Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13080

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
C/10/599533 / KG ZA 20-574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – Koopovereenkomst naar voorlopig oordeel niet rechtsgeldig ontbonden door beroep op financieringsvoorbehoud, maar nu niet kan worden vastgesteld of nakoming feitelijk nog mogelijk is wordt de vordering tot nakoming toch afgewezen. De geldvordering m.b.t. de contractuele boete wordt wel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2021/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/599533 / KG ZA 20-574

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eiser 1],

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 1],

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2],

3. [naam eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3],

eisers,

advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEIJKOOP BEHEER EN ADVIES B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde,

advocaat mr. D. Becht te Rotterdam.

Partijen worden hierna [naam eiser 1], [naam eiser 2], [naam eiser 3] (en gezamenlijk en in enkelvoud [eisers 1]) en Heijkoop genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juli 2020, met producties;

  • -

    het e-mailbericht van mr. Becht van 30 juli 2020, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 31 juli 2020;

  • -

    de pleitnota van [eisers 1];

  • -

    de pleitnota van Heijkoop.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser 1] is eigenaar van de bedrijfsopstallen met onder- en bijbehorende grond en verdere aan- en toebehoren aan de [adres 1]. [naam] is (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van [naam eiser 1].

2.2.

[naam eiser 2] is de dochter van [naam]. Zij is samen met haar ex-partner, [naam eiser 3], eigenaar van de naastgelegen bedrijfswoning met onder- en bijbehorende grond en verdere aan- en toebehoren, plaatselijk bekend als [adres 2] en [adres 3].

2.3.

In de loop van 2019 heeft [eisers 1] besloten de onroerende zaken aan de [adres 2], [adres 1] en [adres 3] (hierna: de onroerende zaken), door tussenkomst van een makelaar, te verkopen. De vraagprijs bedroeg € 1.575.000,00.

2.4.

In november 2019 heeft Heijkoop zich via de makelaar als gegadigde voor de onroerende zaken gemeld. Tussen [eisers 1] en Heijkoop hebben diverse gesprekken plaatsgevonden. Heijkoop heeft de onroerende zaken meermaals bezichtigd.

2.5.

Op 23 december 2019 hebben [eisers 1] en Heijkoop overeenstemming bereikt over de koop van de onroerende zaken. Partijen zijn een koopprijs van € 1.400.000,00 kosten koper (€ 337.500,00 voor de [adres 2] en [adres 3] en € 1.062.500,00 voor de [adres 1]) overeengekomen. De koopovereenkomst is door Heijkoop op

22 februari 2020 ondertekend en door [eisers 1] op 9 maart 2020.

2.6.

In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

artikel 5 Bankgarantie. Waarborgsom.

5.1

Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 6 april 2020 een schriftelijke door een bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 140.000,- (…). Deze bankgarantie moet (i) onvoorwaardelijk zijn, (ii) voortduren tot ten minste één maand na de overeengekomen datum van eigendomsoverdracht, en (iii) de clausule bevatten dat de desbetreffende bankinstelling op eerste verzoek van de notaris het bedrag van de garantie aan de notaris zal uitkeren. (…)

5.2

In plaats van deze bankgarantie te stellen kan de koper een waarborgsom storten ter hoogte van het in artikel 5.1 genoemde bedrag in handen van de notaris via diens derdenrekening. (…)

(…)

artikel 11 Ingebrekestelling. Ontbinding.

11.1

Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.

11.2

Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij en zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.

11.3

Indien de wederpartij geen gebruik maakt van haar recht de koopovereenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in artikel 11.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille (3%) van de koopsom met een maximum van tien procent (10%) van de koopsom, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.

Indien de wederpartij na verloop van tijd de koopovereenkomst alsnog ontbindt dan zal de nalatige partij een boete verschuldigd zijn van tien procent (10%) van de koopsom verminderd met het reeds in de vorm van een dagboete betaalde bedrag, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.

11.4

Indien de nalatige partij na ingebreke te zijn gesteld binnen de voormelde termijn van acht dagen alsnog haar verplichtingen nakomt, is de nalatige partij desalniettemin gehouden aan de wederpartij diens schade als gevolg van niet-tijdige nakoming te vergoeden. (…)

(…)

artikel 14 Ontbindende voorwaarden

14.1

Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk op 3 april 2020 koper voor de financiering van de aankoop van de onroerende zaak voor een bedrag van totaal € 980.000,- (70 % van de koopsom) (…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een tweetal erkende geldverstrekkende bankinstellingen heeft verkregen.

