Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
10/750060-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden wegens invoer van cocaïne.

Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een andere partij cocaïne en de voorbereiding daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750060-19

Uitspraakdatum: 6 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ( [postcode verdachte] ) te [woonplaats verdachte] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,
bijgestaan door mr. W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16, 17 en 23 januari 2020.

De zaak van de verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaken van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] .

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.S. Dhoen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar,
    met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

Feiten 1 en 2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde invoer van 500 kg cocaïne, alsmede van de onder feit 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen. Er is geen bewijs dat de betreffende container verdovende middelen bevatte, laat staan dat er cocaïne in de container was verstopt. Zou al kunnen worden vastgesteld dat zich in de container cocaïne bevond, dan is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat dit een grote hoeveelheid betrof.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne (dus niet de tenlastegelegde hoeveelheid van 500 kilogram) schuldig heeft gemaakt, alsmede aan de voorbereidingshandelingen daartoe.

Beoordeling

Op grond van de in Bijlage II opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en conclusies. De door de raadsman gevoerde bewijsverweren worden hierbij ook besproken.

Inleiding

Op 14 februari 2019 is het motorschip [naam vaartuig] aangemeerd bij ECT Delta Terminal (hierna: ECT Delta) in Rotterdam. Het schip was afkomstig uit Brazilië. Aan boord van dit schip was onder meer de container [nummer container] aanwezig, die was geladen met 100 vaten fruitconcentraat (hierna: de container). De container was bestemd voor HIWA Rotterdam Port Cold Stores B.V. (hierna: HIWA). De container zou bij ECT Delta worden afgehaald met een binnenvaartschip en vervolgens worden afgeleverd bij HIWA. HIWA heeft daartoe op 14 februari 2019 omstreeks 8:53 uur de container digitaal aangemeld bij ECT Delta via het PortBase systeem.
Alvorens een container te kunnen ophalen dient een vervoerder een vooraanmelding te doen bij de desbetreffende terminal. Deze vooraanmelding vindt eveneens digitaal plaats in het PortBase systeem. Bij het daadwerkelijk uithalen van de container moet een unieke pincode worden overgelegd. Deze pincode krijgt de betreffende vervoerder normaliter van HIWA, die het op zijn beurt heeft gekregen van de rederij van het zeeschip waarop de container is vervoerd.1

De container is op 15 februari 2019 in het PortBase systeem vrijgegeven.

Anders dan de bedoeling van HIWA om de container met een binnenvaartschip te laten afhalen, is de container zonder haar medeweten door [naam medeverdachte 3] , met een gehuurde vrachtwagen en oplegger, op 15 februari 2019 rond 14.45 uur afgehaald en vervoerd naar een loods in Boskoop. Aldaar is de container geopend, is een groot aantal vaten opengeslepen, zijn er pakketten uit die vaten gehaald en meegenomen door anderen. In de loods is een aantal vaten achtergebleven, alsmede verpakkingsmateriaal van de pakketten.

Vervolgens heeft [naam medeverdachte 3] de container, via een omweg, op 16 februari 2019 geparkeerd aan de Nijmegenstraat in Rotterdam.

Op 18 februari 2019 heeft de politie de container – na een melding van HIWA dat de container was verdwenen – op de Nijmegenstraat in Rotterdam aangetroffen. De pakketten die in de loods in Boskoop uit de container zijn gehaald, zijn niet teruggevonden.

Er zijn twee vragen die moeten worden beantwoord. De eerste vraag is wat de inhoud van de pakketten is geweest. De tweede vraag is wat de betrokkenheid van de verdachte bij deze pakketten is geweest, of hij wetenschap had van de inhoud van de pakketten en hoe zijn rol in strafrechtelijke zin moet worden geduid.

Inhoud van de pakketten

Uit de jurisprudentie volgt dat als uitgangspunt wordt genomen dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit uitgangspunt lijdt onder omstandigheden uitzondering, te weten indien de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder bijvoorbeeld de modus operandi, voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de tenlastegelegde invoer van cocaïne kan worden bewezen. Voor die conclusie is geen plaats indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft weten te geven voor de inhoud van uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden en die verklaring niet kan worden weerlegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt het hierna volgende.

Op 9 februari 2019 heeft de verdachte [naam medeverdachte 3] gevraagd een container op te halen. De verdachte vertelde hem dat het een “vuile container met stash” betrof. [naam medeverdachte 3] zou voor het ophalen en vervoeren van deze container naar Boskoop een beloning van € 30.000,- van de verdachte krijgen. Dit was een substantieel hogere vergoeding dan de bedragen die [naam medeverdachte 3] voor “schone” ritjes van de verdachte kreeg (€ 150,-).

