Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:1297

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
10/960106-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een coördinerende rol deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven en daaraan gerelateerde misdrijven als afpersing, witwassen en omkoping. Binnen het onderhavige onderzoek, gericht op die criminele organisatie, is eenmaal een door de verdachte en enkele medeverdachten georganiseerde invoer van 171 kilogram cocaïne onderschept. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960106-17

Datum uitspraak: 17 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14, 15, 16 en 20 januari 2020 en 3 februari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. E. van Doorn en G. Sannes (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 25.000,-.

4 Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

a. De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onder 2 nietig is voor zover daarin verdachte wordt verweten dat hij zou hebben deelgenomen aan een organisatie die ‘althans enige misdrijven’ tot oogmerk had. Deze zinssnede is onvoldoende feitelijk.

b. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de zinsnede ‘en/of 328ter Wetboek van Strafrecht’ nietig is, nu de omkoping van douaneambtenaren hier niet onder valt en onduidelijk is waarop dit verwijt wel betrekking heeft.

c. Verder moet de tenlastelegging (onder 1 en 2) nietig worden verklaard, nu niet duidelijk is op welke organisatie de officier van justitie doelt Het is daarom de vraag of het om één of twee groeperingen gaat.

d. Ten slotte is de tenlastelegging onder 1 nietig voor zover daarin verwezen wordt naar artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 11, derde en vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet. Dit zijn (zo begrijpt de rechtbank het betoog van de raadsman) geen delictsomschrijvingen en daardoor onduidelijk voor een leek zoals de verdachte.

4.2.

Standpunt officier van justitie

De tenlasteleggingen onder 1 en 2 zijn gelet op de inhoud van het dossier Spijker voldoende duidelijk.

4.3.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt de diverse verweren en overweegt daartoe het volgende.

Ad a

De misdrijven waarop de onder 2 bedoelde organisatie het oog had komen expliciet en met de nodige duidelijkheid aan de orde in zaaksdossier Spijker, in samenhang waarmee de tenlastelegging moet worden gelezen. Tegen die achtergrond beschouwd moet het voor verdachte voldoende helder zijn geweest waartegen hij zich diende te verdedigen. Het verweer wordt verworpen.

Ad b

De overtreding van art. 328ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) komt in zaaksdossier Spijker telkens aan de orde onder het kopje ‘corruptie’ (blz. 16, 18-19, 21 relaas; blz. 36-40; 198-206; 534-538 bijlagen). Daaruit volgt dat het hier om de omkoping van havenmedewerkers gaat. Dit moet ook aan de verdediging duidelijk zijn geweest. Het verweer wordt verworpen.

Ad c

Uit het schriftelijk requisitoir en de toelichting daarop door de officier van justitie ter terechtzitting volgt dat de tenlastelegging voor de feiten 1 en 2 ziet op één en dezelfde criminele organisatie, waar de verdachte en zijn medeverdachten aan zouden hebben deelgenomen. Daarbij is, voor zover de organisatie het oogmerk heeft op delicten strafbaar gesteld bij de Opiumwet, gekozen voor de gekwalificeerde specialis van artikel 11a van die wet. De rechtbank ziet niet in wat hieraan onduidelijk is. Het verweer wordt verworpen.

Ad d

De rechtbank ontgaat de strekking van het verweer voor zover daarmee wordt opgekomen tegen de vermelding van artikel 11a Opiumwet. De – op zich juiste – constatering dat artikel 10 (evenals 11) van die wet geen delictsomschrijvingen bevat, doet er niet aan af dat de verwijzing in artikel 10 Opiumwet naar de bepalingen van artikel 2 onder A, B, C en D Opiumwet voldoende duidelijk maakt waartegen het verwijt zich richt. Daar komt bij dat de wetgever ervoor gekozen heeft de genoemde artikelen als strafbaar oogmerk van de aldaar bedoelde organisatie te noemen (en niet de bepalingen van artikel 2 en 3 van de Opiumwet), reden waarom een andere manier van tenlastelegging ook niet in aanmerking komt. Het verweer faalt.

4.4.

Conclusie

De verweren worden verworpen. De dagvaarding is geldig.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering feit 1 en 2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is het volgende aangevoerd. De misdrijven die deze vermeende organisatie op het oog zou hebben gehad, waren geen misdrijven waaraan de verdachte op enige wijze heeft deelgenomen of waarvan hij zelfs maar op de hoogte was. Geen van deze misdrijven is ook afzonderlijk aan de verdachte ten laste gelegd. Van het daadwerkelijk omkopen van iemand is bovendien niet gebleken.
Ten aanzien van de organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet is het volgende aangevoerd. Het bewijs voor deelname van de verdachte aan deze organisatie moet voornamelijk worden gehaald uit telefoongesprekken en uit opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC-gesprekken). Om deze gesprekken als bewijs te gebruiken, is teveel interpretatie en eigen invulling daarvan nodig. Dat is te riskant. Bovendien is het maar de vraag of überhaupt sprake is geweest van het bestaan van een organisatie; eerder lijkt sprake te zijn van losse personen die wel eens samenwerkten.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en 11b Opiumwet slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon - om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt - moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. De verdachte hoeft evenmin bij meerdere misdrijven van de organisatie betrokken te zijn geweest. Het gaat er immers niet om of zijn opzet was gericht op het plegen van (meer) misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Wijze van ten laste leggen

