Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
C/10/606579 / JE RK 20-2937
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging zorgregeling tijdens ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zittingsplaats: Rotterdam

Zaakgegevens: C/10/606579 / JE RK 20-2937

datum uitspraak: 11 december 2020

beschikking wijzigen zorgregeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2017 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2018 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de familierechter van 16 juni 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,

- de beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,

- het verzoek met bijlagen van de GI van 23 oktober 2020, ingekomen bij de griffie op 23 oktober 2020,

- het verweerschrift van de vader, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met bijlagen

d.d. 8 december 2020,

- het verweerschrift van de moeder, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met bijlagen d.d. 9 december 2020.

Op 11 december 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. H.E. Visscher,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. N. van Vliet,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] en [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de juridisch medewerker van mr. van Vliet, [naam] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 30 juni 2020 zijn [naam kind 1] en [naam kind 2] onder toezicht gesteld tot 30 juni 2021.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juni 2020 de volgende zorgregeling vastgesteld:

  • -

    Hoofdverblijf bij de moeder;

  • -

    De ene week per veertien dagen van vrijdag 11:15 uur, waarbij de man de minderjarigen ophaalt bij de peuterspeelzaal tot zondag 18:30 uur, waarbij de man de minderjarigen terugbrengt bij de zus van de vrouw te Andel. De zus zal verder zorgdragen voor het omkleden van de minderjarigen in verband met de allergie van de vrouw;

  • -

    De andere week per veertien dagen van vrijdag 11:15 uur, waarbij de man de minderjarigen ophaalt bij de peuterspeelzaal tot vrijdag 19:00 uur, waarbij de man de minderjarigen terugbrengt bij de zus van de vrouw te Andel. De zus zal verder zorgdragen voor het omkleden van de minderjarigen in verband met de allergie van de vrouw.

Het verzoek

De GI verzoekt de door de kinderrechter op 16 juni 2020 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, zodat die – zakelijk weergegeven – komt te luiden dat [naam kind 1] en [naam kind 2] een keer in de veertien dagen bij de vader verblijven. Vader haalt ze op vrijdag op uit opvang of school en brengt ze daar de maandagochtend daarop ook weer naartoe. Als school of opvang dicht is verzorgt een neutrale instantie de overdracht, omdat begeleiding daarvan door het netwerk niet succesvol is gebleken. De vakanties worden bij helfte verdeeld.

Het nu voorliggende verzoek betekent ten opzichte van de bestaande zorgregeling een wijziging in duur, en een uitbreiding van de zorgregeling naar de vakanties. Verder zorgt deze regeling ervoor dat de ouders geen contact hebben tijdens de overdracht van de kinderen.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. De GI heeft zorgen over de onrust die er tussen de ouders heerst. De moeder zorgt voor onduidelijkheid in de communicatie omdat zij wisselende voorwaarden stelt aan de omgang en afspraken vaak geen doorgang vinden. Dit zorgt voor onduidelijkheid bij [naam kind 1] en [naam kind 2] en neemt de aandacht weg van het belang van de kinderen. Het is zorgelijk dat huisbezoeken op dit moment niet mogelijk zijn. Daarnaast is het zorgelijk dat Impegno gisteren heeft laten weten dat het niet lukt om hulpverlening op te starten omdat de moeder twee afspraken heeft afgezegd. Ook heeft de omgang tussen de vader en [naam kind 1] en [naam kind 2] de afgelopen periode meermaals geen doorgang gevonden vanwege quarantainemaatregelen en een coronabesmetting van de moeder. De GI verzoekt een omgangregeling waarbij de overdrachten op vaste dagen in de week plaatsvinden op de BSO of later op school omdat de hulp uit het netwerk niet toereikend blijkt te zijn. Het is van belang dat er rust ontstaat voor [naam kind 1] en [naam kind 2] . De GI verzet zich niet tegen het de zorgregeling die de vader voorstelt.

De moeder verzet zich ter zitting, mede bij monde van haar advocaat, tegen het verzoek van de GI en verzet zich tevens tegen het verzoek van de vader. De moeder verzoekt de volgende zorgregeling:

  • -

    [naam kind 1] en [naam kind 2] verblijven om de week van zaterdag 10:15 uur tot maandagochtend voor de peuterspeelzaal of school bij de vader. Vader haalt de kinderen op zaterdag alleen bij de moeder op en brengt de kinderen op maandagochtend terug naar de peuterspeelzaal of school;

  • -

    Indien er geen peuterspeelzaal of school is zal een instantie de overdracht verzorgen.