Onder bankinstelling wordt in dit artikel begrepen een bank of verzekeraar in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht.

(…)

14.3

Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde financiering te verkrijgen.

De partij die de ontbinding inroept, dient er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen, uiterlijk op de 1e werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen.

Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1, wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat twee afwijzing van een erkende geldverstrekkende bankinstelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. (…)”

2.7.

Voor haar financieringsaanvraag heeft Heijkoop een adviseur ingeschakeld die in maart 2020 een financieringsmemorandum heeft opgesteld. Dat memorandum is, in ieder geval, bij ING en Rabobank ingediend. In het memorandum – waarin Heijkoop Infrastructuur als financiering zoekende partij is opgenomen – staat dat in totaal een bedrag van € 1.600.000 te financieren is, waarvan € 500.000 aan achtergestelde financiering en

€ 1.100.000 aan gewenste financiering.

2.8.

De termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud is op verzoek van Heijkoop door partijen verlengd tot 10 april 2020.

2.9.

Heijkoop heeft de waarborgsom niet betaald.

2.10.

Bij brief, zonder bijlagen, van (Goede Vrijdag) 10 april 2020 heeft de bestuurder van Heijkoop aan [eisers 1] het volgende bericht:

“ (…)

De ontwikkelingen omtrent het Coronavirus hebben er toe geleid dat één van onze kapitaalverstrekkers heeft aangegeven zijn geld nu hierin niet te willen investeren. Hierdoor werd het bedrag dat bancair gefinancierd diende te worden dusdanig hoog dat dat de banken hebben aangegeven dit niet te willen financieren. Dat is puur op de ontwikkeling met betrekking tot het in te brengen kapitaal. Daarbij gaven banken aan dat ze überhaupt wat terughoudend zijn nu met het financieren van investeringen die mede gericht zijn op de groei van een onderneming. Ze zijn momenteel wat voorzichtig met nieuwe financieringen. Dat betekent dat wij een beroep moeten doen op de ontbindende voorwaarde.

(…)”

2.11.

Bij e-mailbericht van 14 april 2020 heeft de makelaar van [eisers 1] aan de bestuurder van Heijkoop het volgende bericht:

“(…)

Zoals vastgelegd in de door partijen getekende koopovereenkomst, is het inroepen van de ontbindende voorwaarde voor financiering niet gedaan op de wijze zoals dat is overeengekomen op basis van artikel 14 uit de overeenkomst. Verkopers of dienst makelaar hebben geen afwijzingsbrief ontvangen van een tweetal erkende geldverstrekkende instanties.

Verkopers houden koper hiermee aan de afspraken zoals deze zijn overeengekomen en vastgelegd in de koopovereenkomst.

(…)”

2.12.

Op 15 april 2020 heeft Heijkoop een e-mailbericht van de ING doorgestuurd naar de makelaar van [eisers 1] In dit e-mailbericht van 15 april 2020 staat “Zoals telefonisch al aangegeven bevestig ik hierbij dat wij geen financiering voorstel kunnen uitbrengen. Het betreft nu een >100% financiering wat te zwaar is.”. Eveneens op 15 april 2020 wordt via Heijkoop ook een bericht van de Rabobank ontvangen waarin staat “Via deze weg willen wij u meedelen dat Rabobank op basis van de aangeleverde gegevens d.d. 22 maart jl. de gevraagde financiering voor de aankoop de [adres 2] niet kan verstrekken.”.

2.13.

Bij e-mailbericht van 1 mei 2020 heeft de makelaar van [eisers 1] Heijkoop bericht dat zij bereid is om de leverdatum van 1 mei 2020 uit te stellen met een maand zodat de levering uiterlijk dient plaats te vinden op 2 juni 2020. In dit bericht heeft de makelaar te kennen gegeven dat [eisers 1] vasthoudt aan de koopovereenkomst.

2.14.