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ervoor gekozen heeft om de beide organisaties – zowel die welke zich bezighield met delicten als bedoeld in de Opiumwet als de organisatie die commune delicten tot oogmerk had – afzonderlijk en onder twee feiten ten laste te leggen. Dat staat er niet aan in de weg dat de rechtbank de beide verwijten als één feit beschouwt in die zin dat het om één en dezelfde organisatie gaat die beide soorten misdrijven tot oogmerk had. Deze opvatting van de tenlastelegging is niet in strijd met haar bewoordingen en is in overeenstemming met de uitleg zoals de officier van justitie die ter terechtzitting heeft gegeven. Een en ander betekent wel dat er tussen de beide feiten – voor zover bewezen – sprake is van eendaadse samenloop.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Bijnamen

De (mede)verdachten worden in het dossier (mede) met de volgende bijnamen aangeduid:

[naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ): [bijnaam 1 medeverdachte 1] , [bijnaam 2 medeverdachte 1] en (in het contact met [naam medeverdachte 2] ) [bijnaam 3 medeverdachte 1] ;

[naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ): [bijnaam medeverdachte 3] ;

[naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ): [bijnaam 1 verdachte] , [bijnaam 2 verdachte] ;

[naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ): [bijnaam 1 medeverdachte 2] en (in het contact met [naam medeverdachte 1] ) [bijnaam 2 medeverdachte 2] .

A. Samenwerkingsverband

Voor het bewijs dat er sprake is geweest van strafbare overtreding van artikel 140 Sr en/of 11b Opiumwet is allereerst vereist dat vast komt te staan dat er een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen heeft bestaan dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Bij dat samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een zekere duurzaamheid en structuur.

a. Samenwerkingsverband [naam medeverdachte 1] / [naam medeverdachte 3] / [naam verdachte]

Uit uitlatingen van de verdachten zoals die blijken uit heimelijk opgenomen gesprekken was er al gedurende een aantal jaren – in elk geval langer dan de tenlastegelegde periode – sprake van samenwerking tussen [naam medeverdachte 1] en anderen gericht op het in Nederland invoeren van verdovende middelen.

Op basis van die gesprekken kan allereerst worden vastgesteld dat de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] al geruime tijd samenwerkten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een gesprek tussen hen beiden, gevoerd op 16 mei 2017 (blz. 156), waarin [naam medeverdachte 3] tegen zijn gesprekspartner zegt dat er ‘weinig mensen [zijn] die het zo lang vol hebben gehouden als wij […]. Heel weinig. Elke groep werkt een of twee keer, klaar.’ Daaruit valt al af te leiden dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] zichzelf beschouwen als behorende tot een groep en dat die groep toen al lange(re) tijd bestond. Ook in een gesprek dat [naam medeverdachte 1] met ene [naam persoon 1] heeft gevoerd op 16 februari 2018 komt het al lang bestaande samenwerkingsverband tussen hem en [naam medeverdachte 3] (‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’) aan de orde. In dat gesprek haalt [naam medeverdachte 1] herinneringen op aan zijn begintijd met ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’. Na te hebben opgemerkt dat hij ‘dit werk al heel lang’ doet (blz. 515) zegt hij onder andere het volgende: ‘Het was [de rechtbank begrijpt: in het begin] niet veel hoor. Toen deden [bijnaam medeverdachte 3] en ik tassenwerk, weet je wel?’ Uit dit gesprek volgt tevens dat het ‘werk’ bestaat uit het van schepen afhalen van verdovende middelen. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat het bij via de Rotterdamse (en Antwerpse) haven ingevoerde drugs hoofdzakelijk om cocaïne gaat, staat daarmee vast dat de ‘groep’ waartoe [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] zich rekenden tot oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

Ook [naam verdachte] maakte deel uit van het samenwerkingsverband. Dit volgt, behalve uit diverse observaties en opnames van gesprekken gemaakt in de auto van [naam verdachte] (relaas blz. 22), met name uit een opmerking van [naam medeverdachte 1] bij een ontmoeting in het Carlton Oasis Hotel te Spijkenisse op 30 maart 2017, die als volgt luidt: ‘die streep (de rechtbank begrijpt, overeenkomstig de uitleg van de verdachte zelf1, douaneambtenaar) in Rotterdam, die is van mij, [bijnaam medeverdachte 3] en nog een vriend van mij. We werken met z’n drieën samen. Eh, [naam persoon 2] , […] die [bijnaam 1 verdachte] . We zijn met z’n drieën hier, dus van ons is die streep’ (blz. 1107). Elders spreekt [naam verdachte] zelf tegen [naam medeverdachte 3] , die vraagt naar ‘jouw man’, over ‘mijn douane’ (blz. 812).

b. Rol [naam medeverdachte 2]

Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast van diverse contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Onder [naam medeverdachte 2] is een PGP-telefoon in beslag genomen waarin gesprekken zijn aangetroffen tussen hem en een persoon die hij aanduidt als ‘ [bijnaam 2 medeverdachte 1] ’ en ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’. Zoals hierboven is overwogen zijn beide bijnamen van [naam medeverdachte 1] , waarbij deze laatste ook [naam medeverdachte 2] als ‘ [bijnaam 3 medeverdachte 1] ’ aanspreekt (blz. 1987). De contacten hebben onder meer betrekking op de kwestie tussen [naam medeverdachte 1] en [naam persoon 3] , zoals die blijkt uit zaaksdossier Vlieg, en dateren uit het voorjaar van 2016.

