Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:13006

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
10/730130-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal en mishandeling met voorbedachten rade, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Veroordeling van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen, waaronder € 350.000,- aan immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/730130-19

Datum uitspraak: 24 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon-of verbluijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de penitentiaire inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 1 primair en subsidiair)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 2)

Het onder 2 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feit 1 meer subsidiair

4.3.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Bovendien heeft de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel. Volgens de verdediging staat ook vast dat het slachtoffer feitelijk geen zwaar lichamelijk letsel heeft kunnen oplopen door het handelen van de verdachte. Dit letsel is het gevolg van een val nadat het slachtoffer onwel was geworden.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken, uit van de volgende feiten.

De feiten

Verdachte is op 2 juli 2019 omstreeks 00:38 uur bij de woning van [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) geweest. Nadat hij het pand weer had verlaten is het slachtoffer thuisgekomen.

Verdachte heeft omstreeks 01:14 uur via een WhatsAppgesprek contact opgenomen met [naam 1] , een vriend van hem. Kort daarop stuurde [naam 1] de contactgegevens van het slachtoffer aan de verdachte. Omstreeks 01:45 heeft de verdachte het slachtoffer gebeld, maar die oproep werd niet beantwoord.

Vanaf 01:47 uur stuurt de verdachte verschillende berichten naar [naam 1] , waaronder ‘Flikkertje neemt nie op’, ‘Ga hem zen kkr smoel slaan’, ‘kijk voor me waar hij is’ en ‘Sla ze allebei lensss’.

Omstreeks 3:30 uur heeft de verdachte gebeld naar het telefoonnummer van het slachtoffer waarna hij hem omstreeks 03:31 uur een SMS bericht stuurt met als tekst: ‘Ik ga je dood maken vriend weet waar je mee bezig bent’ en om 01:34:47 uur een SMS bericht met als inhoud ‘Jouw spel is uit gespeelt kijk je rug’.

Rond 4 uur is de verdachte weer bij de woning van het slachtoffer gekomen. Hij is in de woning geweest en heeft met het slachtoffer gesproken. Op enig moment heeft hij het slachtoffer op zijn linkerwang geslagen.

Om 4:23 uur heeft de verdachte een videobelsgesprek met [naam 1] . Tijdens dit gesprek zijn beelden te zien van een persoon die een snelle buikademhaling heeft en bewegingen met de armen maakt, maar verder roerloos op een bank ligt. Deze beelden zijn gemaakt in de woning van het slachtoffer.

Om 04:29 uur heeft de verdachte met de telefoon van het slachtoffer gedurende bijna drie minuten gebeld naar een vriend van het slachtoffer, [naam 2] .

Na dit telefoongesprek belde de verdachte om 4:36:41 via Whatsapp weer met [naam 1] .

Om 04:40:11 belde de verdachte het alarmnummer en gaf door dat een vriend van hem een aanval had gehad nadat hij ruzie had gehad. Verdachte gaf daarbij twee keer een verkeerd adres door.

Rond kwart over tien ’s ochtends is het slachtoffer door zijn vader op zijn bed in comateuze toestand aangetroffen en waarna hulpdiensten ter plaatse zijn gekomen. In het ziekenhuis blijkt dat bij het slachtoffer een hersenbloeding is ontstaan, waardoor hij in een diepe coma is geraakt. Om de door de bloeding opgetreden zwelling van de hersenen een

uitweg te geven is een dakje van de schedel gelicht. Het slachtoffer is kunstmatig in slaap

gehouden.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer in de nacht van 2 juli 2019 wilde spreken, omdat het slachtoffer negatief over hem zou hebben gepraat. Na een onenigheid heeft de verdachte het slachtoffer één of twee klappen gegeven tegen de linkerwang. Op enig moment daarna kreeg het slachtoffer stuiptrekkingen. Het slachtoffer zat toen op of tegen de bank en is daar op enig moment van afgegleden of gevallen. Verdachte heeft het slachtoffer geprobeerd te helpen onder andere door water in zijn gezicht te gooien en hem naar de badkamer te slepen. Daarna heeft hij het slachtoffer op diens bed gelegd en heeft al bellend naar de alarmdiensten de woning verlaten.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechtbank niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De verdachte is op 2 juli 2019 om 00:38 uur voor het eerst in het wooncomplex van het slachtoffer geweest. In het uur hieropvolgend heeft de verdachte moeite gedaan om het telefoonnummer van het slachtoffer te achterhalen, hetgeen ook is gelukt. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer rond half twee ’s nachts opgebeld. Iets voor twee uur ’s nachts stuurde de verdachte verschillende berichten naar [naam 1] , waaruit onder andere blijkt dat het slachtoffer zijn telefoon niet opneemt en dat de verdachte hem wil slaan, ongeacht of hij hiervoor moet ‘zitten’. Rond half vier ’s nachts probeerde de verdachte weer in contact te komen met het slachtoffer door hem te bellen maar het slachtoffer nam de telefoon niet op. De verdachte heeft daarna twee bedreigende sms berichten gestuurd aan het slachtoffer.