De container is, zoals gezegd, zonder toestemming en buiten medeweten van HIWA, afgehaald en vervoerd naar de loods in Boskoop en aldaar leeggehaald. De pakketten die in de vaten zaten en die in de loods eruit zijn gehaald, zagen eruit als pakketten harddrugs en waren verpakt in rechthoekige zakken die wat vorm en afmeting betreft overeenkomen met verpakkingen waarin vaak kilo blokken cocaïne worden verpakt om te smokkelen. In de loods zijn in totaal 57 lege kiloverpakkingen aangetroffen. Narcoticahonden hebben melding gegeven bij een van de in de loods achtergebleven vaten met daarin lege kiloverpakkingen en bij de in de Nijmegenstraat in Rotterdam geparkeerde container.

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat er in de container pakketten cocaïne verstopt zaten. Daarbij wordt meegewogen de algemene ervaringsregel dat er met uit Zuid-Amerika afkomstige zeecontainers cocaïne in de haven van Rotterdam wordt ingevoerd (en niet heroïne of hasjiesj). Daarbij wordt ook meegewogen dat de verdachte vanaf 18 februari 2019, dus enkele dagen na het leeghalen van de container, bezig was met de organisatie van een (ander) cocaïnetransport naar het buitenland (feiten 4 en 5). Kortom, hij hield zich bezig met de handel in cocaïne, wat ook bevestigd wordt door de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] tegenover de politie.

Dat bij nader onderzoek aan de kiloverpakkingen geen sporen van cocaïne zijn aangetroffen, doet aan de voorgaande conclusie niet af, omdat op basis van dat onderzoek – dat niet volledig was gezien de beschimmelde staat van de verpakkingen maar slechts een screening betrof – niet kan worden uitgesloten dat er wél cocaïne in de verpakkingen heeft gezeten.

Niet kan worden vastgesteld wat de exacte hoeveelheid cocaïne is geweest die in de container verstopt zat. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 3] tegenover de politie over het aantal pakketten – van elk een kilo – dat hij in de loods heeft gezien, de hoge vergoeding die hij voor het vervoer van de container zou ontvangen en het aantal in de loods aangetroffen kiloverpakkingen, volgt dat het om een grote hoeveelheid cocaïne ging.

Rol van de verdachte en de medeverdachten

De verdachte heeft, zoals gezegd, [naam medeverdachte 3] gevraagd om de container (met cocaïne) bij ECT Delta op te halen. De verdachte zou hem daarvoor een vergoeding van € 30.000,- betalen. De verdachte heeft met [naam medeverdachte 2] een vrachtwagen en oplegger geregeld voor het vervoer van de container. [naam medeverdachte 1] heeft op 13 februari 2019 op verzoek van de verdachte de vrachtwagen bij de verhuurmaatschappij opgehaald en gebracht naar een locatie waar [naam medeverdachte 3] de vrachtwagen heeft opgehaald. [naam medeverdachte 3] heeft daarna op 13 februari 2019 met de vrachtwagen de oplegger opgehaald, waarmee hij de container moest ophalen.

In de avond van 14 februari 2019 heeft de verdachte het containernummer en de pincode van de container aan [naam medeverdachte 3] overhandigd. Met de pincode kon [naam medeverdachte 3] de container bij ECT Delta uithalen. Het kan niet anders dan dat de verdachte deze pincode valselijk heeft verkregen. HIWA heeft deze pincode namelijk niet aan de verdachte verstrekt.

De binnenkomst van de container is vanaf 14 februari 2019 door de verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] – onder meer vanuit het kantoor van [naam medeverdachte 2] – gemonitord via het PortBase systeem waartoe [naam medeverdachte 2] (illegaal) toegang had.23 De vooraanmelding van de container is eveneens gedaan vanaf dit systeem waartoe [naam medeverdachte 2] (illegaal) toegang had.4 [naam medeverdachte 2] heeft daarnaast vanaf 15 februari om 12.20 uur vanaf zijn eigen telefoon het PortBase systeem talloze malen geraadpleegd, en tevens specifiek naar de status van de container gezocht.5