[naam medeverdachte 2] was gedurende de onderzoeksperiode werkzaam bij de Belastingdienst in Den Haag. Wanneer [naam medeverdachte 1] het in de opgenomen gesprekken heeft over ‘zijn maat bij de belasting’ (blz. 226) en bevestigt dat hij ‘iemand bij de belastingdienst’ heeft (blz. 201), gaat het daarbij naar het oordeel van de rechtbank over [naam medeverdachte 2] . [naam medeverdachte 1] refereert ook in een gesprek met [naam medeverdachte 3] aan ‘de belastingman’, terwijl [naam medeverdachte 3] kennelijk weet wie [naam medeverdachte 1] daarmee bedoelt (blz. 497).

Op grond van de voorgaande opmerkingen en het gegeven dat [naam medeverdachte 2] werd aangestuurd door [naam medeverdachte 1] , is de rechtbank van oordeel dat ook [naam medeverdachte 2] onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie. De contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zien vooral op het faciliteren van (rand)zaken rondom de invoer van verdovende middelen. Dit volgt onder andere uit zaaksdossier Panama, waaruit volgt dat [naam medeverdachte 2] de gegevens van [naam persoon 4] heeft achterhaald voor [naam medeverdachte 1] op het moment dat [naam persoon 4] zijn voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne had gestaakt en, ondanks afspraak, niet voor [naam medeverdachte 1] naar Panama was gereisd.

B. Duurzaamheid

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de organisatie gedurende langere tijd heeft bestaan – in elk geval langer dan de tenlastegelegde pleegperiode – en dat er sprake was van een intensief activiteitenniveau. Zo bevat het dossier (relaas blz. 47-51) een opsomming van meer dan honderd ontmoetingen in de periode van 28 oktober 2016 tot en met 30 maart 2018 die [naam medeverdachte 1] en andere deelnemers met elkaar of anderen hebben op straat en in openbare gelegenheden. Van de in dit onderzoek niet-vervolgde personen bij deze ontmoetingen heeft een groot aantal antecedenten op het gebied van de Opiumwet. Daarnaast voerden – blijkens daarvan opgemaakte processen-verbaal – [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] regelmatig overleg met elkaar in (door hen gehuurde) auto’s (relaas blz. 15-30). De daarbij opgenomen gesprekken beslaan de periode van 1 december 2016 tot en met 17 april 2018. Daarbij wordt frequent gesproken over zaken die samenhangen met de door de leden van de organisatie begane of voorbereide misdrijven.

C. Structuur

De rechtbank is tevens van oordeel dat binnen de organisatie sprake was van een zekere structuur. Zij verwijst hiervoor met name naar hetgeen hieronder overwogen zal worden betreffende zaaksdossier [adres 2] . Daarin is sprake van de invoer in Nederland van een partij van 171 kilo cocaïne via de haven; duidelijk wordt dat [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] gezamenlijk vanuit een pand in Rotterdam de actie hebben gecoördineerd. Daarbij onderhield [naam medeverdachte 3] de contacten met de chauffeur en [naam verdachte] die met de eigenaar van de loods waarin de cocaïne diende te worden overgeslagen. Uit de bewijsmiddelen wordt verder duidelijk dat [naam medeverdachte 1] in staat was grote bedragen te investeren in de aankoop van partijen verdovende middelen en ook de overige kosten die gemaakt dienen te worden uit eigen middelen kon bestrijden (blz. 1105).

Er lijkt sprake te zijn geweest van een zekere hiërarchie binnen de organisatie. Dat volgt al uit de omstandigheid dat degenen die hand- en spandiensten verrichten (bijvoorbeeld de douaniers en ‘uithalers’) door het hier genoemde drietal werden aangestuurd. Binnen dit drietal is onderling overigens ook weer sprake van hiërarchie, nu [naam medeverdachte 3] zichzelf en [naam medeverdachte 1] ten opzichte van [naam verdachte] diens (‘zijn’) ‘opdrachtgevers’ noemt (blz. 687) en hem naar eigen zeggen het consigne zou hebben gegeven dat hij ‘niet voor ons (de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] ) [moest] gaan beslissen’ maar veeleer ‘precies [moest] doen wat wij zeggen’ (blz. 712).

[naam medeverdachte 2] was als medewerker van de Belastingdienst (blz. 14 relaas) in staat om verschillende systemen van de Belastingdienst te raadplegen en leverde de daarin opgeslagen gegevens aan [naam medeverdachte 1] (blz. 16 en 33 relaas). Verder is gebleken dat [naam medeverdachte 2] geld heeft bewaard voor [naam medeverdachte 1] (blz. 16 relaas). Ten slotte leidt de rechtbank uit een opgenomen gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] af dat bij ‘de belastingman’ [de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 2] ] ook stukken werden bewaard met betrekking tot de openstaande vorderingen van de organisatie (blz. 86 relaas).