Rond vier uur ’s nachts is de verdachte voor de tweede keer naar de woning van het slachtoffer gegaan. Ditmaal was het slachtoffer thuis en kwam de verdachte in de woning van het slachtoffer, waarbij de verdachte het slachtoffer na een woordenwisseling één of twee klappen in het gezicht heeft gegeven.

In een tijdsbestek van ongeveer drieëneenhalf uur heeft de verdachte [naam 1] gebeld om het telefoonnummer van het slachtoffer te krijgen, heeft hij aan onder andere [naam 1] laten weten dat hij het slachtoffer wil slaan, heeft hij geprobeerd contact te zoeken met het slachtoffer door te bellen en bedreigende berichten te sturen en is hij tweemaal naar de woning van het slachtoffer gegaan.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad het slachtoffer te mishandelen. De verdachte heeft vóór de uitvoering van zijn daad, op verschillende momenten gedurende de nacht van 2 juli 2019 nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap gegeven. Dit blijkt onder andere uit het feit dat het hem niet kan schelen als hij zou moeten zitten voor het slaan van het slachtoffer. Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Het verweer van de verdachte dat de SMS berichten aan het slachtoffer en de met [naam 1] uitgewisselde Whatsapp berichten grootspraak waren om bij het slachtoffer een reactie uit te lokken, slaagt niet aangezien de verdachte na het verzenden van deze berichten naar de woning van het slachtoffer is gegaan. De vastberadenheid waarmee de verdachte probeerde in contact te komen met het slachtoffer, duidt niet op grootspraak maar op een vooropgezet plan om het slachtoffer daadwerkelijk te treffen en te mishandelen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Zwaar lichamelijk letsel ten gevolge

Uit de FARR-verklaring van 3 juni 2020 blijkt dat er sprake is van blijvend hersenletsel met als gevolg een halfzijdige verlamming aan de rechterzijde van het lichaam, stoornissen in de kennende functies van de hersenen en een vermindering van de alertheid. Het slachtoffer wordt door het hersenletsel ernstig beperkt in de zelfstandige uitvoer van zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen, mobiliteit en communicatie. Gezien de ernst van het letsel en de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen, alsmede het ontbreken van uitzicht op herstel is sprake van zwaar lichamelijk letsel.

De vraag is of dit letsel het gevolg is van het handelen van de verdachte.

Bij radiologisch onderzoek van de hersenen (CT schedel) zoals beschreven in de medische informatie van de FARR van 5 juli 2019 wordt een uitgebreide bloeding buiten de vliezen rondom de hersenen en verschillende bloedingen in de hersenen aan de rechtervoorzijde gezien. Dit wordt bevestigd in het forensisch radiologisch onderzoek van 25 september 2019. Op de CT scan van de schedel van 2 juli 2019 is volgens dit rapport een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies rond de rechterhersenhelft aanwezig, zich uitbreidend langs het vliezig schot tussen beide hersenhelften met verplaatsing van de rechterhersenhelft naar links. Daarnaast zijn er zes bloedingen in de rechterfrontaal- en -pariëtaalkwab waargenomen. Ook is er een zwelling van de onderhuidse wekedelen van de rechterslaap en naast het rechteroog zichtbaar.

In de medische informatie van 5 juli 2019 wordt bij het rechter bovenste ooglid een streepvormig, scherp begrensde, paars blauwe huidafwijking van circa 2 x 0,5cm beschreven. Het betreft een bloeduitstorting (een blauw oog). Op de linker wang worden drie horizontaal verlopende, streepvormige, matig scherp begrensde rode huidafwijkingen waargenomen. Dit betrefen ook bloeduitstortingen. De aangezichtsschedel is verder intact, zo ook de tanden.

Volgens het forensisch geneeskundig onderzoek van 8 oktober 2019 kunnen het letsel aan de rechterzijde van het hoofd en aan de linkerwang worden verklaard door de inwerking van ten minste twee botsende mechanische geweldsinwerkingen op het hoofd. Het aantreffen van het letsel aan de linkerwang is volgens de forensisch arts veel waarschijnlijker onder een hypothese van slaan dan onder een hypothese van vallen. Het aantreffen van de letsels aan de rechterzijde van het hoofd is ongeveer even waarschijnlijk onder een hypothese van een accidentele oorzaak (zoals vallen) als onder een hypothese van toegebracht letsel (zoals slaan). In de ontvangen medische gegevens van het slachtoffer zijn geen aanwijzingen aangetroffen dat er mogelijk sprake is geweest van een insult, epileptische activiteit of een 'aanval' anderszins.

