan wel na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

IV. [naam verweerster] de door [naam eiser] geleden schade van € 1.885,83 binnen twee weken na betekening van dit vonnis voldoet,

een en ander met veroordeling van [naam verweerster] in de proceskosten.

4.2.

[naam eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Het echtscheidingsconvenant is in 2018 door partijen getekend. Gebleken is dat [naam verweerster] het convenant niet kan nakomen. Partijen zijn immers in artikel 5 van het convenant overeengekomen dat [naam verweerster] er zorg voor zou dragen dat [naam eiser] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de (hypothecaire) geldleningen. Dat is nog altijd niet gebeurd en [naam verweerster] lijkt daar ook niet toe in staat. Van [naam eiser] kan niet langer worden gevergd dat hij deelgenoot blijft in een onverdeelde ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. [naam verweerster] handelt daarnaast onrechtmatig door [naam eiser] ten onrechte in kort geding te betrekken, waardoor zij gehouden is de door [naam eiser] geleden schade te vergoeden.

4.3.

[naam verweerster] concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [naam eiser] in de proceskosten in reconventie.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1.

De vordering onder I. moet in samenhang worden gelezen met de vorderingen onder II. en III. Aan beoordeling van de vorderingen onder II. en III. komt de voorzieningenrechter alleen toe als de vordering onder I. wordt toegewezen.

5.2.

De vordering onder I. strekt er in feite toe om [naam gedaagde 1] te veroordelen tot medewerking aan de noodzakelijke overdracht van het eigendomsrecht van de onroerende zaak waarop het dierenpension gevestigd is (sectie [sectienummer 1] ). [naam eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [naam gedaagde 1] het echtscheidingsconvenant (gedeeltelijk) dient na te komen.

5.3.

Tussen partijen staat vast dat in het echtscheidingsconvenant (onder andere) het woonhuis en het dierenpension, met erf, grond en toebehoren aan [naam eiseres] is toegescheiden. Tussen partijen staat eveneens vast dat [naam eiseres] en [naam gedaagde 1] elkaar hebben toegezegd om mee te werken aan de noodzakelijke overdracht van het eigendomsrecht van het woonhuis aan [naam eiseres] bij de notaris. Conform artikel 5 van het echtscheidingsconvenant dient [naam eiseres] in ruil daarvoor er zorg voor te dragen dat [naam gedaagde 1] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen en van eventuele schulden of garanties samenhangend met het woonhuis en het dierenpension.

5.4.

Ter zitting is gebleken dat het [naam eiseres] vooralsnog niet is gelukt is om een financier te vinden die op naam van [naam eiseres] een hypotheek wil vestigen op de gehele onroerende zaak. [naam eiseres] heeft gesteld dat zij op dit moment haar verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant alleen in twee fasen kan nakomen. Allereerst dient de eigendomsoverdracht van de onroerende zaak waarop het dierenpension is gevestigd (sectie [sectienummer 1] ) te worden gerealiseerd. [naam 6] kan dan het hypotheekrecht vestigen op die onroerende zaak en het bedrag van € 1.200.000,00 (minus het reeds uitgekeerde bedrag van € 503.677,75) aan [naam eiseres] uitkeren. Met dit bedrag kan [naam eiseres] het negatieve saldo van € 62.563,11 van de rekening-courant op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] bij de Rabobank (die in het convenant bij de passiva is vermeld onder 5van) en de lening op naam van het dierenpension van thans

€ 209.300,00 (die in het convenant bij de passiva is vermeld onder 6) op nul stellen. Hierna kunnen deze rekeningen worden opgeheven en is [naam gedaagde 1] hiervoor niet langer hoofdelijk aansprakelijk. Vervolgens kan in de tweede fase de verbouwing van het dierenpension worden voortgezet, zodat het zorgproject kan worden afgerond. [naam eiseres] genereert dan weer inkomsten en kan dan op zoek gaan naar een financier voor de onroerende zaak waarop het woonhuis staat. [naam gedaagde 1] kan dan worden ontheven uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek die gevestigd is op het woonhuis aldus [naam eiseres] .

5.5.

Dat [naam eiseres] op de hiervoor genoemde wijze haar deel van de verplichtingen uit het convenant kan nakomen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk. Uit de hypotheekinformatie van het Kadaster blijkt dat sprake is van fusie met betrekking tot de secties [sectienummer 1] (het dierenpension) en [sectienummer 2] (het woonhuis). Dit betekent dat de hypotheek die ten laste van het dierenpension is gevestigd ten bedrage van

€ 1.280.000,00 ook rust op het woonhuis. Bovendien blijkt uit het e-mailbericht van

