Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13081

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/587564 / KG ZA 19-1276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, opheffen beslag. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/587564 / KG ZA 19-1276

Vonnis in kort geding van 4 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FTS/HOFFTRANS B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. D.P. Cras te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

MINERVA NWE N.V.,

gevestigd te Brasschaat, België,

gedaagde,

advocaten mrs. A. van Hal en O. Böhmer te Rotterdam en C. Borms te Antwerpen.

Partijen worden hierna FTS en Minerva genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 december 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 14 januari 2020, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 21 januari 2020;

  • -

    de pleitnota van FTS;

  • -

    de pleitnota van Minerva.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

FTS is een maritieme dienstverlener die in voornamelijk het havengebied van de steden Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen bunkerschepen exploiteert. FTS maakt deel uit van de Burando-groep. Minerva, voorheen genaamd Aegean NWE N.V., is actief op het gebied van vervoer van olie.

2.2.

Op 7 juni 2017 hebben FTS, als bareboat charterer, Minerva, als charterer en Fuel Transport Services Belgium, als owner een Frame Agreement, een overeenkomst betreffende een rompbevrachting van twee nieuw te bouwen binnenvaarttankschepen gesloten. De namen van deze schepen waren ‘ [naam schip 1] ’ en ‘ [naam schip 2] ’ en zijn thans ‘ [naam schip 3] ’ en ‘ [naam schip 4] ’ (hierna: de schepen). FTS en Minerva hebben diezelfde dag een Time Charterparty, oftewel een tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten betreffende de schepen. Op beide overeenkomsten is Belgisch recht van toepassing.

2.3.

Het moment van leveren van beide schepen is geregeld in artikel 3 van de rompbevrachtingsovereenkomst. Artikel 3.1. luidt voor zover van belang als volgt:

“The Charterers will become effective upon delivery of the vessels. For the first Vessel October 1st 2018 is scheduled and for the second vessel January 1st 2019. These dates are indicative. (…)”

2.4.

FTS en Minerva zijn 1 oktober 2018, respectievelijk 1 januari 2019 overeengekomen als (indicatieve) leverdata van de schepen.

2.5.

FTS is onder de rompbevrachtingsovereenkomst een boete verschuldigd van

€ 3.616,44 per schip per dag als een schip later wordt geleverd dan twee maanden na de indicatieve leverdatum. De overeenkomst bepaalt hierover het volgende in artikel 3.1.:

“(…)However parties agree that if a vessel is not delivered latest two months after the indicative date, a penalty is, without any summons, due by bareboat charterer to charterer of € 3.616,44 for each day of delay.”

2.6.

FTS heeft de schepen nog niet geleverd.

2.7.

Op 6 februari 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Tijdens dit gesprek is duidelijk geworden dat de schepen op zijn vroegst in september, respectievelijk oktober 2019 geleverd konden worden.

2.8.

Bij e-mailbericht van 7 februari 2019 heeft Minerva het volgende aan FTS bericht:

“Further to an internal meeting we had this morning, we hereby confirm our agreement to your proposal as per attached table. As discussed yesterday one of the two new-builds will be ready in September 2019 and the second 3-4 weeks later. It will be appreciated if you could keep us closely informed of any changes with respect to the delivery.”

2.9.

Op 18 maart 2019 heeft er een WhatsApp conversatie plaatsgevonden tussen partijen. FTS vraagt daarin het volgende:

“I am having some question about the tc for new builds as crew issues and so on. Do you think we can just terminate [naam 1] and [naam 2] s contract and you and me make new ones and if we can finalize a new deal early april?”

2.10.

Minerva heeft hierop geantwoord: “No problem at all.”

2.11.

Op 18 maart 2019 heeft FTS aan Minerva per e-mailbericht het volgende bericht:

“We mutually agreed that it was better to terminate the agreement as drawn up between [naam 2] and [naam 1] and draw up new ones by the time you and I finalized a board approved new deal. Please be so kind to reply with your confirmation where termination of the agreements has become a fact.”

2.12.

Minerva heeft hierop geantwoord:

“Your below is correct. For the sake of good order the new agreement should reflect the new rate of EUR 155.000,00 per vessel as per your proposal.”

2.13.