Nadat de verdachte [naam medeverdachte 3] een berichtje daarover had gestuurd, heeft [naam medeverdachte 3] op 15 februari 2019 rond 14.45 uur samen met een ander de container opgehaald bij ECT Delta en vervoerd naar de loods in Boskoop, waar de container, zoals de verdachte tegen [naam medeverdachte 3] had gezegd, door anderen zou worden leeggehaald. Dit alles deed [naam medeverdachte 3] op instructie van de verdachte. Terwijl [naam medeverdachte 3] de container ophaalde bij ECT Delta Terminal, waren de verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in de nabije omgeving van deze Terminal. 6 [naam medeverdachte 2] is met de auto vanaf ECT Delta achter de container aangereden.7

In de loods is de container ook daadwerkelijk leeggehaald en zijn de pakketten met cocaïne meegenomen door de afnemers van die pakketten. [naam medeverdachte 3] heeft de container met een vervalste zegel afgesloten. De verdachte was tijdens het leeghalen van de container ook in de directe omgeving van de loods.8

Na het leeghalen van de container heeft [naam medeverdachte 3] de container naar zijn woning in Fijnaart gereden. De volgende dag – 16 februari 2019 – heeft [naam medeverdachte 3] de container naar Rotterdam gereden, uiteindelijk naar de Nijmegenstraat, alwaar [naam medeverdachte 2] op verzoek van de verdachte had geregeld dat de container kon worden aangesloten op een stroompunt in de loods van zijn zwager. De verdachte en [naam medeverdachte 2] waren bij dat aansluiten zelf ook aanwezig, evenals [naam medeverdachte 1] .9

Later die dag heeft de verdachte [naam medeverdachte 3] in bijzijn van [naam medeverdachte 1] alvast een bedrag van € 11.500,- betaald. De dag erna – op 17 februari 2019 – is de container door [naam medeverdachte 3] , de verdachte en [naam medeverdachte 1] schoongemaakt. [naam medeverdachte 1] heeft die middag een nieuwe, valse verzegeling op de container aangebracht.

In de vroege ochtend van 18 februari 2019 is de container enkele meters in de Nijmegenstraat verplaatst. Op 18 februari 2019 is er rond 14.25 uur contact geweest tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] over de container, waarbij [naam medeverdachte 2] [naam medeverdachte 1] heeft gevraagd ervoor te zorgen dat de container aan een stroompunt is bevestigd. [naam medeverdachte 1] laat hem weten dat hij dat zal regelen.10

Zoals gezegd, is de container op 18 februari 2019 om 11.20 uur door de politie aangetroffen aan de Nijmegenstraat en in beslag genomen. [naam medeverdachte 2] wordt hiervan later die dag door de politie op de hoogte gebracht en heeft diezelfde dag en de dag erna veelvuldig gebeld met de verdachte en [naam medeverdachte 1] .11

Op 18 februari 2019 om 16:03 uur dag heeft de verdachte [naam medeverdachte 3] telefonisch op de hoogte gesteld van de inbeslagname van de container. De verdachte heeft [naam medeverdachte 3] in dat gesprek gewaarschuwd dat de politie bij hem langs zou komen en dat [naam medeverdachte 3] zijn verhaal rond moest maken en hem buiten beeld moest laten. De verdachte zei verder tegen [naam medeverdachte 3] dat hij de komende vier maanden niet bereikbaar zou zijn en “van de radar” was en dat hij ervoor zou zorgen dat [naam medeverdachte 3] het resterende bedrag zou krijgen. Enkele minuten voor dit gesprek met [naam medeverdachte 3] heeft de verdachte om 15:57 uur met [naam medeverdachte 1] telefonisch contact gehad. In dat gesprek heeft [naam medeverdachte 1] tegen de verdachte gezegd dat iemand tegen hem had gezegd dat “we de boel de boel kunnen laten en voor de rest niks meer hoeven te doen” en dat diegene tegen hem ook had gezegd dat de verdachte “even vier maandjes vakantie heeft”.12

Op 19 februari 2019 rond 21.30 uur is bij de aanhouding van [naam medeverdachte 1] de sleutel van de vrachtwagen bij hem aangetroffen.13 Enkele uren daarvoor heeft hij contact met [naam medeverdachte 2] gehad die hem heeft gevraagd de sleutels van de loods van zijn zwager en de schroevendraaiers terug te brengen.14