D. Oogmerk van de organisatie

Uit het voorgaande volgt dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven als strafbaar gesteld bij de Opiumwet, in het bijzonder het binnen Nederland brengen van verdovende middelen als bedoeld in lijst I behorende bij die wet (harddrugs), het vervoeren daarvan, en de voorbereiding van deze misdrijven. Van dergelijke handelingen met betrekking tot stoffen als bedoeld in lijst II bij de wet (softdrugs) is niet gebleken, zodat de rechtbank de verdachten daarvan zal vrijspreken.

De organisatie had eveneens het oogmerk op andere, niet bij de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven. Hierboven werd al een bewijsmiddel aangehaald waaruit volgt dat de organisatie de beschikking had over een ‘streep’, dat wil zeggen een douaneambtenaar. Eveneens hierboven was al sprake van ‘strepen’ die ‘van’ de leden van de organisatie zijn. Het gaat hier, zo begrijpt de rechtbank, om het omkopen van douaneambtenaren die werkzaam waren in de Rotterdamse haven, teneinde de invoer van verdovende middelen te bevorderen. Daarmee had de organisatie dus tevens het oogmerk op overtreding van artikel 177 Sr. Duidelijk is tevens dat ook anderen – havenmedewerkers – door de organisatie betaald werden. Zo spreekt [naam medeverdachte 1] over een ‘compleet verhaal’, bestaande uit twee miljoen voor de strepen en een half miljoen voor het bedrijf, de logistiek en ‘de jongens die de spullen uitladen, de stashes’ (blz. 1105). Daaruit volgt dat de organisatie ook het oogmerk had op overtreding van artikel 328ter Sr.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met handel in verdovende middelen grote winsten worden gemaakt. Hierboven kwam al ter sprake dat aanzienlijke geldbedragen werden uitgegeven aan de omkoping van douaneambtenaren en havenmedewerkers; naar mag worden aangenomen gaat het daarbij om de herinvestering van met eerdere transporten verdiend en dus van misdrijf afkomstig geld. Daarnaast is in het dossier gerelateerd dat enkele leden van de organisatie de beschikking hadden over – gelet op hun reguliere inkomsten onverklaarbare – grote geldbedragen (relaas blz. 84-88). Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de organisatie tevens het oogmerk had op witwassen. Gelet op de grootte van de daarmee gemoeide bedragen en de lange tijdspanne waarin de geldbedragen werden gegenereerd en omgezet kan daarbij van gewoontewitwassen worden gesproken.

Voor de door [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 1] geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst geldt dat eerstgenoemde daarmee zijn geheimhoudingsplicht als ambtenaar schond. Aldus staat vast dat de organisatie tevens de overtreding van artikel 272 Sr tot oogmerk had.

Ten slotte volgt uit zaaksdossier Vlieg, waarvan een samenvatting in zaaksdossier Spijker is opgenomen (relaas blz. 33-35), dat [naam medeverdachte 1] – mede op grond van door [naam medeverdachte 2] aan hem geleverde informatie uit de systemen van de Belastingdienst – getracht heeft een schuld aan hem van [naam persoon 3] te innen. Daarbij is deze [naam persoon 3] in opdracht van [naam medeverdachte 1] en door tussenkomst van [naam medeverdachte 2] bedreigd en fysiek belaagd.

E. Deelneming

Voor [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] volgt uit hun hiervoor opgenomen uitlatingen in opgenomen gesprekken zonder meer van hun bewustheid van het doel van de organisatie en de door hen daaraan geleverde bijdrage. Voor [naam medeverdachte 2] geldt dat hij aan [naam medeverdachte 1] over verscheidene personen en bedrijven gegevens uit de belastingsystemen heeft verschaft, terwijl hij er blijkens de bewijsmiddelen mee bekend was dat die personen daarmee onder druk konden worden gezet en hij ook zelf opdracht gaf tot dit onder druk zetten (blz. 58).

Bewijsuitsluitingsverweer

De verdediging heeft zich nog op het standpunt gesteld dat de resultaten van de doorzoeking van de woning aan het [adres 1] op 22 juni 2017 dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat – kort gezegd – sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking.

Aangezien de rechtbank van de resultaten van deze doorzoeking geen gebruik zal maken voor het bewijs, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een samenwerkingsverband dat was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, alsmede op afpersing en/of openlijk geweld tegen personen, (gewoonte-)witwassen, omkoping van ambtenaren, schending van geheimen en niet-ambtelijke omkoping en dat hij een aandeel heeft gehad in gedragingen die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

Conclusie

Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

5.2.

Bewijswaardering feit 3

Inleiding

In dit zaaksdossier wordt [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] verweten dat zij tezamen met elkaar en/of anderen in de periode van 7 november tot en met 10 november 2017 ongeveer 171 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van dit feit.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op de afzonderlijke verweren wordt hieronder, voor zover nodig, ingegaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met de medeverdachten, dit feit heeft begaan en overweegt het volgende.