Door en namens de moeder wordt ter zitting het verzoek gehandhaafd en het volgende aangevoerd. De moeder betreurt dat er in de afgelopen periode minder omgang is geweest tussen [naam kind 1] en [naam kind 2] en de vader. Het is zorgelijk dat er door de huidige zorgregeling onrust ontstaat bij de kinderen. De medische toestand van de moeder maakt dat het voor de moeder de afgelopen periode lastig is gebleken om te voldoen aan de huidige zorgregeling. Daarnaast heeft de betrokkenheid van de GI voor veel onrust gezorgd, omdat de communicatie tussen de moeder en de GI verstoord is. De moeder merkt aan [naam kind 1] en [naam kind 2] dat zij onrustig zijn nadat zij bij de vader zijn geweest. De kinderen zijn op dit moment niet gewend om langere periodes bij de vader door te brengen. Het is niet in het belang van de kinderen om de duur van de omgang met de vader te verlengen. De moeder wenst middels de door haar voorgestelde omgangsregeling een duidelijke regeling vast te stellen die rekening houdt met de aankomende veranderingen in het leven van [naam kind 1] en [naam kind 2] zoals de start van [naam kind 1] op de basisschool. De moeder gaat ermee akkoord als de vader de kinderen op vrijdag of zaterdag ophaalt bij de moeder thuis. Vanwege de allergieën van de moeder is het van belang dat een derde de kinderen omkleedt voordat zij bij de moeder gebracht worden. De moeder stemt daarom in met de wisseling op de maandag, zodat de kinderen op de peuterspeelzaal omgekleed kunnen worden.

De vader verzet zich ter zitting, mede bij monde van zijn advocaat, tegen het verzoek van de moeder en verzet zich ten dele tegen het verzoek van de GI. De vader verzoekt een zorgregeling vast te stellen die overeenkomt met het verzoek van de GI, met dat verschil dat vader de kinderen niet op maandag, maar op woensdag terugbrengt.

Door en namens de vader wordt ter zitting het verzoek gehandhaafd en het volgende aangevoerd. De vader heeft afspraken gemaakt met zijn werkgever waardoor hij, indien de zorgregeling dit vergt, op de vrijdagmiddag in staat is om [naam kind 1] en [naam kind 2] op te halen van de peuterspeelzaal of van school en op maandag-, dinsdag- en woensdagochtend [naam kind 1] en [naam kind 2] kan wegbrengen naar de peuterspeelzaal of naar school. Mocht de vader onverhoopt niet in staat zijn de kinderen te brengen of te halen, dan kunnen de partner van de vader en de oma van de kinderen hiervoor zorg dragen. De vader stemt in met het verzoek van de GI voor het gedeelte dat de overdracht op neutraal terrein wordt benadrukt, maar stemt niet in met het feit dat de effectieve tijd die de vader met de kinderen kan doorbrengen wordt ingekort doordat de vrijdagmiddag in de ‘oneven’ week vervalt. De vader heeft contact gehad met de peuterspeelzaal en het blijkt mogelijk dat beide kinderen op de woensdag naar de peuterspeelzaal gaan om een overdracht op neutraal terrein mogelijk te maken. De vader is met de GI en de moeder van mening dat het van belang is dat de zorgregeling die vastgesteld wordt rust voor de kinderen creëert en voor een langere tijd gelding dient te zijn.

De beoordeling

De kinderrechter kan op grond van het bepaalde in artikel 1:265g tweede lid van het Burgerlijk Wetboek de verdeling van zorg- en opvoedtaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de samenhang tussen de door de GI en de beide ouders ingediende (zelfstandige) verzoeken zal de kinderrechter deze verzoeken gezamenlijk behandelen.

