Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12997

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
10/701035-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Verdachte is achteruit op een politieagent ingereden. Blijvend letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/701035-19

Datum uitspraak: 24 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,
raadsvrouw mr. T. Sandrk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering poging tot doodslag

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de dood van de aangever. Hij was zich niet bewust van de aanwezigheid van de aangever aan de binnenkant van zijn portierdeur op het moment dat hij gas gaf en achteruit reed. Het is aannemelijk dat de verdachte bij het achteruitrijden over zijn rechterschouder heeft gekeken, waardoor hij geen zicht had op zijn eigen portier. Tevens heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans dat de aangever als gevolg van het handelen van de verdachte zou kunnen komen te overlijden. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte niet met een hoge snelheid reed, dat er geen sprake is geweest van een botsing en dat de verdachte niet reed in een auto die in staat was om een persoon te pletten.

Feitelijke toedacht van de gebeurtenissen

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Naar aanleiding van een melding bij de politie treffen de aangever, verbalisant [naam verbalisant 1] , en zijn collega [naam verbalisant 2] ter plaatse de verdachte aan. Uit de aangifte en het proces-verbaal van [naam verbalisant 2] volgt dat de verdachte plotseling begon te rennen en langs de verbalisanten rende, waarna zij achter hem aanrenden naar een geparkeerd voertuig. De verdachte opende het bestuurdersportier van het voertuig en sprong achter het stuur. De aangever probeerde het bestuurdersportier van het voertuig te openen, waarna de verdachte het portier weer dicht trok. Hierop opende de aangever opnieuw het portier en kwam hij zodoende tussen het geopende portier en de bestuurdersstoel terecht. De verdachte gaf gas, reed achteruit en stuurde rechts in. Hierdoor kwam de aangever klem te zitten en werd hij meegesleurd door het voertuig. De aangever is uiteindelijk op de grond gevallen. Het voertuig is vervolgens – nog steeds achteruit rijdend – over zijn been heen gereden. Het voertuig stopte even en reed toen voorwaarts voor een tweede keer over het been van de aangever heen. Het voertuig is vervolgens met grote snelheid weggereden.

Beoordeling

Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag moet beoordeeld worden of de

verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De verdachte heeft verklaard dat hij is weggerend, omdat hij eerder die avond een slechte ervaring had gehad met de politie en in blinde paniek is weggereden. Hij heeft verklaard dat hij geen opzet heeft gehad op de dood van de aangever.

Dat het zogenoemde ‘volle opzet’ bij de verdachte aanwezig was, valt noch op grond van de verklaring van de verdachte noch op grond van ander bewijs vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank was er echter wel sprake van ‘voorwaardelijk opzet’. Redengevend is daarvoor het volgende.

Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg als de verdachte zich willens

en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg – in dit geval de dood van aangever – zou optreden en hij deze kans vervolgens ten tijde van de gedraging op de koop toe heeft genomen. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. In dit verband neemt de rechtbank in haar overweging mee dat bepaalde gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit het strafdossier en het verhandelde op de terechtzitting blijkt dat de verdachte is gevlucht voor de verbalisanten. Hij is naar zijn voertuig gerend met de verbalisanten achter zich aan. Op het moment dat de verdachte in zijn voertuig stapte, rende de aangever om het voertuig heen naar het bestuurdersportier en heeft hij tot tweemaal toe geprobeerd het portier open te trekken. De eerste keer heeft de verdachte het portier zelf dichtgetrokken. Tijdens de tweede keer dat de aangever het portier open trok, stond de aangever in de opening tussen het portier en de bestuurdersstoel. Op dat moment kon het niet anders zijn dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van – in ieder geval – één verbalisant in de buurt van zijn voertuig. Hierop heeft de verdachte plotseling hard gas gegeven en reed hij vervolgens hard achteruit waarbij hij het voertuig naar rechts liet indraaien, de straat op. Door op dat moment gas te geven, hard achteruit weg te rijden en naar rechts te sturen, ontstond de aanmerkelijke kans dat de aangever dodelijk verwond zou kunnen raken. De aangever had immers nauwelijks de kans om - op het moment dat de verdachte het voertuig achteruit naar rechts stuurde - uit de positie tussen de bestuurdersstoel en het portier weg te komen. Hij zag als enige optie om zich aan het voertuig vast te klampen en is een heel stuk met het voertuig meegesleurd. Door de manoeuvre die de verdachte met het voertuig maakte is de aangever uiteindelijk ten val gekomen waarbij zijn hoofd en gezicht op straat kwamen. Het was voorzienbaar dat de aangever door het open portier ongelukkig en hard ten val zou komen en daarbij geheel of gedeeltelijk onder het voertuig terecht zou komen. Dit laatste is ook gebeurd. De verdachte is tweemaal over het been van de aangever heen gereden, waarna hij met hoge snelheid zijn vlucht heeft voortgezet. De aangever heeft aan deze gebeurtenis letsel overgehouden.