Op 27 mei 2019 heeft Minerva FTS bericht dat (zij zich op het standpunt stelt dat) de rompbevrachtingsovereenkomst van 7 juni 2017 nog van kracht is. Minerva heeft FTS daarbij gewezen op de daarin opgenomen contractuele boete en heeft bij het bericht een factuur toegevoegd voor de tot dan toe verschuldigde boetes (€ 961.973,04). FTS is niet tot betaling van de factuur overgegaan. Op 14 juni 2019 heeft Minerva FTS nogmaals gesommeerd. De Belgische advocaat van FTS heeft op 14 juni 2019 gereageerd op de sommatie en gesteld dat de contractuele boete niet verschuldigd is omdat de betreffende rompbevrachtingsovereenkomst zou zijn beëindigd.

2.14.

Minerva heeft op 18 juni 2019 een kort geding aanhangig gemaakt in België. Daarin is onder andere gevorderd FTS te verbieden om de schepen aan een andere partij dan Minerva te leveren totdat een rechter zich in de hoofdzaak heeft uitgesproken over de vordering van Minerva. FTS heeft een tegeneis ingesteld en gevorderd om vast te stellen dat de raamovereenkomst en de bevrachtingsovereenkomst zijn herroepen, dan wel ontbonden na wederzijds akkoord en Minerva hieruit geen rechten meer kan putten. Bij beschikking van 5 juli 2019 heeft de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen het gevorderde verbod toegewezen. De overige vorderingen zijn afgewezen en de tegeneis van FTS is ongegrond verklaard.

2.15.

Op 28 juni 2019 heeft Minerva de hoofdzaak aanhangig gemaakt in België. Minerva vordert daarin betaling van de boete van FTS op grond van de rompbevrachtingsovereenkomst en levering van de schepen.

2.16.

Op 18 juli 2019 heeft Minerva, na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van FTS conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ABN AMRO Bank N.V., de Coöperatieve Rabobank U.A. en onder de ING Bank N.V. (hierna: ING). Het conservatoir derdenbeslag onder de ING heeft (als enige) doel getroffen. Als gevolg daarvan is sinds 18 juli 2019 een aan FTS toebehorend tegoed van

€ 301.287,17 geblokkeerd.

2.17.

Bij verzoekschrift van 13 augustus 2019 heeft FTS hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 5 juli 2019 van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen. FTS heeft onder meer gevorderd de vorderingen van Minerva af te wijzen en vast te stellen dat de raamovereenkomst en de bevrachtingsovereenkomst zijn herroepen dan wel zijn beëindigd na wederzijds akkoord en dat Minerva hieruit geen rechten meer kan halen. Minerva heeft in hoger beroep gevorderd om het hoger beroep ongegrond te verklaren en heeft bij conclusies van incidenteel beroep gevorderd om FTS te bevelen zich te onthouden van aanbieding van de schepen aan derden totdat de bodemrechter zich definitief heeft uitgesproken over de verbintenissen uit hoofde van de overeenkomsten.

2.18.

Het Hof van Beroep Antwerpen heeft in haar arrest van 25 november 2019 de vordering van Minerva in eerste aanleg ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende geoordeeld:

“(…)

12.

(…)

Het hof kan bij lezing van de uitvoerig tussen partijen uitgewisselde e-mail berichten en berichten via WhatsApp niet anders dan vaststellen dat over deze essentiële verbintenissen zoals weergeven in de oorspronkelijke overeenkomst, in het begin van het jaar 2019 geen akkoord meer bestond tussen partijen.

Zo blijkt dat er begin 2019 sprake was van het leveren van bemande schepen tegen een hoger charterprijs in plaats van de oorspronkelijk overeengekomen naakte rompbevrachting en was er tevens sprake van een andere leveringsdatum, nl. in september 2019.

13. De vraag of tussen partijen uiteindelijk een gewijzigde overeenkomst tot stand zou zijn gekomen zoals aangevoerd door Minerva dan wel of de oorspronkelijke overeenkomst bij gemeen akkoord een einde zou hebben genomen zonder dat een nieuwe overeenkomst rond de gewijzigde voorwaarden zou zijn tot stand gekomen, zoals aangevoerd door appellanten, behoort enkel de bodemrechter toe.

Het hof kan slechts vaststellen dat begin februari 2019, de oorspronkelijke wilsovereenstemming zoals tot stand was komen op 7 juni 2017 niet meer aanwezig was bij geen der twee partijen, omwille van gewijzigde marktomstandigheden of omwille van andere redenen.