Niet ter discussie staat dat op 10 november 2017 te Vierpolders in een loods die gehuurd werd door een bedrijf dat (middellijk) op naam stond van [naam persoon 5] 171 kilo van een materiaal bevattende cocaïne is aangetroffen. Deze cocaïne was afkomstig van het terrein van ECT in de Rotterdamse haven en was kort ervoor naar Vierpolders vervoerd in een bedrijfsauto met opschrift ‘ [naam opschrift] ’ en kenteken [kentekennummer 1] . De chauffeur van deze auto, [naam persoon 6] , werkte als schilder op het terrein van ECT. Hij had de auto die ochtend van een collega geleend en was daarmee de containerstack ingereden, waar hij voor zijn werkzaamheden niets te zoeken had. Nu het als een feit van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat in de Rotterdamse haven veelvuldig over zee grote partijen cocaïne worden ingevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat deze cocaïne op het ECT-terrein uit een daar geloste container is gehaald en dat [naam persoon 6] hiermee vervolgens naar Vierpolders is gereden.

Het verwijt dat de officier van justitie de verdachte maakt, komt erop neer dat hij en zijn medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] deze invoer vanuit een huis aan de [adres 2] te Rotterdam hebben gecoördineerd. De rechtbank stelt allereerst vast dat alle drie de verdachten ten minste gedurende de ochtend van 10 november 2017 en enige tijd daarvoor in dit huis hebben vertoefd. Dit volgt, behalve uit hun eigen verklaringen elk voor zich ter terechtzitting, uit de observatieverslagen in het dossier, gelezen in samenhang met de bakengegevens van de auto’s die bij [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] in gebruik waren en de zendmastgegevens van hun beider telefoons.

Wat betreft de aanwezigheid van [naam medeverdachte 3] in het huis aan de [adres 2] wijst de rechtbank nog op het volgende. Onder de eerdergenoemde [naam persoon 6] is op 10 november 2017 een mobiele telefoon in beslag genomen die op 7 november 2017 geactiveerd is. Het toestel, voorzien van nummer [gsm-nummer 1] , heeft op 10 november 2017 veelvuldig contact onderhouden met nummer [gsm-nummer 2] , dat in de contactenlijst van het eerstgenoemde toestel als ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’ vermeld staat. Uit het dossier volgt dat [naam medeverdachte 3] [bijnaam medeverdachte 3] wordt genoemd. Het toestel van deze [bijnaam medeverdachte 3] , dat eveneens op 7 november 2017 rond 18.00 uur geactiveerd wordt, straalt bij de contacten tussen 9 november 2017 om 6.00 uur en 10 november om 8.37 uur telkens een zendmast aan de [adres 2] aan. Buiten [naam medeverdachte 3] is van geen van de personen die zich in de ochtend van 10 november 2017 in de woning aan de [adres 2] bevonden vastgesteld dat deze [bijnaam medeverdachte 3] werd genoemd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [naam medeverdachte 3] de gebruiker was van het telefoonnummer [gsm-nummer 2] .

Op de alternatieve verklaring van de verdachten dat zij in het huis aan de [adres 2] waren om te pokeren komt de rechtbank hieronder terug.

De rechtbank stelt vast dat [naam verdachte] degene was die per telefoon het contact onderhield met [naam persoon 5] , die zich ten tijde van de aflevering van de cocaïne in de loods te Vierpolders bevond. Daartoe is het volgende redengevend:

  • -

    Het telefoonnummer [gsm-nummer 3] was in gebruik bij [naam persoon 5] (zie [nummer proces-verbaal 1] , blz. 474-476);

  • -

    Dit telefoonnummer stond op 9 en 10 november 2017 in contact met een toestel met IMEI-nummer [imei-nummer] , waarin op genoemde data een simkaart zat met nummer [gsm-nummer 4] . Het genoemde IMEI-nummer is naar voren gekomen uit de inzet van een IMSI-catcher tegen [naam verdachte] op 12 oktober 2017 in combinatie met observaties (zie [nummer proces-verbaal 2] );

  • -

    Voor zover met het toestel met het genoemde IMEI-nummer gesprekken zijn gevoerd, is daarbij doorgaans de stem van [naam verdachte] herkend; slechts tweemaal zou – zo is op basis van stemherkenning vastgesteld – [naam medeverdachte 1] deze telefoon hebben gebruikt;

  • -

    Daarbij bevond deze telefoon zich blijkens de aangestraalde zendmast telkens in de nabije omgeving van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam.

De verdediging heeft bestreden dat de in het dossier aan [naam verdachte] toegeschreven gesprekken door hem gevoerd zijn en dat de stemherkenningen door de verbalisanten onbetrouwbaar zijn. Uit het voorgaande volgt dat het verweer feitelijke grondslag mist: de toeschrijving van het toestel aan [naam verdachte] berust immers niet alleen en niet in hoofdzaak op stemherkenning, maar in eerste instantie op de gegevens verkregen uit de inzet van de IMSI-catcher in combinatie met observaties, waarbij gezien is dat [naam verdachte] met het toestel belde.