In het aanvullend forensisch geneeskundig onderzoek van 1 mei 2020 heeft de forensisch arts op basis van een herbeoordeling van de casus, bestaande uit revisie van het fotomateriaal van het uitwendige letsel, het operatieverslag en de CT-scans van de hersenen door een extern deskundige, geconcludeerd dat het aantreffen van de inwendige letsels rechts in de hersenen, veel waarschijnlijker is onder een hypothese van hevig botsend geweld op het hoofd zoals door slaan, dan onder een hypothese van een val van geringe hoogte zoals door de verdediging is aangevoerd. De combinatie van de inwendige letsels rechts in de hersenen en het uitwendige letsel op de linkerwang, kan goed passen bij coup-contrecoupletsel. Het letsel aan de linkerwang is opgelopen door direct hevig botsend geweld ter plaatse, zoals hard slaan op de wang (de ‘coup’), en het inwendige letsel rechts in de hersenen is ontstaan door een ‘contrecoup’-mechanisme. De door de verdachte beschreven symptomen, welke passen bij een epileptisch insult, gevolgd door bewustzijnsverlies en een val, passen hier goed bij, aldus het aanvullend rapport van 1 mei 2020. De onderhuidse zwelling aan de rechterkant van het hoofd kan zowel worden verklaard door vallen op de rechterzijde van het hoofd als door slaan op en/of tegen het hoofd.

Op basis van het voorgaande, in onderling verband en in samenhang gezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte het slachtoffer ten minste éénmaal aan de linkerzijde van zijn gezicht heeft geslagen. Hierbij heeft de verdachte zoveel kracht gebruikt dat als gevolg van deze klap ernstig (inwendig) hersenletsel is opgetreden aan de rechterzijde van de hersenen door een zogenoemd contrecoup-mechanisme. De kracht waarmee is geslagen kan ook blijken uit de streepvormige letsels die zijn aangetroffen op de linkerwang van het slachtoffer. De verklaring van de verdediging – dat het hersenletsel aan de rechterzijde is ontstaan door een val van het slachtoffer – is niet aannemelijk geworden, gezien de conclusies van het geneeskundige onderzoek.

De verdediging heeft nog betoogd dat de politie nalatig is geweest en dat als er wel op juiste wijze was gehandeld, de gevolgen voor het slachtoffer minder ernstig waren geweest. Dit verweer wordt gepasseerd, los van iedere beoordeling van het handelen van de politie, omdat handelen of nalaten van derden nádat het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden, niets af doet aan de verantwoordelijkheid van de verdachte voor de gevolgen van dat handelen.

Gelet op het voorgaande bestaat er een causaal verband tussen het handelen van de verdachte, te weten het slaan in het gezicht van het slachtoffer, en de opgetreden hersenbloeding waardoor het slachtoffer in een comateuze toestand is geraakt en hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

4.3.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

1.

hij op 02 juli 2019 te Rotterdam,

met voorbedachten rade,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door in het gezicht van die [naam slachtoffer] te slaan ,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op 02 juli 2019 te Rotterdam,

twee horloges, die

toebehoorden, aan [naam slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

  1. mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

  2. diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer midden in de nacht opgezocht om bij hem verhaal te halen voor iets dat hij over verdachte zou hebben gezegd. De verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan om hem – zoals de verdachte zelf heeft geformuleerd – op zijn smoel te slaan. De verdachte heeft zo hard geslagen dat dit heeft geleid tot een hersenbloeding bij het slachtoffer. Nadat hij het slachtoffer heeft geslagen en deze niet meer reageerde, belde verdachte met de telefoon van het slachtoffer naar een vriend van het slachtoffer en bedreigde hem. Vervolgens heeft hij de woning van het slachtoffer verlaten, het slachtoffer in hulpeloze toestand achterlatend. Verdachte belde vervolgens 112 maar gaf een verkeerd adres op en wachtte niet op de hulpdiensten. Evenmin heeft de verdachte andere personen in zijn omgeving of die van het slachtoffer ingelicht over de toestand waarin hij hem had achtergelaten. Het slachtoffer is pas de volgende ochtend door zijn vader in comateuze toestand aangetroffen.

Schrijnend is dat volgens een geraadpleegde deskundige de bij de operatie vastgestelde bloeding, relatief eenvoudig neurochirurgisch te behandelen is en, indien er direct een medisch adequate behandeling wordt ingezet, doorgaans een relatief goede prognose kent. Het is aan de verdachte te wijten dat het slachtoffer hierop geen kans heeft gehad.

Dat de verdachte zich in de nacht van de mishandeling tevens schuldig heeft gemaakt aan diefstal van twee dure horloges van het slachtoffer, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Het slachtoffer is een jonge man die midden in het leven stond. Voor het slachtoffer en diens familie heeft het geweld ernstige en langdurige gevolgen, zoals ook in de slachtofferverklaring naar voren is gekomen. Er is sprake van blijvend hersenletsel, waarbij het slachtoffer tot op heden volledig afhankelijk is van intensieve verpleging, verzorging en begeleiding en de verwachtingen daaromtrent voor de toekomst zijn somber. Hij zal naar verwachting levenslang afhankelijk blijven van anderen. Een dergelijke mishandeling brengt in de samenleving ook meer in het algemeen gevoelens van afschuw en onveiligheid teweeg.

Tot op heden heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hoewel hij richting het slachtoffer en diens familie excuses heeft gemaakt, erkent hij zijn aandeel in de toestand van het slachtoffer niet en ziet hij vooral zichzelf als slachtoffer.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten en vermogensdelicten.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de volgende rapportages.