Wat er ook van zij, uit de officiële brief van de raadsman van appellanten van 14 juni 2019 blijkt ondubbelzinnig dat zij de raamovereenkomst en de bevrachtingsovereenkomst als beëindigd beschouwde. Voor zover er al dan niet sprake zou geweest zijn van een gewijzigde overeenkomst, zoals aangevoerd door Minerva – vraag die door de bodemrechter zal beslecht worden – stelt het hof vast dat ook in die hypothese, hieraan alleszins op zijn minst een eind werd gesteld door appellanten op 14 juni 2019.

Het komt het hof als kortgedingrechter in hoger beroep niet toe om een overeenkomst die alleszins door één partij – al dan niet terecht on ten onrechte – als beëindigd beschouwd wordt, zoals blijkt uit het officieel schrijven van de raadsman van appellanten van 14 juni 2019, te doen herleven.

Meteen blijkt dat Minerva ten onrechte de maatregelen vordert die in essentie neerkomen op het doen herleven van een (als dan niet eenzijdig) beëindigde overeenkomst.

(…)”

2.19.

Minerva is in cassatie gegaan tegen de beslissing van 25 november 2019 van het Hof van Beroep Antwerpen.

2.20.

De Belgische bodemrechter heeft nog geen beslissing genomen in de hoofdzaak.

3. Het geschil

3.1.

FTS vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. alle beslagen die door, althans op verzoek van, Minerva op grond van het op 17 juli 2019 door Minerva verkregen verlof zijn gelegd op te heffen;

  2. Minerva te verbieden ten laste van FTS nieuwe beslagen te (doen) leggen, althans te verbieden ten laste van FTS nieuwe beslagen te (doen) leggen die (in)direct verband houden met de (vermeende) vorderingen uit hoofde van de overeenkomt, althans Minerva te verbieden ten laste van FTS nieuwe beslagen te (doen) leggen die (in)direct verband houden met de overeenkomst totdat een Belgische rechter in een bodemprocedure heeft beslist dat aan Minerva een vordering jegens FTS toekomt die (in)direct verband houdt met de overeenkomst (voor welke vordering in Nederland beslag kan worden gelegd);

  3. Minerva te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van één week na de dag waarop vonnis gewezen wordt;

  4. Minerva te veroordelen in de nakosten van dit geding.

3.2.

FTS legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Het Hof van Beroep Antwerpen heeft in zijn arrest van 25 november 2019 geoordeeld dat de raam- en rompbevrachtingsovereenkomst begin 2019 niet meer bestond en dat partijen voorafgaand aan het einde van de overeenkomst reeds waren overeengekomen dat de schepen eerst in september 2019 door FTS aan Minerva ter beschikking zouden worden gesteld.

Uit het arrest blijkt dat ten tijde van het verzoekschrift tot het (doen) leggen van beslag het door Minerva gepretendeerde contractuele recht niet bestond omdat de overeenkomst niet (meer) bestond. Indien de overeenkomst ten tijde van het verzoekschrift tot het leggen van beslag wel zou hebben bestaan, maakte Minerva geen aanspraak meer op een contractuele boete. De schepen hoefden op dat moment immers nog niet aan Minerva ter beschikking te worden gesteld, zo blijkt uit het arrest. De ondeugdelijkheid van de vordering van Minerva is daarmee summierlijk gebleken waardoor het het beslag op grond van artikel 705 lid 2 Rv moet worden opgheven. Op basis van het arrest kan daarnaast worden vastgesteld dat Minerva ook geen andere aanspraken jegens FTS heeft waardoor het Minerva moet worden verboden om nieuwe beslagen te leggen die verband houden met de overeenkomst.

3.3.

