Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
C/10/609899 / JE RK 20-3481
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht

Zaaknummer: C/10/609899 / JE RK 20-3481

Datum uitspraak: 24 december 2020

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

locatie Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2013 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2015 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2017 te [geboorteplaats minderjarige] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

advocaat: mr. E.J. van Pelt, te Zwijndrecht,

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 december 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de brief met bijlagen van mr. Van Pelt, voornoemd, van 21 december 2020;

- de brief met bijlage van mr. Van Pelt van 22 december 2020.

Op 24 december 2020 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Van Pelt;
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven in een pleeggezin.

Bij beschikking van 22 juli 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd tot 22 juli 2021.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 december 2020 een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een (crisis)pleeggezin voor de duur van vier weken. De beslissing is voor het overige aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De GI heeft het verzoek ter zitting gewijzigd in die zin dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. In de afgelopen periode heeft de ingezette hulpverlening onvoldoende effect gehad. De moeder ziet de zorgen over de kinderen, maar niet in relatie tot haar eigen pedagogische vaardigheden. Families First is ingezet en zij geven aan dat het gaat om een chronische situatie. Er is sprake van een terugkerend patroon. In 2019 zijn de kinderen uit huis geplaatst geweest en stapsgewijs teruggeplaatst. Sinds de terugplaatsing is geen verbetering zichtbaar. De moeder houdt van haar kinderen, maar het lukt haar niet om de situatie te veranderen. Zij is onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de kinderen. Er zou een persoonlijkheidsonderzoek bij Yulius plaatsvinden om te onderzoeken waarom het de moeder niet lukt, maar de moeder is niet verschenen. Er heeft een intake voor een KSCD onderzoek plaatsgevonden om te onderzoeken wat er nodig is voor een eventuele thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Indien dit niet mogelijk blijkt, zal een plaatsing bij de vader of een neutraal pleeggezin worden onderzocht. In verband met de lange wachtlijsten kon het KSCD onderzoek nog niet starten. De kinderen verblijven op dit moment in een voor hen bekend pleeggezin waar zij in de komende periode kunnen blijven.

Naar aanleiding van de opmerking namens de moeder dat de kinderen niet samen in één pleeggezin zouden verblijven, laat de GI weten dat zij wel degelijk in één pleeggezin verblijven, maar uit logeren zijn dan wel een bezoek brengen aan voor hen bekende andere gezinnen. De kinderen vinden dat fijn.

Het standpunt van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De informatie in het verzoekschrift is onjuist. De moeder heeft aan de GI laten weten niet meer voor de kinderen te kunnen zorgen met de wetenschap dat zij in januari 2021 toch uit huis zouden worden gehaald. De moeder heeft daarom toestemming gegeven om de kinderen meteen uit huis te halen. De moeder moet aan zichzelf werken. Het probleem is dat er steeds meer van haar verwacht wordt. De moeder heeft EMDR therapie afgerond en zij heeft hulpverlening vanuit Yulius. Verder is de hulpverlening vanuit de GI in de afgelopen periode verminderd. Er komt één keer per week iemand van Agathos met de kinderen spelen, maar er is geen zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder brengt de kinderen niet te laat naar school en ook staat zij open voor hulpverlening. Er wordt echter niet naar haar geluisterd en daarnaast wordt er niet gekeken wat het gezin echt nodig heeft. Het gaat verder goed met de kinderen op school en het is belangrijk dat zij zo snel mogelijk worden thuisgeplaatst.

De vader heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De vader krijgt signalen van de moeder waardoor hij zich zorgen maakt over de kinderen. Het is te onrustig voor de kinderen bij de moeder thuis. Het is belangrijk dat zij rust ervaren. De moeder moet eerst de juiste keuzes weten te maken voordat de kinderen terug naar huis kunnen.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

De GI heeft grote zorgen over de instabiliteit binnen het gezin. De moeder kampt met persoonlijke problematiek en er zijn zorgen over haar psychische gesteldheid, middelengebruik, relaties en gebrek aan financiën. Nadat de kinderen in 2019 gefaseerd zijn thuisgeplaatst bij de moeder is er volgens de GI geen verbetering in de opvoedingssituatie zichtbaar. De hulpverlening is volgens de GI onvoldoende toereikend gebleken en er is sprake van een terugkerend patroon. Daarnaast lukt het de ouders onvoldoende om in het belang van de kinderen zich aan de gemaakte afspraken te houden. In het afgelopen jaar is het volgens de GI onvoldoende gelukt om patronen te doorbreken en zijn de kinderen dagelijks blootgesteld aan de keuzes die de moeder maakt; zij sluit daarmee onvoldoende aan bij de sociaal emotionele ontwikkeling van de kinderen.

Gezien voornoemde ontwikkelingen heeft de GI halverwege december besloten de kinderrechter opnieuw (met spoed) een machtiging te vragen om de kinderen uit huis te plaatsen. Naar aanleiding van dat bericht heeft de moeder aangegeven dat zij het emotioneel en psychisch niet meer trok om voor de kinderen te zorgen. Zij heeft toen antipsychotica en antidepressiva ingenomen waardoor zij (ook volgens Yulius) niet meer voor de kinderen kon zorgen. Zij wenste op dat moment dat de kinderen per direct uit huis zouden gaan. Zij is akkoord gegaan met plaatsing in een bestaand weekend pleeggezin van Timon. De kinderen zijn daar vervolgens in overleg met alle partijen op 15 december 2020 geplaatst; de kinderrechter heeft naar aanleiding daarvan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgegeven.

Gezien deze ontwikkelingen en de eerdere uithuisplaatsing van de kinderen is het van groot belang dat zij nu rust en stabiliteit krijgen. Het is noodzakelijk dat onderzocht wordt waarom het de moeder niet lukt om haar situatie structureel te verbeteren. Er is een persoonlijkheidsonderzoek voor de moeder bij Yulius aangevraagd en het gezin is aangemeld voor een perspectiefonderzoek door het KSCD. De uitslag van deze onderzoeken is relevant voor het perspectief van de kinderen; duidelijk moet worden of en zo ja welke mogelijkheden er zijn om de kinderen terug te plaatsen. Zolang de uitslag van de onderzoeken niet bekend is, kunnen de kinderen niet terug naar de moeder; dit zou immers het risico in zich dragen dat de kinderen opnieuw uit huis geplaatst moeten worden.

Positief is dat de kinderen verblijven in een bekend pleeggezin waar zij in de komende periode kunnen blijven en dat er blijkbaar diverse gezinnen in de omgeving zijn waar zij mee bekend zijn en waar zij zich vertrouwd voelen. Voor de kinderen is dit voor dit moment de beste plek.

In afwachting van de diverse onderzoeken zal de kinderrechter de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 juli 2021;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven, als griffier.

Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 13 januari 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.