Bij brief van 5 juni 2020 heeft mr. Huijzer Heijkoop namens [eisers 1] in gebreke gesteld en Heijkoop een termijn van acht dagen gegeven om de koopovereenkomst alsnog na te komen. Heijkoop heeft niet aan deze sommatie voldaan.

3. Het geschil

3.1.

[eisers 1] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Heijkoop te veroordelen om haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis (alsnog) na te komen door (tegen betaling van de koopprijs) mee te werken aan levering van de in deze koopovereenkomst verkochte onroerende zaken, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat Heijkoop niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met en maximum van € 100.000,00;

  2. Heijkoop te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 2] van een passend voorschot op de op grond van de koopovereenkomst verschuldigde boete van 10%, te weten een bedrag van € 70.000,00;

  3. Heijkoop te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eisers 1] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Heijkoop dient de koopovereenkomst na te komen nu zij geen geldig beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud. De brief van 10 april 2020 van Heijkoop kan niet worden aangemerkt als een beroep op het financieringsvoorbehoud dat goed is gedocumenteerd. Voor een geldig beroep op het financieringsvoorbehoud had Heijkoop met de brief van

10 april 2020 twee afwijzingen voor een financiering van € 980.000,00 (zijnde 70% van de koopprijs) van erkende bankinstellingen moeten overleggen. Dat is niet gebeurd, ook niet na 10 april 2020. De twee afwijzingen die (te laat) zijn ontvangen zien op een aanvraag voor 100% financiering. Nergens blijkt uit dat Heijkoop zich heeft ingespannen om 70% financiering te verkrijgen terwijl Heijkoop ook niet de partij is namens wie de financieringsaanvraag uitgegaan is.

Partijen hebben daarna niet dooronderhandeld. [eisers 1] heeft meermaals duidelijk gemaakt dat zij Heijkoop onverkort houdt aan de koopovereenkomst en dat aanspraak wordt gemaakt op nakoming daarvan. Op grond van de koopovereenkomst heeft [eisers 1] daarnaast recht op betaling door Heijkoop van de contractuele boete van 10% van de koopprijs, althans een voorschot daarop. [eisers 1] heeft een spoedeisend belang bij het gevorderde. Door de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door Heijkoop loopt [eisers 1] dagelijks schade aangezien [eisers 1] thans niet in de gelegenheid is om de onroerende zaken geheel of gedeeltelijk te verhuren of te verkopen terwijl de vaste lasten doorlopen. [naam eiser 2] wil daarnaast zo spoedig mogelijk naar Veenendaal verhuizen voor haar werk en wil net als [naam eiser 3] zo spoedig mogelijk worden verlost van de hypotheekverplichtingen met betrekking tot de hen toebehorende onroerende zaak. [eisers 1] heeft verder nog gesteld dat Heijkoop, die een habe nicht-verweer lijkt te voeren, dat verweer niet heeft onderbouwd.

3.3.

Heijkoop concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eisers 1] in de proceskosten. Heijkoop voert daartoe het volgende aan. De uitleg van artikel 14 van de koopovereenkomst, waarin het financieringsvoorbehoud is opgenomen, dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-formule. Bij de beantwoording van de vraag of het inroepen van het financieringsvoorbehoud rechtsgeldig is geschied zijn twee onderwerpen te onderscheiden. Enerzijds moet worden nagegaan of de koper zich voldoende heeft ingespannen om een financiering voor de aankoop van het onroerend goed te verkrijgen, anderzijds moet worden beoordeeld of het beroep van de koper op de ontbindende voorwaarde goed is gedocumenteerd. Heijkoop heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting en aan haar documentatieverplichting. Heijkoop heeft alles gedaan wat van haar uit hoofde van de koopovereenkomst verwacht mocht worden. Zij was weliswaar te laat met het sturen van de afwijzingsbrieven, maar heeft zich uitermate ingespannen om financiering te regelen en heeft [eisers 1] en diens makelaar actief geïnformeerd over de gang van zaken van de financiering en de problemen die zij ondervond wegens de Coronacrisis. Het financieringstraject is altijd ingestoken met de gedachte dat een bank 70% van de aankoopwaarde zou financieren en dat de rest, een bedrag van € 500.000,00, zou worden voldaan uit een reeds geregelde achtergestelde lening. Pas in de week van 10 april 2020 werd duidelijk dat de achtergestelde lening werd teruggetrokken wegens de Coronacrisis. Daarna is direct met de banken gebeld voor een aanvraag van 100% financiering. [eisers 1] was zich hiervan bewust en heeft dit geaccepteerd. Nadat de afwijzingsbrieven op 15 april 2020 zijn overgelegd zijn partijen bovendien in overleg gegaan over een voorstel van Heijkoop. Op grond daarvan bestond bij Heijkoop de gerechtvaardigde indruk dat de discussie over het financieringsvoorbehoud klaar was. Voor zover wordt geoordeeld dat sprake is van een afdwingbare koopovereenkomst heeft te gelden dat Heijkoop geen mogelijkheid heeft tot het nakomen van de koopovereenkomst. De financiering is mislukt waardoor er geen geld is voor de aankoop van de onroerende zaken. Heijkoop voegt daar nog aan toe dat haar huisbankier geen aanvraag in behandeling wil nemen omdat de bedrijfswoning niet door de DGA bewoond zou worden en andere banken nemen geen aanvragen in behandeling van partijen die bij hen geen klant zijn.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Een nakomingsvordering is in beginsel, en derhalve behoudens bijzondere omstandigheden, spoedeisend.