Dat de verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, wordt afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelswijze, anders gezegd: hoe zijn acties tonen in de beschreven situatie.

In tegenstelling tot wat door de verdediging is aangevoerd, is het in deze situatie niet van belang dat er geen sprake is geweest van een botsing. Dat het voertuig van de verdachte op zichzelf niet in staat is om een persoon te ‘pletten’ acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Het onverwachts flink gas geven en vanuit stilstand met hoge snelheid achteruit rijden, terwijl de aangever het portier van het voertuig had geopend, maakt dat er al sprake is van het voorwaardelijk opzet op het doden van de aangever.

Conclusie

Bewezen is de poging tot doodslag door de verdachte op de aangever.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 december 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] (opsporingsambtenaar van politie Eenheid Rotterdam) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een (geparkeerd staande) (personen)auto met hoge snelheid achteruit is gereden, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] zich tussen de auto en het openstaande portier aan de bestuurderszijde van deze auto bevond, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] zich aan de (achteruit) rijdende auto moest vastklampen om een (harde) val en overrijding door de auto te voorkomen, door toedoen waarvan die [naam slachtoffer] door/met voornoemde auto werd meegesleurd/meegetrokken en/of (vervolgens) (daarbij), terwijl die [naam slachtoffer] als gevolg van de beweging/snelheid van de auto alsnog ten val was gekomen meermalen, met deze auto over een been/voet van die [naam slachtoffer] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

Op 17 december 2019 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Toen de verdachte die avond een tweede ontmoeting met de politie vreesde, is hij weggerend van de verbalisanten en in zijn voertuig gestapt. Terwijl een van de verbalisanten, de aangever, de verdachte probeerde tegen te houden door – tot twee keer toe – het portier van het voertuig te openen, is de verdachte met het voertuig met hoge snelheid achteruit gereden. Als gevolg hiervan is de aangever uiteindelijk ten val gekomen waarbij over zijn been is heengereden. Vervolgens is de verdachte weggereden. De verdachte is daarbij opnieuw over een been van de aangever gereden. De verdachte heeft door zijn gevaarlijke manoeuvre de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever hierdoor dodelijk ten val zou komen of dodelijk verwond zou raken. Dat de aangever slechts een gebroken middenvoetsbeentje, letsel aan zijn scheenbeen en letsel aan het kraakbeen van zijn knie heeft opgelopen, is niet aan het gedrag van de verdachte te danken. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen persoonlijke belang: het wegvluchten uit angst voor een aanhouding.

Een dergelijk opzettelijk ongeluk, gepleegd in het verkeer op de openbare weg is heel kwalijk. Uit de verklaringen van de aangever, de aanvullende FARR-verklaringen en zijn woorden op de terechtzitting blijkt dat hij nog dagelijks geconfronteerd wordt met zijn letsel en de weg naar herstel nog lang is, en volledig herstel misschien zelfs onbereikbaar is. Dit is extra wrang omdat de verdachte hem dit aandeed terwijl de aangever gewoon zijn werk deed. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft op 7 september 2020 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt – samengevat – het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van impulsiviteitsproblematiek, onvoldoende probleembesef en

-inzicht en matige copingsvaardigheden. Dit staat in relatie tot zijn ADHD en een licht verstandelijke beperking. Daarnaast heeft de verdachte enige problemen met zijn huisvesting en openstaande schulden. Er is geen sprake van een delictpatroon. De kans op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering schat in dat de verdachte gebaat is bij begeleiding en behandeling van zijn problemen. De reclassering geeft aan dat hiermee recidive kan worden voorkomen en dat aldus kan worden voorkomen dat de verdachte maatschappelijk afglijdt.