Reclasseringsrapport

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 maart 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering constateert bij de verdachte een gebrek aan zelfinzicht, empathisch vermogen en probleemoplossend vermogen. Op basis van de beschikbare informatie is onduidelijk of problematisch middelengebruik bij de verdachte een rol heeft gespeeld. De verdachte kwam op zeventienjarige leeftijd voor het eerst in aanraking met justitie en zijn strafblad beslaat 23 pagina's. Aan de verdachte zijn nooit bijzondere voorwaarden opgelegd, zoals reclasseringstoezicht of hulpverlening. Er heeft ook nooit onderzoek plaatsgevonden naar zijn psychische gesteldheid en wat aan zijn gedrag ten grondslag ligt. Op basis van het gesprek met de reclassering en de beschikbare informatie uit het dossier kan de reclassering geen inschatting maken over de psychische gesteldheid van de verdachte, wat de mogelijkheden zijn qua gedragsbeïnvloeding/-verandering en welke hulpverlening noodzakelijk danwel passend zou zijn. De reclassering heeft geadviseerd onderzoek te laten verrichten door het NIFP.

Psychiatrische en psychologische rapportages

Psychiater [naam psychiater 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 januari 2020. Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan psychiatrisch onderzoek is een weigerrapport opgesteld.

Psycholoog [naam psycholoog 1] heeft eveneens een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 4 februari 2020. Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan psychologisch onderzoek is een weigerrapport opgesteld.

Rapportage Pieter Baan Centrum

De verdachte is ter observatie overgebracht naar het Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC). Psychiater [naam psychiater 2] en psycholoog [naam psycholoog 2] , beiden verbonden aan het PBC, hebben gezamenlijk een rapport opgemaakt op 1 oktober 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Door de categorische weigering van de verdachte om mee te werken, is het niet mogelijk gebleken om zodanige psychiatrische en gedragskundige onderzoeken te verrichten dat daaruit eigenstandige diagnostische conclusies getrokken kunnen worden.

De observaties en beperkte onderzoekscontacten leveren geen aanwijzingen op voor evidente symptomen van paranoïdie, een psychotische of waanstoornis, schizofrenie, angststoornis of stemmingsstoornis. De levensloop van de verdachte wijst ook niet in deze richting. Dat de verdachte lijdende is aan een psychiatrische ziekte is onwaarschijnlijk, maar kan vanwege de beperkingen van het onderzoek ook niet volledig worden uitgesloten.

Er bestaan ook geen aanwijzingen voor ernstige verstandelijke problematiek, maar een mogelijke zwakbegaafdheid dan wel een lichte verstandelijke beperking kan niet worden uitgesloten. De intelligentie valt niet nader te differentiëren. Daarnaast wordt er ook onvoldoende zicht verkregen op de aansturing van de verdachte aangaande de agressieregulatie omdat de onderzoekers onvoldoende hebben kunnen waarnemen en de verdachte in het PBC niet agressief is geweest.

Omdat niet te bepalen valt of de verdachte lijdt aan een psychische stoornis of een verstandelijke handicap, kan geen uitspraak worden gedaan over de beïnvloeding van de gedragskeuzes van de verdachte door een eventuele stoornis ten tijde van het tenlastegelegde. Evenmin is zicht verkregen op wat er in de aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde, indien bewezen, in hem omging. Als al tot een stoornis geconcludeerd zou kunnen worden, dan nog bestaat er veel onduidelijkheid over het delictscenario. Onbekend blijft onder andere of, indien het tenlastegelegde zou worden bewezen, sprake was van impulsief dan wel meer gepland gedrag, wat de mogelijke rol van middelengebruik hierin was en wat de precieze dynamiek was tussen de verdachte en aangever.

Gelet op het voorgaande zijn de rapporteurs niet in staat een uitspraak te doen over een eventuele doorwerking van mogelijke psychopathologie in het tenlastegelegde, of de mate van toerekenbaarheid te beoordelen. Daarnaast is het voor de rapporteurs niet mogelijk de vragen betreffende het recidiverisico betrouwbaar te beantwoorden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de proceshouding van de verdachte. De verdediging heeft verzocht een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een dergelijke straf acht de rechtbank echter, gelet op de bewezenverklaarde feiten, niet passend.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Ingestelde vorderingen

Als benadeelde partijen hebben zich de hieronder genoemde personen in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde feit. De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft zich tevens als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit.

[naam benadeelde 1] (het slachtoffer)

De benadeelde partij vordert een (gewijzigde) vergoeding van € 633.479,05 aan materiële schade. Daarnaast vordert hij een vergoeding van € 350.000,- aan immateriële schade.

[naam benadeelde 2] (broer van het slachtoffer)

De benadeelde partij vordert voorwaardelijk een vergoeding van € 16.986,23 aan materiële schade. Daarnaast vordert hij een vergoeding van € 30.000,- aan immateriële schade, welk bedrag is opgebouwd uit € 15.000,- aan shockschade en € 15.000,- aan affectieschade.

[naam benadeelde 3] (vader van het slachtoffer)

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 42.500,- aan immateriële schade, welk bedrag is opgebouwd uit € 25.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.