Ten aanzien van het gevorderde

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening – bij wijze van uitgangspunt – dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent in dit geval dat de vordering, die strekt tot veroordeling tot medewerking aan levering van de onroerende zaken, in beginsel alleen kan worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Heijkoop de tussen partijen gesloten koopovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden en daarom is gehouden tot nakoming. Bovendien moet het belang van [eisers 1] bij het treffen van een onmiddellijke voorziening zwaarder wegen dan het belang van Heijkoop bij afwijzing van de vordering.

4.3.

De vraag die daarvoor als eerste moet worden beantwoord, is of Heijkoop de tussen partijen gesloten koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden door een beroep te doen op het financieringsvoorbehoud.

4.4.

Tussen partijen staat vast dat in artikel 14.1 van de koopovereenkomst is opgenomen dat deze overeenkomst door Heijkoop kon worden ontbonden indien zij uiterlijk op 3 april 2020 (partijen zijn uiteindelijk 10 april 2020 overeengekomen) voor de financiering van de aankoop van de onroerende zaken voor een bedrag van € 980.000,00 (70% van de koopsom) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een tweetal erkende geldverstrekkende bankinstellingen heeft verkregen. Tussen partijen staat eveneens vast dat in artikel 14.3 van de koopovereenkomst is opgenomen dat deze mededeling goed gedocumenteerd moet zijn en dat dit inhoudt dat twee afwijzingen van een erkende geldverstrekkende bankinstelling aan [eisers 1] of diens makelaar dienen te worden overgelegd.

4.5.

De ratio van het vereiste van een goede documentatie is volgens vaste rechtspraak dat de verkoper zich aan de hand van die documentatie een beeld moet kunnen vormen of de koper terecht een beroep doet op het financieringsvoorbehoud en of dit beroep niet te lichtvaardig wordt gedaan. De eis om bewijsstukken over te leggen dient ertoe om de verkoper in de gelegenheid te stellen om op korte termijn te kunnen inschatten of de ontbindende voorwaarde daadwerkelijk in vervulling is gegaan. Mede in het licht van de evenzeer geldende eis dat de koper al het mogelijk moet doen om financiering te verkrijgen, dient uit de bewijsstukken te kunnen worden afgeleid of aan die inspanningsverplichting is voldaan.

4.6.