De hiervoor geschetste feiten en omstandigheden zijn, bezien in hun onderlinge samenhang en in het licht van de overige bewijsmiddelen, redengevend voor het bewijs dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne in de container en dat sprake was van de gezamenlijke uitvoering van een plan om de container met cocaïne in te voeren in Nederland, in de zin van het in nauwe en bewuste samenwerking verrichten van handelingen die waren gericht op het verdere vervoer, de aflevering, ontvangst of overdracht met betrekking tot die ingevoerde cocaïne na de feitelijke invoer (de zogenoemde verlengde invoer). Tot en met de handelingen die zijn verricht in de loods in Boskoop is sprake van de verlengde invoer van cocaïne door de verdachte en de medeverdachten. De handelingen die daarna door de verdachte en de medeverdachten zijn verricht, zijn redengevend in die zin dat daaruit ook volgt dat er steeds sprake is geweest van de gezamenlijke uitvoering van een plan door de verdachte en de medeverdachten.

Voor de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden en de gevolgtrekkingen heeft de verdachte ook geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. De verdachte heeft voornamelijk gezwegen. Het uitblijven van een aannemelijke verklaring maakt de overtuigingskracht van het aan de wetenschap van de verdachte ten grondslag gelegde bewijs groter.

Conclusie

De verweren worden verworpen. Bewezen is dat de verdachte samen met anderen een grote hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.

Feit 3
Dit feit zal op grond van de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en gegeven het feit dat de verdediging zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Feiten 4 en 5

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 4 primair en 5 ten laste gelegde (verlengde) uitvoer van cocaïne en de voorbereiding daarvan. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de rolkoffer met daarin de hoeveelheid cocaïne weliswaar voorhanden heeft gehad, maar dat geenszins sprake is geweest van het voornemen tot uitvoer daarvan. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet wist wat zich in de rolkoffer bevond. De verdachte heeft slechts gefungeerd als tussenpersoon.

Beoordeling

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en conclusies.

Inleiding

Op 19 februari 2019 is in de woning van [naam medeverdachte 1] in Heinenoord een hoeveelheid van ongeveer 28 kilogram cocaïne aangetroffen in een rolkoffer.

Rol van de verdachte

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte deze rolkoffer eerder op 19 februari 2019 heeft opgehaald en rond 18.45 uur die avond aan [naam medeverdachte 1] heeft overhandigd. [naam medeverdachte 1] heeft vervolgens de rolkoffer mee naar zijn woning genomen. Tevens volgt daaruit dat de verdachte iemand had geregeld om de zich in de rolkoffer bevindende hoeveelheid cocaïne bij [naam medeverdachte 1] op te halen en diezelfde avond nog naar Frankrijk te rijden en dat hij [naam medeverdachte 1] had geregeld om achter dat transport naar Frankrijk aan te rijden.

De wetenschap van de verdachte dat zich cocaïne in de rolkoffer bevond, volgt uit de tapgesprekken die de verdachte over de inhoud van de rolkoffer en de uitvoer daarvan heeft gevoerd met anderen. Daaruit volgt dat hij volledig op de hoogte was van wat zich in de rolkoffer bevond. Hij duidt daarin onder meer de 28 kilogram cocaïne – in versluierd taalgebruik – aan als “28 badkamertegels” en is bereid een hoge vergoeding aan de transporteur van de koffer te betalen, gelet op het risico dat diegene loopt als hij gepakt wordt.


De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de verdachte zich heeft bezig gehouden met de overdracht, het vervoer en de coördinatie van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van 28 kilogram cocaïne en dat hij dit opzettelijk deed.

Conclusie

De verweren worden verworpen. De rechtbank acht de onder 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 15 februari 2019 tot en met 18 februari 2019 te Rotterdam en Boskoop,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een

grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij in de periode van 13 februari 2019

tot en met 19 februari 2019 te Rotterdam en Boskoop en Barendrecht en

Fijnaart,

tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of ( zijn, verdachtes, mededaders

- met mededaders ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via

Whats App contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of

afspraken gemaakt over het invoeren envervoeren van die

container , en- aan een mededader geld verstrekt en beloofd, en- een trekker en een chassis gehuurd/laten huren en (vervolgens) laten

ophalen door een mededader, en

- de binnenkomst van het schip [naam vaartuig] in Rotterdam gemonitord, en- het containernummer [nummer container] en de bijbehorende (onrechtmatig

verkregen) pincode ter beschikking gesteld aan een mededader, en- met die trekker en dat chassis de container [nummer container] (geladen

met vaten met zakken limoensap (met daarin (pakketten) cocaïne)), met die

(onrechtmatig verkregen) pincode, laten ophalen bij de ECT Delta Terminal,

en (vervolgens) naar een loods aan de [locatie] te Boskoop laten

brengen, alwaar die pakketten cocaïne uit die container en/of die vaten zijn

gehaald.