Minerva concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van FTS in de proceskosten. Minerva voert daartoe het volgende aan. De rompbevrachtingsovereenkomst is niet geëindigd of ontbonden. Minerva en FTS hebben slechts gesproken over de voorwaardelijke beëindiging/aanpassing van de tijdbevrachtingsovereenkomst betreffende de schepen. De uitspraak van de het Hof van Beroep Antwerpen is voor de opheffing van het beslag niet relevant omdat die procedure niet gaat over de vordering waarvoor het beslag is gelegd en dus niet kan dienen als onderbouwing van de stelling dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is. Bovendien heeft FTS een verkeerde lezing van het arrest. In essentie is door het Hof overwogen dat het alleen aan de bodemrechter toekomt om zich uit te spreken of een gewijzigde overeenkomst tot stand is gekomen. Wanneer wordt aangenomen dat de overwegingen van het Hof juist zijn en door de bodemrechter gevolgd worden betekent dit dat de rompbevrachtingsovereenkomst zou zijn beëindigd per 6 februari 2019, althans per 14 juni 2019. De mogelijke beëindiging van de overeenkomsten doet geen afbreuk aan de verschuldigdheid van de boete. Dat er geen sprake is van vertraging in het ter beschikking stellen van de schepen is niet door het Hof geoordeeld. De boete is dan ook verschuldigd en bedraagt per 14 juni 2019 € 1.084.932,00. Het onder de ING getroffen saldo is lager dan het bedrag waarop Minerva recht heeft. Zelfs als partijen overeenstemming hadden dat de schepen in september 2019 zouden worden geleverd geldt dat de schepen tot op heden niet geleverd zijn, wat een boete van € 817.315,44 oplevert. Ook dat bedrag is hoger dan het getroffen saldo bij de ING. In het arrest Bijl/Van Baalen (Hoge Raad 30 juni 2006, NJ 2007/483) heeft de Hoge Raad daarnaast overwogen dat de omstandigheid dat de bodemrechter de vordering waarvoor conservatoir beslag is gelegd heeft afgewezen, niet zonder meer het oordeel rechtvaardigt dat gebleken is van de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering indien tegen het vonnis of arrest een rechtsmiddel is ingesteld. Ook in een dergelijk geval komt de opheffing van een conservatoir beslag aan op een belangenafweging. In onderhavige zaak is geen sprake van een beslissing van de rechter in de hoofdzaak die de vordering waarvoor het conservatoir beslag is gelegd heeft afgewezen. Alleen een kort gedingrechter heeft zich uitgelaten over een vordering in een zaak die slechts zijdelings verband houdt met de vordering waarvoor beslag is gelegd. Toepassing van de Bijl/Van Baalen-leer in onderhavig geval leidt ertoe dat zelfs wanneer het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen relevant wordt geacht dit niet leidt tot het oordeel dat de vordering van Minerva summierlijk ondeugdelijk is. Minerva heeft immers cassatie ingesteld tegen dit arrest. In het kader van de belangenafweging dient het belang van Minerva bij handhaving van het beslag te prevaleren boven het belang van FTS. FTS heeft geen concreet rechtens te respecteren belang gesteld waarom het beslag zou moeten worden opgeheven. Het belang van Minerva bij handhaving is gelegen in de omstandigheid dat wanneer haar vordering in de Belgische bodemzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk is. Voor zover Minerva bekend heeft FTS geen andere vermogensbestanddelen waarop verhaal mogelijk is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1.

Artikel 705 lid 1 Rv biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv. Bovendien vloeit het spoedeisend belang bij het gevorderde voort uit de aard van de vordering.

De bevoegdheid

4.2.

De bepaling van artikel 705 lid 1 Rv waarborgt dat, als eenmaal verlof tot beslag is gegeven, er ook steeds een Nederlandse rechter bevoegd is over een vordering tot opheffing van het beslag te oordelen. De in die bepaling aan de voorzieningenrechter die verlof tot beslag heeft gegeven toegekende bevoegdheid het beslag in kort geding op te heffen, is geen uitsluitende bevoegdheid in kort geding, maar een aanvullende bevoegdheid naast die welke uit artikel 254 Rv, in combinatie met artikel 99 Rv, voortvloeit. De beslagene, dan wel de beslagschuldenaar, die een vordering tot opheffing van het beslag wenst in te stellen, kan terecht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank die het beslagverlof heeft verleend (in dit geval: Rotterdam). De voorzieningenrechter van deze rechtbank is dan ook bevoegd van de onderhavige vordering tot opheffing van het beslag kennis te nemen.

Het materiële toetsingskader

4.3.

De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, op grond van artikel

705 Rv het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. De opheffing wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Volgens vaste rechtspraak ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De kortgedingrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag (Hoge Raad 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105).

4.4.

FTS heeft als grondslag voor haar opheffingsvordering van het beslag aangevoerd dat de summierlijke ondeugdelijkheid van het door Minerva ingeroepen recht volgt uit het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. De omstandigheid dat het Hof van Beroep Antwerpen in kort geding heeft geoordeeld dat ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst van 7 juni 2017 tussen partijen begin februari 2019 geen wilsovereenstemming meer bestond rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat gebleken is van de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van Minerva. De procedure in kort geding waarin het Hof van Beroep Antwerpen uitspraak heeft gedaan ging immers niet over de vordering zoals ingesteld door Minerva in de hoofdzaak, zijnde de vordering waarvoor het beslag is gelegd. In de hoofdzaak is nog geen uitspraak gedaan. Een vonnis in kort geding bevat bovendien slechts een voorlopig oordeel waaraan partijen noch in een bodemprocedure noch in een later kort geding aan gebonden zijn.