[naam benadeelde 4] (moeder van het slachtoffer)

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 32.500,- aan immateriële schade, welk bedrag is opgebouwd uit € 15.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft – kort samengevat – tot het volgende geconcludeerd.

- De vordering van [naam benadeelde 1] is voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van de volgende posten:

  • -

    de post betreffende het spaargeld dient te worden afgewezen, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de strafbare feiten en deze schade;

  • -

    de post horloges dient te worden gematigd tot € 550,- gelet op de verklaring van de broer van het slachtoffer dat de horloges voor dit bedrag zijn gekocht;

  • -

    de posten waarbij is gerekend met 40 jaar toekomstschade kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen omdat op dit moment onzeker is of die schade zich zal uitstrekken over 40 jaren. Het is aan de rechtbank om het aantal jaren te bepalen;

  • -

    de post betreffende de nachtkleding onder kledingschade;

  • -

    de post betreffende het matras, het laken en de deken;

  • -

    de schoonmaakkosten van de woning à € 120,- per maand.

Van de drie laatstgenoemde posten is niet op voorhand duidelijk geworden of de schade ter hoogte van het gevorderde bedrag is geleden. Het verzoek is om deze schade te schatten.

- De vordering van [naam benadeelde 3] is integraal voor toewijzing vatbaar, te weten

€ 25.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.

- De vordering van [naam benadeelde 4] is wat betreft de affectieschade ter hoogte van

€ 17.500,- voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de shockschade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

- De vordering van [naam benadeelde 2] dient ten aanzien van de affectieschade niet- ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de shockschade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

In alle gevallen dienen de toegewezen bedragen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en dat deze derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

8.4.

Beoordeling

Inleiding

Uitgangspunt van het recht is dat iedereen die schade lijdt de eigen schade moet dragen.
Een ander is alleen verplicht die schade te vergoeden als de wet dat bepaalt. De verdachte heeft geweld uitgeoefend tegen het slachtoffer en heeft daarmee onrechtmatig jegens hem gehandeld. De wet bepaalt dat degene die onrechtmatig handelt jegens een ander verplicht is alle schade die daardoor voor die ander ontstaat aan die ander te vergoeden. Er is dus een wettelijke verplichting voor de verdachte om de schade van het slachtoffer aan hem te vergoeden.

Materieel

[naam benadeelde 1]

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft een vergoeding van de materiële schade gevorderd voor een bedrag van € 633.479,05 en een vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 350.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Eigen risico

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.776,46 voor het eigen risico, bestaande uit € 770,- aan verschenen kosten en € 10.000,46 aan (gekapitaliseerde) kosten voor de toekomst.1 Omdat is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schadepost is toegebracht en de gevorderde schadepost ook voor wat betreft de toekomstige schade de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel van de vordering integraal worden toegewezen.

Eigen bijdrage ziektekosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.076,69 aan eigen bijdrage ziektekosten, bestaande uit € 720,- aan verschenen kosten en € 9.356,69 aan (gekapitaliseerde) kosten voor de toekomst.2 De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de gemaakte en de te verwachte kosten hiervan onvoldoende zijn onderbouwd met nadere stukken.

Niet vergoede zorgkosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 27.895,13 voor de niet vergoede zorgkosten, bestaande uit € 1.904,33 aan verschenen kosten en € 25.990,80 aan (gekapitaliseerde) kosten voor de toekomst.3 Omdat is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schadepost is toegebracht en de gevorderde schadepost ook voor wat betreft de toekomstige schade de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel integraal worden toegewezen.

Kosten second opinion

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 300,- voor de kosten van een second opinion. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de gemaakte kosten onvoldoende zijn onderbouwd met nadere stukken.

Kosten revalidatie België

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 108.702,- voor de kosten van de revalidatie in België, waarbij het gaat om kosten die nog moeten worden gemaakt, en € 7.056,- aan kosten voor het verblijf van de familie tijdens deze revalidatie. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende blijkt dat deze kosten daadwerkelijk niet voor (enige) vergoeding in aanmerking komen.

Hulpmiddelen

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 153.127,96 aan kosten voor hulpmiddelen. Hierbij gaat het om € 3.784,99 aan gemaakte kosten voor een Ipad, Macbook en toebehoren, € 978,99 aan gemaakte kosten voor een telefoon, € 4.350,- aan toekomstige kosten voor brillen, € 299,- aan gemaakte kosten voor revalidatiespullen,

€ 1.500,- aan gemaakte kosten voor kledingstukken, € 8.309,98 aan toekomstige kosten voor een scootmobiel, € 16.276,- aan toekomstige kosten voor een elektrische rolstoel, € 7.465,- aan toekomstige kosten voor een hometrainer, € 8.472,- aan toekomstige kosten voor een duofiets, € 7.746,- aan toekomstige kosten voor een driewielfiets, € 1.600,- aan gemaakte kosten voor een rolstoelbus, € 72.346,- aan toekomstige kosten voor deze rolstoelbus en

€ 20.000,- aan overige kosten.

