Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
10/127419-20 / vordering TUL: 10/810555-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door twee of meer verenigde personen. Veroordeling van een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 87 dagen voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/127419-20

Parketnummer vordering TUL: 10/810555-16

Datum uitspraak: 28 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

feitelijk verblijvende op datzelfde adres,

raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, alsmede dat hij zich zal melden bij de reclassering, dat hij zal meewerken aan een ambulante behandeling bij Middin of een soortgelijke zorgverlener, dat hij zal meewerken aan schuldhulpverlening, dat hij zal meewerken aan een drugsverbod en dat hij zal meewerken aan middelencontrole ten aanzien van dit drugsverbod;

  • -

    veroordeling tot een taakstraf van 120 uur, bij niet voltooiing te vervangen door 60 dagen hechtenis;

  • -

    tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, opgelegd in de zaak met parketnummer 10/810555-16, onder omzetting naar een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Het primair ten laste gelegde kan niet worden bewezen, nu de feitelijke handelingen van de verdachte geen medeplegen opleveren. De verdachte heeft tijdens de woninginbraak op de uitkijk gestaan en is de medeverdachte, die optrad als enige fysieke dader, alleen behulpzaam geweest. Aldus is er onvoldoende bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking met die medeverdachte, zoals is vereist om te kunnen spreken van medeplegen.

4.1.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal met braak, moet er sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken deelnemers aan een delict. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de vorming van het oordeel of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking kan de rechtbank rekening houden met -onder meer- de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Uit de beschikbare informatie in het dossier komt het volgende naar voren. De verdachte heeft met de medeverdachte het plan opgevat om een woninginbraak te plegen en uit de camerabeelden in het dossier blijkt dat hij de woning heeft uitgekozen waar de inbraak zou plaatsvinden. De verdachte heeft verklaard dat was afgesproken dat hij (verdachte) op de uitkijk zou staan en dat de medeverdachte de woning in zou gaan. Toen bleek dat de medeverdachte er niet in slaagde om het raam aan de voorzijde van de woning open te breken, heeft de verdachte hem daarbij geholpen, waarna de medeverdachte de woning is binnen gegaan en diverse sieraden heeft weggenomen. Vervolgens heeft de verdachte de medeverdachte gewaarschuwd door aan te bellen op het moment dat de aangever thuiskwam en heeft hij de aangever aan de praat gehouden, zodat de medeverdachte gelegenheid had om weg te komen. De uiteindelijke buit zouden zij beiden verdelen om heroïne te kunnen kopen. De rechtbank oordeelt uit het bovenstaande dat de verdachte in de hierboven beschreven rol een zeer wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de woninginbraak en dat er aldus sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, dus van een woninginbraak door twee personen.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 23 januari 2020 te Maassluis, tezamen en in

vereniging met een ander, in een woning

aan de [adres delict] , alwaar verdachte en zijn mededader

zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden,

sieraden, die geheel aan

een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te

weten aan [naam slachtoffer] , hebben weggenomen met het oogmerk om

zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachten zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Met zijn handelen heeft de verdachte het eigendomsrecht van de eigenaar van de goederen aangetast, enkel en alleen uit eigen geldelijk gewin. Aan de woning is tevens schade toegebracht om de toegang tot de woning te verkrijgen, wat naast het gemis van de gestolen spullen extra belastend voor de bewoners is geweest. In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank in haar oordeel mee dat de verdachte zichzelf heeft gemeld bij de politie en een bekennende verklaring heeft afgelegd.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft op 12 mei 2020 en op 14 augustus 2020 over de verdachte gerapporteerd. Deze rapporten houden het volgende in.

Betrokkene is een 37-jarige man die verdacht wordt van een woninginbraak met een medeverdachte, hetgeen hij bekent. Het huidige feit is gepleegd in de periode dat betrokkene nog onder toezicht stond van de reclassering. Dit toezicht is recent, in april 2020, afgesloten. Betrokkene is in het verleden eerder veroordeeld voor vermogensdelicten, zodat gesproken kan worden van een delictpatroon. Ook was sprake van een heroïneverslaving, waarbij betrokkene in de periode voor het huidige delict een terugval kreeg. Hij geeft aan dat hij gestopt is met heroïnegebruik en gebroken heeft met vrienden uit het gebruikersmilieu. De reclassering heeft dit via referenten niet kunnen verifiëren. Betrokkene woont nog bij zijn ouders. Hij vertelt dat hij in het verleden een eigen woning had, maar dat hij in de financiële problemen kwam, doordat hij zijn baan kwijtraakte. Hij bouwde een huurachterstand op en raakte zodoende deze woning kwijt. Op basis van dossierinformatie en het gesprek met betrokkene heeft de reclassering de indruk dat het betrokkene vooralsnog niet zelfstandig lukt om zijn leven op orde te krijgen en dat hij af en toe een stok achter de deur nodig heeft om zaken op te pakken. In geval van een nieuwe terugval in heroïnegebruik, schat de reclassering het recidiverisico hoog in. Betrokkene staat open voor begeleiding op de verschillende leefgebieden die tot delictgedrag hebben geleid.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij Middin of een soortgelijke zorgverlener, meewerken aan schuldhulpverlening, een drugsverbod en meewerken aan middelencontrole ten aanzien van dit drugsverbod.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank ziet bij in de conclusies uit het reclasseringsrapport en in de proceshouding van de verdachte aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van een langere duur dan de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. In plaats daarvan zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er vooral toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, maar ook om er voor te zorgen dat hij de begeleiding en controle vol zal houden.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam is de verdachte ter zake van diefstal in vereniging veroordeeld tot, onder andere, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 30 maart 2018.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf te gelasten en om te zetten in een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging niet toe te wijzen, in combinatie met de gevorderde taakstraf in de nieuwe strafzaak. Een te hoog aantal uren taakstraf zou ertoe kunnen leiden dat er minder tijd en ruimte beschikbaar is voor behandeling en het zoeken naar een passende dagbesteding. Daarnaast zijn de feiten die ten grondslag liggen aan de vordering tot tenuitvoerlegging al van vier jaar geleden en is deze woninginbraak gepleegd tegen het einde van de proeftijd.

8.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, maar om in plaats daarvan een taakstraf voor de duur van 120 uren te gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 87 (zevenentachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd melden bij Reclassering Nederland, Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Middin of een soortgelijke zorgverlening, gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd onthouden van het gebruik van verdovende middelen, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde door middel van dit onderzoek wordt gecontroleerd;

4. de veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

legt - in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 15 mei 2018 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf - aan de veroordeelde een taakstraf op voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. A.M.G. van de Kragt en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 23 januari 2020 te Maassluis, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning

op/aan de [adres delict] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s)

zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

één of meer sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [naam slachtoffer] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om

het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte(n) zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die

weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair:

[naam medeverdachte] , althans een tot op heden onbekend gebleven persoon op of

omstreeks 23 januari 2020 te Maassluis, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, één of meer sieraden, in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die [naam medeverdachte] ,

althans aan die tot op heden onbekend gebleven persoon en/of

zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl die [naam medeverdachte] , althans die tot op heden onbekend

gebleven persoon en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te

nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 23

januari 2020 te Maassluis opzettelijk behulpzaam is geweest en/of

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

door

- samen met een ander een raam te forceren en/of

- ( vervolgens) op de uitkijk te (blijven) staan en/of

- ( vervolgens) toen de bewoner van de woning thuis kwam, met die

bewoner te praten (zodat [naam medeverdachte] , althans een tot op heden onbekend

gebleven persoon de woning ongemerkt kon verlaten).