4.5.

Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat begin februari 2019 de oorspronkelijke wilsovereenstemming niet meer aanwezig was, maar het Hof heeft niet geoordeeld dat de mogelijke beëindiging van de overeenkomst afbreuk doet aan de verschuldigdheid van de contractuele boete. Tussen partijen staat vast dat zij oorspronkelijk 1 oktober 2018, respectievelijk 1 januari 2019 zijn overeengekomen als (indicatieve) leverdata van de schepen. Tussen partijen staat eveneens vast dat in de oorspronkelijke overeenkomst de volgende boetebepaling is opgenomen: ‘However parties agree that if a vessel is not delivered latest two months after the indicative date, a penalty is, without any summons, due by bareboat charterer to charterer of € 3.616,44 for each day of delay’. Dat Minerva afstand heeft gedaan van haar (eventuele) recht op de contractuele boete is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Uit de bijlage bij het e-mailbericht van Minerva van 7 februari 2019 (zie r.o. 2.8.) kan slechts worden afgeleid dat zij instemde met chartertarieven die waren opgenomen in een bij die e-mail gevoegde tabel.

Dat zij instemde met latere levering kan niet met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid uit dit e-mailbericht. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de uitleg van Minerva – dat slechts de mededeling van FTS is herhaald – ook heel wel mogelijk is. Dat Minerva afstand heeft gedaan van de contractuele boete is door FTS niet met enige stukken onderbouwd (en door Minerva betwist).

4.6.

Het voorgaande leidt tot het voorlopige oordeel dat – zelfs als het oordeel van het Hof wordt gevolgd en moet worden aangenomen dat de rompbevrachtingsovereenkomst op 6 februari 2019 is beëindigd – summierlijk aannemelijk is dat in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat FTS een bedrag van € 245.917,92 verschuldigd is aan Minerva, zijnde een ‘penalty’ van € 3.616,44 per dag over de periode van 1 december 2018 tot en met

6 februari 2019. Conform de Beslagsyllabus wordt deze vordering begroot op € 319.692,00, welk bedrag hoger is dan het onder de ING getroffen saldo van € 301.187,17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Minerva.

4.7.

De beoordeling van wat met betrekking tot de (on)deugdelijkheid van de vorderingen door beide partijen naar voren is gebracht en de vraag of het beslag moet worden opgeheven kan, zoals hiervoor onder 4.3. is overwogen, niet geschieden los van de afweging van de wederzijdse belangen. Beoordeeld moet dus worden of het belang van FTS bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van Minerva bij handhaving daarvan. De voorzieningenrechter merkt daartoe het volgende op. FTS heeft gesteld dat zij belang heeft bij de opheffing van het beslag omdat het Burando concern, waar zij onderdeel van uitmaakt, omvangrijke investeringsverplichtingen is aangegaan en het beslagen saldo niet meetelt in de berekening van de kredietruimte. Deze stelling staat niet in de dagvaarding en is door FTS pas voor het eerst ter zitting ingenomen. Bovendien is deze

– overigens door Minerva betwiste – stelling niet onderbouwd. Dat Minerva niet eerder een beroep heeft gedaan op de contractuele boete, zoals door FTS gesteld, is evenmin aannemelijk, nu Minerva reeds op 27 mei 2019 aan Minerva heeft bericht dat de boete verschuldigd is. De factuur die betrekking heeft op de vertragingsschade heeft Minerva al voor het kort geding van 18 juni 2019 in België aan FTS gestuurd. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van Minerva bij de handhaving van het beslag zwaarder weegt dat het belang van FTS bij opheffing daarvan. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat Minerva stelt dat zij verhaalsonderzoek heeft gedaan en geen andere vermogensbestanddelen van FTS heeft aangetroffen waarop verhaal mogelijk is bij een toewijzend vonnis in de hoofdzaak. De vordering onder I om het beslag op te heffen wordt daarom afgewezen.

4.8.

Nu het beslag niet wordt opgeheven bestaat er geen grond om de vordering onder II toe te wijzen, nog daargelaten dat deze vordering in de vorm waarin deze is opgenomen in de dagvaarding in strijd is met artikel 6 EVRM en alleen daarom in een verminderde vorm zou kunnen worden toegewezen.

4.9.

FTS wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Minerva worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt FTS in de proceskosten, aan de zijde van Minerva tot op heden begroot op € 1.636,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020.

2180/2009