3.

hij op 15 februari 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (vanaf de ECT Delta Terminal

aan de Europaweg) heeft weggenomen een container (met nummer [nummer container] ,

inhoudende 100 vaten citroenconcentraat), toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte, en/of zijn mededader

waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder

hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (met

100 vaten citroenconcentraat) van de ECT Delta Terminal op te halen en weg

te voeren.

4.

hij in de periode van 18 februari 2019 tot en met 19 februari

2019 te Rotterdam en Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard, en Barendrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1

lid 5 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 28 kilogram, cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.

hij in de periode van 18 februari 2019

tot en met 19 februari 2019 te Rotterdam en Heinenoord, gemeente Hoeksche

Waard, en Barendrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en buiten het grondgebied van

Nederland brengen van ongeveer 28 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/ te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededaders ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via

Whats App en/of per e-mail contacten onderhouden en/of informatie

uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het uitvoeren envervoeren van die cocaïne, en

- een rolkoffer met daarin (pakketten) cocaïne overgedragen en in een of

meer auto's (over)geplaatst en vervoerd/laten vervoeren, en

- die rolkoffer naar een woning aan de [adres] in Heinenoord gebracht

en/of laten brengen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 de eendaadse samenloop van:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

2.

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

3.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 de eendaadse samenloop van:

4.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

5.

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen cocaïne, die was verborgen in een mede door hem gestolen container met vaten bevroren limoensap afkomstig uit Brazilië, in Nederland ingevoerd en heeft deze invoer ook met anderen voorbereid. Bij de bepaling van de straf wordt ervan uitgegaan dat het gaat om de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheden waaronder de cocaïne uit de container is gehaald, uit het aantal kilopakketten dat is gezien, de lege kiloverpakkingen die zijn aangetroffen en het hoge bedrag dat een medeverdachte voor het enkele vervoeren van de container met cocaïne zou ontvangen.

Verder heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van een andere partij cocaïne van 28 kilogram en de voorbereiding daarvan. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

De rol van de verdachte binnen de groep van medeplegers was actief, sturend en omvangrijk. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening bij het opleggen van de straf.

Vanuit Zuid-Amerika worden grote hoeveelheden cocaïne Nederland binnen gevoerd. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen ‒ van land van herkomst waar de cocaïne wordt geproduceerd tot en met de gebruiker ‒ gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit. Ter bestrijding van harddrugsverslaving en ter voorkoming en bestrijding van illegale harddrugshandel wordt de invoer en uitvoer van cocaïne streng bestraft.

Vanwege de ernst van de strafbare feiten en de rol die de verdachte in het geheel heeft gehad, is enkel een gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats. De door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden, met name zijn zorgen omtrent de medische situatie van zijn nog jonge zoontje en het gemis van belangrijke momenten in zijn leven geven ‒ hoe invoelbaar ook ‒ geen aanleiding om anderszins te oordelen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken en het gegeven dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten.

Met de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om (een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld) bijzondere voorwaarden op te leggen. Dit is, gezien de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, overigens ook niet mogelijk.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 54 maanden passend en geboden.

8. Beslag

Onder de verdachte is een bedrag van € 2.875,- in beslag genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit geld verband houdt met de bewezenverklaarde strafbare feiten. Het bedrag is daarom niet voor verbeurdverklaring vatbaar en zal aan de verdachte worden geretourneerd.

9. Vordering benadeelde partij

Namens [naam benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding van
€ 5.780,- ingediend wegens materiële schade die als gevolg van de onder 3 ten laste gelegde diefstal zou zijn geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat niet kan worden vastgesteld aan wie de ontvreemde goederen toebehoren en wie er (dus) schade heeft geleden en gerechtigd is om zich als benadeelde partij in onderhavige strafproces toe te voegen. Aanhouding van de strafzaak om hierover duidelijkheid te krijgen zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Subsidiair dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat uit de vordering en de onderbouwing ervan genoegzaam is komen vast te staan dat de schade is geleden door [naam benadeelde]
De rechtbank kent daarbij niet alleen betekenis toe aan het gegeven dat de vordering namens [naam benadeelde] is ingediend, maar ook aan het feit dat de aan de vordering gevoegde facturen zijn opgemaakt op naam van [naam benadeelde] Vast staat ook dat [naam benadeelde] , de aan de [vestigingsadres] te Rotterdam gevestigde, [naam benadeelde] heeft gemachtigd de vordering in te dienen. De rechtbank is aldus van oordeel dat de benadeelde partij kan worden ontvangen in de vordering.