De rechtbank acht ten aanzien van de post toekomstige brillen twee brillen voor toewijzing vatbaar ter hoogte van € 1.725,-, betreffende een bril voor in bed en een zonnebril. Voor het overige zal deze post niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende is onderbouwd waarom alle vijf de brillen een rechtstreeks verband houden met het onder 1 bewezen verklaarde feit en de aanschaf hiervan noodzakelijk is. De kostenpost revalidatiespullen zal voor een bedrag ter hoogte van € 149,- worden toegewezen, inhoudende de loopstok ter hoogte van € 50,- en de rolstoel ter hoogte van € 99,-. De kosten voor de spalk, elektrische handvibratiebal en elektrische handtrainer zullen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de te maken kosten hiervan onvoldoende zijn onderbouwd met nadere stukken.

De rechtbank verklaart de schadepost telefoon niet-ontvankelijk, omdat de noodzaak van het aanschaffen van dit goed onvoldoende is onderbouwd. De post kledingstukken zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende duidelijk is geworden dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. Tevens zullen de posten betreffende de Ipad, Macbook en toebehoren, de scootmobiel, de elektrische rolstoel, de hometrainer, de fietsen, de gemaakte en nog te maken kosten van een rolstoelbus en de overige kosten niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat uit de onderbouwing niet is gebleken dat deze goederen noodzakelijk zijn en daarmee een rechtstreeks verband hebben met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat het slachtoffer in de toekomst gebruik van deze goederen kan en zal maken.

Ziekenhuis- en revalidatieopname

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 6.225,- aan kosten voor de ziekenhuis- en revalidatieopname, bestaande uit € 4.890,- aan verschenen kosten en

€ 1.335,- aan kosten voor de toekomst. Omdat is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit, rechtstreeks deze schade is toegebracht en omdat de gevorderde schade ook voor wat betreft de toekomstige schade de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit onderdeel integraal worden toegewezen.

Mantelzorg/huishoudelijke hulp

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 283.711,94 aan kosten voor de mantelzorg/huishoudelijke hulp, bestaande uit € 26.481,- aan verschenen kosten en € 257.230,94 aan kosten voor de toekomst. De rechtbank acht de uren die tot op heden aan het slachtoffer als mantelzorg zijn besteed deels voor toewijzing vatbaar. Het gaat hierbij om de navolgende perioden waarin het slachtoffer bij zijn ouders thuis door zijn familie is verzorgd: van 2 oktober 2019 t/m 30 december 2019 (90 dagen) en van 4 maart 2020 t/m 20 september 2020 (201 dagen). Sinds 20 september 2020 verblijft het slachtoffer tot 6 januari 2021 (109 dagen) viereneenhalve dag in een revalidatiecentrum, de overige dagen is hij thuis. Van 6 januari 2021 tot en met 1 februari 2021 (21 dagen) zal het slachtoffer weer bij zijn ouders verblijven. De rechtbank overweegt dat het uurbedrag van € 9,50 redelijk is.

In totaal gaat het om een bedrag van € 81.396,- .4 Onder verrekening van het aan het slachtoffer toegewezen PGB van € 4833,33 per maand (totaal 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021: € 53.166,63) zal de vergoeding worden bepaald op € 28.229,37. Het deel van de vordering dat ziet op de mantelzorg terwijl het slachtoffer zich in het ziekenhuis of revalidatiecentrum bevond of ziet op de toekomstige mantelzorg zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvooldoende is onderbouwd dat de bezoeken aan het slachtoffer in het ziekenhuis als mantelzorg zijn te beschouwen en thans onvoldoende duidelijk is wat de toekomstige woonsituatie van het slachtoffer zal zijn en welke kosten daarmee zijn gemoeid.

Beschadigde zaken

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 9.550,- aan beschadigde zaken, bestaande uit € 4.500,- aan horloges, € 1.750,- aan spaargeld, € 250,- aan kledingschade en € 3.050,- aan woningschade. Het gevorderde bedrag ten aanzien van de horloges zal worden toegewezen tot een bedrag van € 550,-, omdat uit het dossier is gebleken dat de horloges voor dit bedrag zijn aangeschaft. Dit deel van de vordering zal voor het overige worden afgewezen. De schadepost spaargeld zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. De schade aan de kleding wordt door de rechtbank geschat op € 35,-, het overige deel zal worden afgewezen. De schade aan de woning van het slachtoffer zal worden geschat op € 600,-, te weten € 100,- voor de schoonmaak van de woning en € 500,- voor de waarde van het matras, het laken en het deken. Het overige deel zal worden afgewezen.

Anpassingen woning ouders

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 1.050,- aan kosten gemaakt in de woning van de ouders van het slachtoffer. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit en de gemaakte kosten hiervan onvoldoende zijn onderbouwd met nadere stukken.

Aanpassing woning [naam benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 19.545,- voor kosten van een toekomstige verbouwing van zijn woning. De benadeelde partij zal in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat deze toekomstige kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden.

Reis- en parkeerkosten

De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 2.005,59 aan reiskosten en € 513,33 aan parkeerkosten. De kosten zullen worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt. De genoemde posten zullen als verplaatste schade worden toegewezen bij de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] .