Uit de contacten tussen de beide hiervoor genoemde telefoonnummers volgt dat [naam verdachte] aan [naam persoon 5] gedetailleerde instructies gaf hoe hij diende te handelen met betrekking tot de aankomst van de cocaïne. Daarbij geeft [naam verdachte] onder andere de aankomsttijd en de gebruikte auto door en instrueert hij [naam persoon 5] over het openen van de deuren van de loods. De rechtbank verwijst nog naar het tapgesprek tussen [naam verdachte] en [naam persoon 5] van 10 november 2017 om 8.23 uur (blz. 331), waaruit volgt (‘ik heb jou die … auto geschreven’) dat het kort voordien verzonden sms-bericht van 8.22 uur (blz. 330) door [naam verdachte] is opgesteld en verzonden.

Overigens is de vraag wie de berichten precies heeft verstuurd niet of nauwelijks relevant, nu de rechtbank nauwe en bewuste samenwerking en dus medeplegen tussen de verdachten wettig en overtuigend bewezen acht.

Wat betreft de rol van [naam medeverdachte 3] geldt het volgende. Hierboven is al vastgesteld dat [naam medeverdachte 3] zich op de ochtend van 10 november 2017 in de woning aan de [adres 2] bevond. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat de telefoon met nummer [gsm-nummer 2] in gebruik was bij [naam medeverdachte 3] , concludeert zij uit de historische gegevens van dit toestel dat [naam medeverdachte 3] op de ochtend van 10 november 2017 het contact onderhield tussen (de verdachten in) de woning aan de [adres 2] en [naam persoon 6] , de chauffeur van de auto waarin de verdovende middelen naar Vierpolders werden vervoerd.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat het toestel in gebruik bij [naam verdachte] op 10 november 2017 om 8.35 uur trachtte contact op te nemen met dat van [naam persoon 5] . Laatstgenoemd toestel reageerde niet – [naam persoon 5] was immers kort voordien aangehouden of stond op het punt te worden aangehouden – en in plaats daarvan trad de voicemail in werking. Bij het afluisteren van de voicemail door de politie werd duidelijk dat er op dat moment een achtergrondgesprek werd gevoerd waarbij de beluisterende verbalisant de stem van [naam medeverdachte 3] herkende, die vroeg: ‘Staan ze voor de deur? Deuren zijn dicht toch? Deuren zijn dicht toch?’ Nu het antwoord niet hoorbaar is, leidt de rechtbank hieruit af dat de spreker, [naam medeverdachte 3] , op dat moment een telefoongesprek voerde met een persoon die zich te Vierpolders bevond – niet zijnde [naam persoon 5] – en informeerde naar de toestand aldaar. De rechtbank interpreteert dit gesprek aldus dat [naam medeverdachte 3] bij zijn gesprekspartner informeert of de politie voor de deur staat en of de deuren van de loods dicht zijn. Ook daaruit volgt zijn betrokkenheid bij de invoer van de partij cocaïne.

Zoals gezegd heeft ook [naam medeverdachte 1] tweemaal gebruik gemaakt van de genoemde, aan [naam verdachte] toegeschreven telefoon. Die gesprekken zijn gevoerd op 8 november 2017 om 13.50 en 14.49 uur (blz. 264-265) terwijl ‘hij’ – de rechtbank begrijpt: de vaste gebruiker van het toestel, [naam verdachte] – lag te slapen. De gesprekken gaan over de vereiste aanwezigheid van [naam persoon 5] – naar de rechtbank verstaat: op zijn bedrijf – op 9 november 2017 om 7 uur ’s morgens. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de cocaïne in de ochtend van 9 november 2017 zou worden afgeleverd, maar dat die levering op het laatste moment één dag is uitgesteld. Uit deze gesprekken blijkt dat [naam medeverdachte 1] klaarblijkelijk in staat is om voor [naam verdachte] waar te nemen en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Wat betreft de rol van [naam medeverdachte 1] in dit zaaksdossier wijst de rechtbank nog op het tapgesprek op 10 november 2017 om 9.15 uur, dus kort na de ontdekking van de cocaïne en de aanhouding van [naam persoon 5] en [naam persoon 6] , tussen hem en zijn dochter [naam persoon 7] . In dat gesprek ( [nummer proces-verbaal 3] , blz. 386) laat hij haar weten dat het niet goed gaat, dat hij enige tijd niet te bereiken zal zijn en dat zij enkele papieren voor hem moet weghalen. De rechtbank concludeert dat de onderschepping van de cocaïne de aanleiding voor dit gesprek vormt en dat [naam medeverdachte 1] rekening hield met de mogelijkheid dat hij hiervoor zou worden aangehouden en dat zijn woning doorzocht zou worden.

Uit onderzoek is verder gebleken dat de Renault Megane met kenteken [kentekennummer 2] , in gebruik bij [naam verdachte] , telkens in de omgeving van de [adres 2] geparkeerd stond wanneer de Mercedes met kenteken [kentekennummer 3] , in gebruik bij [naam medeverdachte 1] , daar ook was ( [nummer proces-verbaal 4] , blz. 226).