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 3 bewezen verklaarde diefstal, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. De geleden schade volgt uit de overgelegde facturen. Op basis van die facturen kan met een simpele berekening worden vastgesteld wat de schade is geweest ter zake van het aantal gestolen en vernielde vaten.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met

wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt

met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2019.

Omdat de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 55, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de verdachte van:

2875,00 euro

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde feit tot een bedrag van

€ 5.780,- (zegge: vijfduizend zevenhonderdtachtig euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte, die met zijn mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is ‒ met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd ‒ om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.A. Cnossen, voorzitter,

mr. H.I. Kernkamp-Maathuis en mr. J.C.M. Persoon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2019 tot en met 18 februari 2019

te Rotterdam en/of Boskoop,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 500 kilogram, in elk geval een

(grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 februari 2019

tot en met 19 februari 2019 te Rotterdam en/of Boskoop en/of Barendrecht en/of

Fijnaart, en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van ongeveer 500 kilo, in ieder geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via

Whats App contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of

afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of

uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren en/of bewerken van die

container en/of die (pakketten) cocaïne, en/of

- aan een mededader geld verstrekt en/of beloofd, en/of

- een trekker en/of een chassis gehuurd/laten huren en/of (vervolgens) laten

ophalen door een mededader, en/of

- de binnenkomst van het schip [naam vaartuig] in Rotterdam gemonitord, en/of

- het containernummer [nummer container] en de bijbehorende (onrechtmatig

verkregen) pincode ter beschikking gesteld aan een mededader, en/of

- met die trekker en/of dat chassis de container [nummer container] (geladen

met vaten met zakken limoensap (met daarin (pakketten) cocaïne)), met die

(onrechtmatig verkregen) pincode, laten ophalen bij de ECT Delta Terminal,

en/of (vervolgens) naar een loods aan de [locatie] te Boskoop laten

brengen, alwaar die pakketten cocaïne uit die container en/of die vaten zijn

gehaald.

3.

hij op of omstreeks 15 februari 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (vanaf de ECT Delta Terminal

aan de Europaweg) heeft weggenomen een container (met nummer [nummer container] ,

inhoudende 100 vaten citroenconcentraat), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] (Logistical

Department Juice Division), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem,

verdachte, en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel,

te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren te gebruiken, die container (met

100 vaten citroenconcentraat) van de ECT Delta Terminal op te halen en/of weg

te voeren.

4.

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2019 tot en met 19 februari

2019 te Rotterdam en/of Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard, en/of Barendrecht

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1

lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 28 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2019 te Rotterdam en/of Heinenoord, gemeente

HOeksche Waard, en/of Barendrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 28 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 februari 2019

tot en met 19 februari 2019 te Rotterdam en/of Heinenoord, gemeente Hoeksche

Waard, en/of Barendrecht, en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van ongeveer 28 kilo, in ieder geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via

Whats App en/of per e-mail contacten onderhouden en/of informatie

uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het uitvoeren en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

- aan één of meer mededader(s) geld in het vooruitzicht gesteld, en/of

- een rolkoffer met daarin (pakketten) cocaïne overgedragen en/of in een of

meer auto's (over)geplaatst en/of vervoerd/laten vervoeren, en/of

- die rolkoffer naar een woning aan de [adres] in Heinenoord gebracht

en/of laten brengen.

1 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 1] , p. 316-318.

2 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 2] , p. 398 en 399.

3 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 3] , p. 445.

4 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 4] , p. 217.

5 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 5] , p. 411.

6 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 6] , p. 445 ( [naam verdachte] ), het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 2] , p. 398 en 399 ( [naam medeverdachte 1] ), en het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 7] , p. 374 ( [naam medeverdachte 2] ).

7 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 8] , p. 262.

8 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 8] , p. 261 en het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 9] , p. 300.

9 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 8] , p. 262 en het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 10] , p. 449 ( [naam medeverdachte 1] ).

10 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 11] , p. 384.

11 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 5] , p. 407, 408 en 409.

12 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 12] , p. 17 en 18.

13 Het proces-verbaal van de Belastingdienst/Douane Rotterdam met nummer [nummer proces-verbaal 13] , p.157 en 158.

14 Het proces-verbaal van politie met nummer [nummer proces-verbaal 11] , p. 385.