Concluderend acht de rechtbank de volgende posten voor toewijzing vatbaar:

  • -

    Eigen risico: € 10.776,46

  • -

    Niet vergoede zorgkosten: € 27.895,13

  • -

    Hulpmiddelen:
    - Brillen (bril in bed en een zonnebril): € 1.725,-

- Revalidatiespullen: € 149,-

  • -

    Ziekenhuis- en revalidatieopname: € 6.225,-

  • -

    Mantelzorg/huishuidelijke hulp: € 28.229,37

  • -

    Beschadigde zaken:

- Horloges: € 550,-

- Kledingschade: € 35,-

- Woning Arian: € 600,-

Totaal € 76.184,96

Voor het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk wordt verklaard geldt dat nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[naam benadeelde 2]

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft een voorwaardelijke vordering ingediend ter hoogte van € 16.986,23. De rechtbank stelt vast dat de aangevoerde materiële schadeposten kosten betreffen die niet door het slachtoffer zelf zijn gemaakt, maar door de broer van het slachtoffer. De wetgever heeft voor deze specifieke situatie artikel 6:107 Burgerlijk Wetboek (BW) voor ogen gehad. In die bepaling staat, kort gezegd, dat alleen verplaatste schade en affectieschade van een derde/naaste voor vergoeding in aanmerking komen. Van ‘verplaatste schade’ is sprake als derden kosten hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer die het slachtoffer zelf had kunnen vorderen, als het slachtoffer deze kosten zelf had gemaakt.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij de reis- en parkeerkosten voor het bedrag van € 2005,59 respectievelijk € 515,33 voor toewijzing vatbaar. De overige gevorderde kosten zullen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze posten bij de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] (gedeeltelijk) zijn toegewezen dan wel omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

Immaterieel

[naam benadeelde 1]

Aan de benadeelde partij is door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op het verzochte bedrag van € 350.000,-. Bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met de zeer verstrekkende gevolgen die met name de mishandeling voor de benadeelde partij heeft gehad en nog steeds heeft. De rechtbank heeft ook gekeken naar bedragen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn toegwezen.

Affectieschade

De benadeelde partijen [naam benadeelde 3] , [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 2] hebben vergoeding voor affectieschade gevorderd. Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en voor nabestaanden van overleden slachtoffers. Het ernstig letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank benadrukt dat deze vergoeding uit de aard daarvan een symbolisch karakter heeft, omdat zij geen volledige compensatie kan bieden voor het verdriet van de naasten. Uit artikel 6:107 BW volgt welke naasten recht hebben op een vergoeding van de affectieschade. De benoemde kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de gekwetste (lid 2 sub c). De hardheidsclausule van lid 2 sub g ziet op een andere persoon die ten tijde van het ernstig letsel een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de gekwetste, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 1 onder b als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt.

[naam benadeelde 3] (vader) en [naam benadeelde 4] (moeder)

De benadeelde partijen [naam benadeelde 3] en [naam benadeelde 4] , de ouders van het slachtoffer, hebben vergoeding van affectieschade gevorderd ter hoogte van € 17.500,-. Dit is tevens het bedrag dat op grond van het Besluit Vergoeding Affectieschade geldt voor ouders van een meerderjarig, niet thuiswonend, kind dat als gevolg van een misdrijf ernstig en blijvend letsel heeft. Gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader zijn de gevorderde vergoedingen van € 17.500,- aan affectieschade integraal toewijsbaar.

[naam benadeelde 2] (broer)

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] , de broer van het slachtoffer, heeft tevens vergoeding van affectieschade gevorderd, voor een bedrag ter hoogte van € 15.000,-. Zoals hiervoor is beschreven, zijn broers (en zussen) niet opgenomen in de opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een dergelijk recht toe te kennen. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting is vermeld dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De rechtbank leidt hier uit af dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen broers of zussen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is dat uitsluitend komt vast te staan dat zij een zeer goede en hechte band hadden. De rechtbank gaat bij haar beoordeling in onderhavige casus uit van een liefdevolle en betrokken band tussen de broers. Deze bijzondere band is echter niet aan te merken als een nauwe en persoonlijke betrekking zoals hiervoor genoemd en is daardoor onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de (bijzondere) aanvullende eisen die de wetgever stelt aan een beroep op de hardheidsclausule, zoals hiervoor besproken. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

[naam benadeelde 3] (vader)

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade ter hoogte van € 25.000,- onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht. De rechtbank stelt vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de waarneming van de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de mishandeling van het slachtoffer. De benadeelde partij heeft zijn zoon in een comateuze toestand aangetroffen en samen met een buurman eerste hulp verleend tot het moment dat er medisch personeel ter plaatse is gekomen. Deze confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter onderbouwing daarvan heeft de benadeelde partij een schrijven van een psycholoog in het geding gebracht waarin de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) is gesteld. Gelet op het voorgaande kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van de shockschade. De rechtbank zal de vordering ingetraal toewijzen.