12 februari 2020 van de financieel adviseur van [naam eiseres] dat er geen sprake is van een gedeeltelijke kwijting van de hypothecaire geldlening aan [naam gedaagde 1] . De Rabobank doet de overname van de grond door [naam bedrijf] van [naam eiseres] alleen gestand als er ook sprake is van herfinanciering van de hypotheek omtrent de voormalige echtelijke woning. Hoewel [naam eiseres] heeft gesteld dat het herstructureringstraject inmiddels in gang is gezet bij de Rabobank, is niet onderbouwd, laat staan aannemelijk geworden dat dit traject binnen afzienbare tijd is afgerond. Door [naam gedaagde 1] is daarnaast ter zitting aangevoerd dat de door [naam eiseres] voorgestelde constructie niet kan worden uitgevoerd, omdat [naam 6] het resterende bedrag van € 696.322,30 rechtstreeks aan de aannemer zal betalen en niet eerst aan [naam eiseres] zelf, waardoor [naam eiseres] de door haar genoemde(hypothecaire) leningen niet kan aflossen. Dit standpunt is door [naam eiseres] niet betwist.

5.6.

In het licht van bovengenoemde omstandigheden kan niet van [naam gedaagde 1] worden gevergd dat hij meewerkt aan de eigendomsoverdracht zonder dat hij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Nog daargelaten dat de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het spoedeisend belang van [naam eiseres] bij haar vorderingen, welk spoedeisend belang niet nader is onderbouwd en bovendien door [naam gedaagde 1] is betwist. Een belangenafweging zorgt niet voor een ander oordeel. [naam eiseres] stelt weliswaar dat [naam gedaagde 1] geen enkel belang heeft bij het niet meewerken aan de eigendomsoverdracht, maar dit miskent dat het onderpand waartoe [naam gedaagde 1] voor de helft gerechtigd is nog zwaarder wordt belast met een hypotheek van € 1.200.000,00, zonder dat [naam gedaagde 1] daarvoor binnen afzienbare tijd uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen. De vordering onder I. wordt daarom afgewezen.

5.7.

Omdat de vordering onder I. wordt afgewezen, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vorderingen onder II. en III.

5.8.

In de omstandigheid dat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6. De beoordeling in reconventie

6.1.

De vordering onder I. moet in samenhang worden gelezen met de vorderingen onder II. en III. Aan beoordeling van de vorderingen onder II. en III. komt de voorzieningenrechter alleen toe als de vordering onder I. wordt toegewezen.

6.2.

In zaken als onderhavige geldt tot uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel van de een in het woonhuis (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) aan de ander moet worden overgedragen of dat het woonhuis moet worden verkocht aan een derde. Dit kan tijdelijk anders zijn indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een van partijen aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die met de verdeling worden gediend of indien partijen de bevoegdheid om verdeling te vorderen voor een bepaalde periode hebben uitgesloten.

6.3.

De vordering onder I. strekt er toe om [naam eiser] een machtiging te verlenen tot verkoop en levering van het woonhuis en bijbehorende percelen en opstallen. [naam eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [naam verweerster] niet in staat is om het echtscheidingsconvenant na te komen en dat van hem niet kan worden gevergd dat hij deelgenoot blijft in een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap.

6.4.

Voor zover de vordering onder I. is gegrond op artikel 3:174 BW heeft het volgende te gelden. Op grond van artikel 3:174 BW kan de voorzieningenrechter een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. De Hoge Raad heeft op 21 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE4380) geoordeeld dat een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in artikel 3:174 BW bij wijze van voorlopige voorziening in kort geding kan worden verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW noch is gesteld noch aannemelijk is geworden. Niet als een gewichtige reden kan immers worden aangemerkt de noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken. De onder I. gevorderde machtiging is bovendien te verstrekkend. [naam eiser] kan daarmee immers zonder enige invloed van [naam verweerster] de voorwaarden voor de verkoop (en levering) van het woonhuis bepalen. De vordering onder I wordt daarom afgewezen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de hypotheek stipt door [naam verweerster] wordt voldaan en [naam eiser] daarom thans onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het gevorderde in kort geding.

6.5.

Omdat de vordering onder I. wordt afgewezen, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vorderingen onder II. en III.

6.6.

De vordering onder IV. strekt tot de vergoeding van de door [naam eiser] geleden schade ten bedrage van € 1.885,83. [naam eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [naam verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam eiser] ex artikel 6:162 BW door een kort geding te starten terwijl zij [naam eiser] niet kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Overwogen wordt als volgt. [naam verweerster] heeft op grond van artikel 6 EVRM recht op toegang tot de rechter. Dat de vorderingen van [naam verweerster] niet voor toewijzing gereed liggen maakt nog niet dat zij met het instellen van deze vorderingen onrechtmatig jegens [naam eiser] heeft gehandeld. De vordering onder IV. wordt daarom afgewezen.

6.7.

In de omstandigheid dat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

7.3.

wijst de vorderingen af,

7.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. A.F.L. Geerdes op 26 maart 2020.

2180/1573