Heijkoop heeft haar beroep van 10 april 2020 op het financieringsvoorbehoud (op dat moment) niet met twee afwijzingsbrieven van erkende bankinstellingen onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Heijkoop aldus niet heeft voldaan aan de in artikel 14 van de koopovereenkomst overeengekomen documentatieplicht. Pas op 15 april 2020 heeft Heijkoop twee afwijzingsbrieven van twee bankinstellingen aan [eisers 1] toegestuurd. Uit de brief van ING volgt dat de afwijzing is gebaseerd op verzochte financiering voor (meer dan) 100% van de koopsom. Naar de voorzieningenrechter uit het memorandum afleidt is dat dan een bedrag van € 1.600.000,000. Uit de brief van Rabobank volgt niet op basis van welke gegevens financieringsaanvraag is afgewezen. Uitgaande van eerdergenoemd memorandum gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat die aanvraag in ieder geval een bedrag van € 1.100.000,00 betrof. Daarmee moet het ervoor worden gehouden dat Heijkoop geen financiering heeft aangevraagd op de wijze als omschreven in artikel 14.1 van de koopovereenkomst, te weten voor een bedrag van € 980.000,00. Dit leidt tot het voorlopige oordeel dat het beroep van Heijkoop op het op goede gronden en de voorgeschreven wijze inroepen van het financieringsvoorbehoud niet slaagt. Daar komt nog bij dat de stelling van Heijkoop dat zijn externe financier is afgehaakt in nevelen gehuld is. Nog afgezien van het feit dat [eisers 1], overigens niet onderbouwd, stelt begrepen te hebben dat Heijkoop 30% eigen geld zou inleggen, blijkt nergens uit dat, wanneer, de beweerde externe financier, en welke dan, is afgehaakt.

De stelling van Heijkoop dat partijen na het inroepen van het financieringsvoorbehoud hebben dooronderhandeld leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door [eisers 1] overgelegde stukken – zoals het e-mailbericht van 14 april 2020, het e-mailbericht van 1 mei 2020 en de brief van 5 juni 2020 – blijkt dat [eisers 1] steeds nakoming van de koopovereenkomst heeft gevorderd en van haar recht op nakoming geen afstand heeft gedaan.

4.7.

Gelet op het voorgaande valt met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Heijkoop is gehouden is tot nakoming van de koopovereenkomst. De vordering tot medewerking aan de levering van de onroerende zaken is daarom in beginsel toewijsbaar.

Heijkoop heeft zich echter beroepen op de redelijkheid en billijkheid en op onvoorziene omstandigheden gelet op de Coronacrisis. Het was voor beide partijen volstrekt duidelijk wat er speelde betreffende het financieringstraject, maar de Coronacrisis, die zorgde voor moeizaam contact met de banken, onduidelijkheid en vertraging, was niet te voorzien. Dit staat aan een volledig grammaticale lezing van de koopovereenkomst in de weg, aldus Heijkoop. Wat daar ook van zij, de voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment niet duidelijk is of de gevorderde nakoming van de koopovereenkomst door Heijkoop wel mogelijk is. Op basis van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld of Heijkoop wel of niet over voldoende financiële middelen beschikt om mee te kunnen werken aan de levering van de onroerende zaken. Uit die stukken kan wel worden afgeleid dat de huisbankier van Heijkoop geen financiering wil verstrekken. Voorts blijkt uit de stukken en de door [eisers 1] niet weersproken stellingen van Heijkoop dat andere banken geen aanvragen in behandeling nemen van partijen die bij hen geen klant zijn. Dat maakt dat de voorzieningenrechter op voorhand niet volledig kan overzien wat de gevolgen van toewijzing van de vordering zijn. De vordering moet om die reden worden afgewezen.

4.8.

Nu voldoende aannemelijk is dat Heijkoop niet op de overeengekomen wijze een beroep op het financieringsvoorbehoud heeft gedaan is de vordering om Heijkoop te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 70.000,00 op de contractuele boete van 10% van de aankoopsom wel toewijsbaar. Gelet op randnummer 1 van de dagvaarding begrijpt de voorzieningenrechter dat, ook al ontbreekt de aanduiding “c.s.” in deze vordering, niet anders bedoeld is dan een veroordeling ten gunste van alle drie de eisende partijen (in dit vonnis [eisers 1] genoemd, in het lichaam van de dagvaarding aangeduid als [eisers 2]) te verkrijgen. Niet gebleken is dat Heijkoop dat anders heeft begrepen.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Heijkoop wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers 1] worden begroot op:

- betekening oproeping € 83,38

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 3.105,38

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt Heijkoop om aan [eisers 1] te betalen een bedrag van € 70.000,00 (zeventig duizend euro),

5.2.

veroordeelt Heijkoop in de proceskosten, aan de zijde van [eisers 1] tot op heden begroot op € 3.105,38,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2020.

2180/2009