[naam benadeelde 4] (moeder) en [naam benadeelde 2] (broer)

De benadeelde partijen [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 2] hebben in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade ter hoogte van € 15.000,- onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen geen van beiden aanwezig zijn geweest bij het geweldsincident tussen de verdachte en het slachtoffer of op het moment dat het slachtoffer in zijn woning in comateuze toestand is aangetroffen. De raadsman van de benadeelde partijen heeft naar voren gebracht dat zij wel geconfronteerd zijn met dit incident doordat zij het slachtoffer op de spoedeisende hulp hebben gezien, vechtend voor zijn leven.

Uit de onderbouwingen van hun vorderingen, maar ook uit hetgeen in de slachtofferverklaring ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat er sprake is van veel verdriet en zorgen voor de toekomst van het slachtoffer. In zoverre is het zeker mogelijk dat ook door hen geestelijk letsel is opgelopen. De door deze benadeelde partijen ingebrachte stukken leveren echter onvoldoende onderbouwing op voor het aannemen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat het gevolg is van de directe confrontatie met de gevolgen van de mishandeling. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vorderingen zou een uitgebreide, nadere behandeling vereisen. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen en er zal worden bepaald dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Wettelijke rente en overige kosten

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juli 2019.

Omdat de vorderingen van de benadeelde partijen in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.5.

Conclusie

De verdachte moet de navolgende benadeelde partijen een schadevergoeding betalen:

- benadeelde partij [naam benadeelde 1] € 76.184,96 aan materiële schade en € 350.000,- aan immateriële schade;

- de benadeelde partij [naam benadeelde 2] € 2.520,59 aan materiële schade;

- benadeelde partij [naam benadeelde 3] € 42.500,- aan immateriële schade;

- benadeelde partij [naam benadeelde 4] € 17.500,- aan immateriële schade.

De hierboven genoemde kosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van [naam benadeelde 1] zal ten aanzien van het meer gevorderde dan is toegewezen bij de posten kledingschade, woningschade en horloges bij het slachtoffer worden afgewezen.

Het resterende deel van bovenvermelde vorderingen zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 301 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 1 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 426.184,96 (zegge: vierhonderdzesentwintigduizendhonderdvierentachtig euro en zesennegentig cent), bestaande uit € 76.184,96 aan materiële schade en € 350.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij meer gevorderde dan is toegewezen ten aanzien van de posten kledingschade, woningschade en horloges bij het slachtoffer;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 426.184,96 (zegge: vierhonderdzesentwintigduizendhonderdvierentachtig euro en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 426.184,96 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 2.520,92 (zegge: tweeduizendvijfhonderdtwintig euro en tweeënnegentig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 2.520,92 (hoofdsom, zegge: tweeduizendvijfhonderdtwintig euro en tweeënnegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.520,92 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 42.500,- (zegge: tweeënveertigduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 42.500,- (hoofdsom, zegge: tweeënveertigduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 42.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 245 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 17.500,- (hoofdsom, zegge: zeventienduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 17.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en M.J.C. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) (met een

voorwerp) op het hoofd en/of het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft geslagen

en/of gestompt, althans enig geweld heeft toegepast,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam

aan een persoon (te weten [naam slachtoffer] ), opzettelijk en met voorbedachten rade,

zwaar lichamelijk letsel (een hersenbloeding), heeft toegebracht,

door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg (meermalen) (met een

voorwerp) op het hoofd en/of in het gezicht van die [naam slachtoffer] te slaan en/of te

stompen, althans enig geweld toe te passen;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam,

met voorbedachten rade,

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door (meermalen) (met een voorwerp) op het hoofd

en/of in het gezicht van die [naam slachtoffer] te slaan en/of te stompen, althans enig

geweld toe te passen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding ten gevolge heeft gehad;

2.

Hij op of omstreeks 02 juli 2019 te Rotterdam,

twee horloges, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

1 Het eigen risiso bedraag per jaar € 385,- x kapitalisatiefactor 25,9908 = € 10.000,46, vermeerderd met het verschenen bedrag van € 770,- = € 10.776,46.

2 De eigen bijdrage ziektekosten bedraagt per jaar € 360,- x kapitalisatiefactor 25,9908 = € 9.356,69, vermeerderd met het verschenen bedrag aan eigen bijdrage van € 720,- = € 10.076,69.

3 De niet vergoede zorgkosten bedragen € 1000,- per jaar x kapitalisatiefactor 25,9908 = € 25.990,80 vermeerderd met het verschenen bedrag aan niet vergoede zorgkosten van € 1.904,33 = € 27.895,13.

4 Periode 2 oktober 2019 t/m 30 december 2019: 90 dagen x 24 uur x € 9,50 = € 20.520,-. Periode 4 maart 2020 t/m 20 september 2020: 201 dagen x 24 uur x € 9,50 = € 45.828 ,-. Periode vanaf 20 september 2020 tot en met 6 jan 2021: 109 dagen = 15,6 weken x 2,5 = 39 dagen x 24 uur x 9,50 = € 8.892,-. Periode vanaf 6 jan 2021 tot en met 1 febr 2021: 27 dagen x 24 uur x 9,50 = € 6.156,-.