De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, het meewerken aan schuldhulpverlening en het meewerken aan het vinden en behouden van huisvesting.

De verdachte is tijdens het lopende schorsingstoezicht gestart met de bijzondere voorwaarden. Een directe voortzetting hiervan heeft volgens de reclassering de voorkeur.

De rechtbank heeft dit rapport betrokken in haar overwegingen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde een ernstig strafbaar feit betreft, mede omdat het feit is gepleegd tegen een verbalisant in de uitoefening van zijn werk, waarbij in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats is.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de leeftijd van de verdachte, de open houding van de verdachte op de terechtzitting, het feit dat hij kennelijk gebukt is gegaan onder de situatie, de door de reclassering geschetste problematiek die bij hem speelt en het gegeven dat hij niet eerder voor een geweldsdelict met justitie in aanraking is geweest. Tevens wordt meegewogen dat de verdachte volgens de reclassering baat heeft bij behandeling.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om, anders dan de officier van justitie heeft geëist, aan de verdachte een gevangenisstraf voor na te noemen duur op te leggen in combinatie met een forse taakstraf.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De verdediging heeft verzocht om in het geval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet langer te laten zijn dan de duur van het voorarrest. Hiervoor vindt de rechtbank het feit te ernstig.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de veroordeelde zal zich laten onderzoeken en behandelen door Stichting Mozaik of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

4. de veroordeelde werkt mee aan begeleiding bij het vinden en behouden van huisvesting, ook wanneer het om een vorm van begeleid wonen gaat.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. K.A. Baggerman en J.S. van den Berge, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter /oudste rechter /jongste rechter /griffier is /zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 december 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] (opsporingsambtenaar van politie Eenheid Rotterdam) van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een (geparkeerd staande) (personen)auto met hoge/verhoogd snelheid achteruit is gereden, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] zich tussen de auto en het openstaande portier aan de bestuurderszijde van deze auto bevond, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] zich aan de (achteruit) rijdende auto moest vastklampen om een (harde) val en/of overrijding door de auto te voorkomen, door toedoen waarvan die [naam slachtoffer] door/met voornoemde auto werd meegesleurd/meegetrokken en/of (vervolgens) (daarbij), terwijl die [naam slachtoffer] als gevolg van de beweging/snelheid van de auto (alsnog) ten val was gekomen meermalen, althans eenmaal, met deze auto over de benen/voeten, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2019 te Rotterdam aan een ambtenaar, te weten [naam slachtoffer] (opsporingsambtenaar van politie Eenheid Rotterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken voet, letsel aan de linkerknie en/of kruisband, heeft toegebracht door als bestuurder van een (personen)auto met hoge/verhoogde snelheid meermalen, althans eenmaal met deze auto over de benen/voeten van die [naam slachtoffer] is gereden;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2019 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] (opsporingsambtenaar van politie Eenheid Rotterdam) gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een (geparkeerd staande) (personen) auto met hoge/verhoogde snelheid achteruit is gereden, terwijl voornoemde [naam slachtoffer] zich tussen de auto en het openstaande portier aan de bestuurderszijde van deze auto bevond, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] zich aan de (achteruit) rijdende auto moest vastklampen om een (harde) val en/of overrijding door de auto te voorkomen, door toedoen waarvan die [naam slachtoffer] door/met voornoemde auto werd meegesleurd/meegetrokken en/of (vervolgens) (daarbij), terwijl die [naam slachtoffer] als gevolg van de beweging/snelheid van de auto (alsnog) ten val was gekomen meermalen, althans eenmaal, met deze auto (alsnog) ten val was gekomen meermalen, althans eenmaal, met deze auto over de benen/voeten, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.