Verder wijst de rechtbank op het volgende. Vanaf 8.35 uur op 10 november 2017 slaagde het toestel dat in gebruik was bij [naam verdachte] er ondanks diverse pogingen niet meer in [naam persoon 5] te bereiken omdat deze niet meer opnam. Zoals hierboven al ter sprake kwam, moet hier een verband worden aangenomen met het binnentreden van de politie in de loods en de daarop gevolgde aanhouding van [naam persoon 5] . Uit observaties is gebleken dat kort nadien de verdachten één voor één het pand aan de [adres 2] verlaten en uit de omgeving vertrekken: [naam medeverdachte 3] om 8.39 u, [naam medeverdachte 1] om 8.43 uur en één minuut later ten slotte [naam verdachte] .

De verdachten hebben elk voor zich – [naam medeverdachte 3] pas in tweede instantie, ter terechtzitting – verklaard dat hun aanwezigheid in de woning niet van doen had met het cocaïnetransport, maar dat zij daar aan het pokeren waren. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Het is goed mogelijk dat de verdachten aan de [adres 2] ook hebben gepokerd. De wachttijd was immers lang – meer dan een dag – en het ligt voor de hand dat de aanwezigen de tijd wilden doden. Dat hoeft er echter niet aan in de weg te staan dat de hoofdreden voor hun aanwezigheid het coördineren van het cocaïnetransport was. Dat er – uitsluitend – gepokerd werd, is niet aannemelijk, gelet op het volgende:

  • -

    de ter plaatse gevoerde telefoongesprekken en verstuurde sms-berichten zijn daarmee niet in overeenstemming;

  • -

    de verdachten sliepen ook ter plaatse, en wel overdag;

  • -

    hun vrijwel gelijktijdige vertrek in de ochtend van 10 november 2017 lijkt samen te hangen met de aanhoudingen te Vierpolder kort daarvoor;

  • -

    uit de uitlatingen van [naam medeverdachte 1] tegen zijn dochter kort na zijn vertrek van de [adres 2] kan worden afgeleid dat hij de vrees koesterde te zullen worden aangehouden.

Tot slot overweegt de rechtbank nog het volgende. Zoals hiervoor met betrekking tot de feiten 1 en 2 is overwogen, namen [naam medeverdachte 1] , [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] deel aan een organisatie die tot doel had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen. De bewezenverklaring van dat feit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat ook het onderhavige feit door de drie verdachten in vereniging is begaan en dat zij in de Sint-Janshaven aanwezig waren ten behoeve van de invoer van de aangetroffen 171 kilogram cocaïne.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeente

Nissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met

natuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en/ [naam medeverdachte 2] ,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in

artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lidOpiumwet;

2.

(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeente

Nissewaard) en te Rotterdam en te Capelle aan den IJssel,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met

natuurlijke personen, te weten verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] ,

welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten misdrijven als

bedoeld in:

- artikel 317 en/of 141 van het Wetboek van Strafrecht en

- artikel 420ter althans 420bis van het Wetboek van Strafrecht en

- artikel 177 en 272 en 328ter Wetboek van Strafrecht;

3.

(Zaak Sint Janshaven )

hij in de periode van 7 november 2017 tot en met 10 november 2017, te Vierpolders

(gemeente Brielle) en te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en opzettelijk vervoerd

ongeveer 171 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1 en 2:

de eendaadse samenloop van

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft bijna twee jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven en daaraan gerelateerde misdrijven als afpersing, witwassen en omkoping. Binnen het onderhavige onderzoek is éénmaal een door de verdachte en zijn medeverdachten georganiseerde drugsinvoer onderschept. Het ging hierbij om 171 kilogram cocaïne.

De verdachte bekleedde een hoge positie binnen de organisatie. Hij investeerde mee in drugstransporten. Hij stuurde de uitvoerders (uithalers) aan en onderhield contact met bij de drugsinvoer betrokken havenmedewerkers. Zoals blijkt uit de gang van zaken bij eerdergenoemd onderschept transport, had de verdachte een coördinerende rol en bleef hierbij op de achtergrond om zelf uit het zicht van de politie te blijven. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachte in de hiërarchie wel onder de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] stond.

Met zijn handelen heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Drugshandel vormt een ernstig maatschappelijk probleem. Zoals ook in dit geval bevestigd wordt, gaat die handel vaak gepaard met geweld, corruptie en witwassen. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij, het gevoel van veiligheid en het vertrouwen van de samenleving in de integriteit van publieke instanties. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van deze maatschappelijke gevolgen.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar van een dusdanige tijd geleden dat daarmee in deze zaak niet in strafverzwarende zin rekening mee zal worden gehouden.

8.3.2.

Overig

Op de zitting is door en namens de verdachte aangevoerd dat hij (mede) de zorg draagt voor zijn zoontje met autisme. Een gevangenisstraf zal het hele gezin, maar in het bijzonder ook dit zoontje treffen.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank betrekt bij de bepaling van de strafmaat in het bijzonder de coördinerende rol die de verdachte heeft vervuld binnen de organisatie en de bewezen verklaarde invoer en daarnaast de structurele basis waarop hij zich met dergelijke criminele activiteiten heeft beziggehouden.

De rechtbank ziet in de op de zitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, afgezet tegen de ernst van de door hem begane strafbare feiten, onvoldoende aanleiding om daaraan een strafverminderende waarde toe te kennen.