De afgelopen periode is gebleken dat de huidige zorgregeling voor veel onrust zorgt bij [naam kind 1] , [naam kind 2] en de ouders. Het is daarom van belang dat de wijziging van de zorgregeling de basis vormt voor een stabiele omgang van [naam kind 1] en [naam kind 2] met beide ouders. Hierbij dient als uitgangspunt genomen te worden dat de zorgregeling duidelijkheid verschaft voor de kinderen en dit ook zal blijven doen indien er veranderingen plaatsvinden in de dagelijkse bezigheden van [naam kind 1] en [naam kind 2] zoals het wisselen van de peuterspeelzaal naar de (basis)school en het starten van nieuwe hobby’s zoals zwemles. De zorgregeling zal daarom worden vastgesteld eenmaal per veertien dagen op een gelijke wijze, zoals ook door alle partijen gewenst. Ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders nog altijd ernstig verstoord is. Voor een duurzame omgangsregeling dient de overdracht van de kinderen daarom niet bij de ouders thuis plaats te vinden, noch op een andere locatie waar de ouders rechtstreeks met elkaar moeten communiceren. De vader zal daarom op vrijdag [naam kind 1] en [naam kind 2] ophalen van de peuterspeelzaal, school of zwemles. In de door moeder aangedragen aanstaande veranderingen in het schema van [naam kind 1] en [naam kind 2] op vrijdag ziet de kinderrechter geen aanleiding om daarvan af te zien. De vader is, net als de moeder, in staat om de kinderen op verschillende locaties op te halen.

Daarmee ligt alleen nog de vraag voor of de omgangsregeling tot maandag of woensdag moet duren. Naar het oordeel van de kinderrechter is een langere variant, waarbij de kinderen tot woensdag bij de vader zijn, op dit moment aangewezen. Een dergelijke regeling geeft op een meer betekenisvolle wijze inhoud aan het gezamenlijk ouderschap van de vader en de moeder, omdat de zorg en opvoeding van de kinderen op deze manier evenwichtiger over de ouders wordt verdeeld. Daarnaast heeft de kinderrechter meegewogen dat de vader in de nieuwe regeling de vrijdagmiddag in de ‘oneven’ weken verliest, zodat hij er bij de korte variant in effectieve tijd met [naam kind 2] en [naam kind 1] op achteruit zou gaan. Ook is van belang dat ter zitting is gebleken dat ook de GI de lange variant ook een passende regeling vindt.

Daartegenover staat slechts dat de lange variant voor [naam kind 2] en [naam kind 1] onrustig zou zijn, zoals door moeder betoogd. Dat argument is in het licht van het voorgaande van onvoldoende gewicht, temeer nu het juist in het belang van [naam kind 2] en [naam kind 1] is om al op jonge leeftijd vertrouwd te raken met de situatie dat zowel de moeder als de vader verantwoordelijk is voor hun opvoeding en hun verzorging.

De vader dient de kinderen dan ook op woensdagochtend naar de peuterspeelzaal en school te brengen. Nu blijkt dat de ouders niet in staat zijn om onderling afspraken te maken over een zorgregeling, zal de kinderrechter de zorgregeling uitbreiden tot de vakanties. Nu het verzoek van de GI en de vader gelijkluidend zijn en de vakanties daarbij gelijkelijk worden verdeeld, en de moeder daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal de omgangsregeling worden bepaald conform de verzoeken van de GI en de vader.

De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:

  • -

    Hoofdverblijf bij de moeder;

  • -

    De vader haalt eenmaal per veertien dagen [naam kind 1] en [naam kind 2] op de vrijdag op van de peuterspeelzaal of school. De vader brengt de kinderen de eerstvolgende woensdag naar de peuterspeelzaal of school. De peuterspeelzaal of school zal verder zorgdragen voor het omkleden van de minderjarigen in verband met de allergie van de vrouw;

  • -

    De zorgregeling loopt in de (school)vakanties door, met uitzondering van de zomer- en kerstvakanties;

  • -

    [naam kind 1] en [naam kind 2] zijn in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader (vanaf vrijdag) en de tweede week bij de moeder (wissel op vrijdag) en in de oneven jaren verblijven [naam kind 1] en [naam kind 2] de eerste week (vanaf vrijdag) bij de moeder en de tweede week bij de vader (wissel op vrijdag);

  • -

    [naam kind 1] en [naam kind 2] verblijven in de oneven jaren de eerste drie weken (vanaf vrijdag) bij de vader en verblijven de laatste drie weken bij de moeder (wissel op vrijdag) en in de even jaren verblijven [naam kind 1] en [naam kind 2] de eerste drie weken bij de moeder (vanaf vrijdag) en de laatste drie weken bij de vader (wissel op vrijdag).

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw als griffier en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. van Dijk op 21 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.