De rechtbank ziet daarnaast, anders dan door de officier van justitie geëist, geen aanleiding om naast de op te leggen gevangenisstraf aan de verdachte ook een geldboete op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en de hieronder besproken verbeurdverklaringen passend en geboden.

9 Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, subsidiair het huidige schorsingsbevel te wijzigen in die zin dat de in dat bevel opgenomen einddatum (te weten de datum van dit vonnis) vervalt.

De rechtbank wijst beide verzoeken af en overweegt daartoe als volgt.

Gelet op onderhavig vonnis is sprake van ernstige bezwaren tegen verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Verders is de rechtbank gezien de aard, de ernst en de periode van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat er er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en een misdrijf waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis moet dus worden afgewezen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, met het wijzen van dit veroordelend vonnis, de aangevoerde persoonlijke belangen van de verdachte niet (langer) opwegen tegen het strafvorderlijk belang bij het laten herleven van de voorlopige hechtenis. Ook het subsidaire verzoek wordt daarom afgewezen.

10 In beslag genomen voorwerpen

10.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen telefoons genummerd 22 tot en met 26 en de voor het uithalen van cocaïne te gebruiken voorwerpen genummerd 28 tot en met 37 verbeurd te verklaren. Zij heeft daarnaast gevorderd de in beslag genomen telefoons genummerd 10 tot en met 21, 27, 38 en 39 te onttrekken aan het verkeer.

Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen over de in beslag genomen tas (onder 1), Rolex horloge (onder 4) en Breitling horloge (onder 8), omdat op die voorwerpen conservatoir beslag rust.

10.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.

10.3.

Beoordeling

De in beslag genomen telefoons, genummerd 22 tot en met 26, zullen worden verbeurd verklaard. Zij behoren toe aan de verdachte. Zoals uit het dossier blijkt, heeft de verdachte bij het begaan van de strafbare feiten van veel verschillende mobiele telefoons gebruik gemaakt. Hij heeft de politie niet in de gelegenheid gesteld om deze telefoons te onderzoeken, zodat de rechtbank er daarom van uitgaat dat de onder 1 en 2 bewezen strafbare feiten met behulp van deze telefoons zijn begaan.

De in beslag genomen voorwerpen, genummerd 28 tot en met 37, zullen worden verbeurd verklaard. Het betreft voorwerpen met behulp van welke het onder 1 bewezen feit is begaan. Degenen aan wie de voorwerpen toebehoorden waren bekend met het gebruik, althans de bestemming, in verband met het onder 1 bewezen feit.

De in beslag genomen telefoons, genummerd 10 tot en met 20, 21, 27, 38 en 39 zullen worden onttrokken aan het verkeer. Dit betreft veelal PGP-telefoons en op sommige daarvan worden criminele activiteiten besproken. Het is ook overigens een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons doorgaans worden gebruikt voor criminele doeleinden. Het ongecontroleerde bezit van deze telefoons is daarom in strijd met het algemeen belang. De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen en deze kunnen dienen tot de voorbereiding en de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

Over de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen zal de rechtbank geen beslissing nemen omdat op die voorwerpen conservatoir beslag rust.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 55, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (als bijlage III aan dit vonnis gehecht), als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 2: (22) Nokia telefoon, (23) Nokia telefoon, (24) telefoon, (25) Blackberry telefoon, (26) Samsung telefoon, (28) kabel met klimhaak, (29) stanleymes, (30) kniptang, (31) veiligheidsvest, (32) rugzak, (33) containerzegel, (34) containerzegel, (35) werkhandschoenen, (36) veiligheidsvest, (37) pen;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: (10) Samsung telefoon, (11) Blackberry telefoon, (12) Blackberry telefoon, (13) telefoon [serienummer] , (14) Nokia telefoon, (15) Samsung telefoon, (16) Blackberry telefoon, (17) Apple iPhone, (18) Samsung telefoon, (19) Nokia telefoon, (20) Blackberry telefoon, (21) Blackberry telefoon, (27) Blackberry telefoon, (38) Blackberry telefoon, (39) Samsung telefoon;

wijst af de verzoeken tot opheffing en wijziging van de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. F.A. Hut en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeente

Nissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met

natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of de medeverdachte(n)

[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 4] en/of een of

meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in

artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a

Opiumwet;

2.

(Zaak Spijker)

hij in de periode van 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 te Spijkenisse (gemeente

Nissewaard) en/of te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met

natuurlijke personen, te weten (onder meer) verdachte en/of de medeverdachte(n) [naam medeverdachte 1]

en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of een of meer andere personen,

welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten misdrijven als

bedoeld in:

- artikel 317 en/of 141 van het Wetboek van Strafrecht en/of

- artikel 420ter althans 420bis van het Wetboek van Strafrecht en/of

- artikel 177 en/of 272 en/of 328ter Wetboek van Strafrecht,

althans enige misdrijven;

3.

(Zaak Sint Janshaven )

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 7 november 2017 tot en met

10 november 2017, in elk geval op of omstreeks 10 november 2017, te Vierpolders

(gemeente Brielle) en/of te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht

en/of

opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

ongeveer 171 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.

1 Zaaksdossier Sint Janshaven , blz. 805.