Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12612

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
C/10/607943 / JE RK 20-3158
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging uithuisplaatsing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/607943 / JE RK 20-3158

datum uitspraak: 11 december 2020

beschikking

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2010 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 13 november 2020, ingekomen bij de griffie op 17 november 2020.

Op 11 december 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.S. Krol,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft bij een open groep van Horizon bij Bergse Bos.

Bij beschikking van 26 juli 2019 is [naam kind] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 26 juli 2021. De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 maart 2020 een machtiging uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder uitgesproken en deze is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 26 december 2020.

Het verzoek

De GI verzoekt de uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek. De GI heeft op 27 november 2020 de uitkomst van het onderzoek van PSY-Drechtsteden ontvangen. De GI heeft ervoor gekozen het rapport niet naar de rechtbank of de vader te zenden, omdat er gevoelige informatie over de moeder in staat. PSY-Drechtsteden concludeert dat er bijkomend onderzoek naar de vader noodzakelijk is voordat er een inzicht kan worden gegeven in het perspectief van [naam kind] . Dit aanvullend onderzoek kan binnen twee maanden afgerond zijn. Uit de conclusie van het onderzoek volgt naar inzicht van de GI dat er sprake is van forse loyaliteitsproblematiek bij [naam kind] en dat er geen gronden voor terugplaatsing van [naam kind] bij de moeder zijn. De GI heeft zorgen over de affectieve mogelijkheden van de moeder om goed aan te sluiten bij [naam kind] . Indien [naam kind] bij de moeder woont loopt hij een risico dat hij nog forser klem komt te zitten tussen de ouders en dat zijn ontwikkeling stagneert. Daarnaast zou thuisplaatsing de totstandkoming van positief contact met beide ouders bemoeilijken.

De standpunten

De moeder stemt ter zitting, mede bij monde van haar advocaat, niet in met het verzoek van de GI. Het gaat slecht met [naam kind] op Bergse Bos. Bergse Bos is niet passend voor [naam kind] omdat hij geen gedragsproblematiek heeft. Hij snapt niet waarom hij uit huis is geplaatst en ervaart het als ingrijpend. Zowel uit de beschikking van 22 juli 2020 als uit de conclusie van het rapport van PSY-Drechtsteden blijkt dat het perspectief van [naam kind] bij de moeder ligt en dat het van belang is om te kijken naar het opbouwen van de band en de omgang met de vader. De moeder heeft reeds vanaf vorig jaar verzocht om hulp bij het opstarten van de omgang met de vader en wenst dat dit spoedig op gang wordt gebracht. Het is noodzakelijk dat het gezin wordt ondersteund door hulpverlening zoals Multi Systeem Therapie – Child Abuse and Neglect (MST-CAN) tijdens de opbouw van het contact met de vader. Het is belangrijk dat [naam kind] omgang met zijn vader heeft. Daarnaast is het kwalijk dat de vader geen informatie over [naam kind] ontvangt van de GI. Uit de tussenconclusie van het rapport van PSY-Drechtsteden blijkt dat er nader onderzoek naar de vader gedaan dient te worden. De moeder wenst dat [naam kind] bij haar woont terwijl het resterende deel van het onderzoek wordt afgenomen bij de vader. Het is niet noodzakelijk dat [naam kind] voor de duur van het aanvullende onderzoek naar de vader bij Bergse Bos blijft. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn afdoende en zij ontvangt hulp van een psycholoog om haar eigen problematiek te verhelpen. Het is van belang dat de terugplaatsing op een natuurlijk moment gebeurt, zoals met de kerstdagen of met de start van voorjaarsvakantie in februari. De moeder verzoekt primair om afwijzing van het verzoek. Subsidiair verzoekt de moeder om toewijzing van het verzoek voor een kortere duur.

De vader stemt ter zitting niet in met het verzoek van de GI. Het is niet noodzakelijk dat [naam kind] bij Bergse Bos verblijft, aangezien [naam kind] geen problematiek heeft die in een instelling behandelt dient te worden. De vader geeft er de voorkeur aan dat [naam kind] bij de moeder of bij de vader woont boven een verblijf van [naam kind] bij Bergse Bos. Het is kwalijk dat de vader vaak geen informatie over [naam kind] ontvangt van de GI. De vader heeft het rapport van PSY-Drechtsteden ook niet ontvangen. De vader staat sinds de start van de betrokkenheid van de hulpverlening open om mee te werken aan het aanvullende onderzoek van PSY-Drechtsteden. De vader wenst dat er spoedig omgang wordt opgestart met [naam kind] onder begeleiding van hulpverlening op een neutraal terrein. Het is van belang dat het ouderschapsplan gevolgd wordt.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er bij [naam kind] sprake is van een loyaliteitsconflict. Hij zit klem in de strijd tussen de ouders en heeft nauwelijks contact met zijn vader. De afgelopen vijf maanden heeft [naam kind] bij Bergse Bos verbleven vanwege het neutrale en stabiele karakter ten behoeve van de beslissingsdiagnostiek van PSY-Drechtsteden. In de beschikking van 22 juli 2020 is vastgesteld dat er na het advies van PSY-Drechtsteden dient te worden toegewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder de relevante passages uit het rapport van PSY-Drechtsteden voorgehouden. Daaruit blijk dat dit rapport een tussenconclusie bevat waaruit volgt dat nader onderzoek naar de vader moet worden gedaan. Duidelijk is wel dat wat PSY-Drechtsteden betreft het perspectief van [naam kind] bij moeder ligt, ondersteund door de nodige hulpverlening. Beide ouders verlenen hun medewerking aan dit onderzoek en staan open voor hulpverlening. Zij hebben beiden aangegeven zich te willen inzetten voor het op gang brengen van de omgang, maar daarvoor wel professionele hulp nodig te hebben. Dit rapport vormt daarmee op zichzelf geen zwaarwegende reden om [naam kind] nog langer uit huis te plaatsen. Ook anderszins blijkt uit het dossier en wat er ter zitting is besproken niet dat er gronden aanwezig zijn om [naam kind] uit huis te plaatsen. De kinderrechter zal daarom de machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder niet verlengen. Wanneer [naam kind] weer bij de moeder woont blijft het noodzakelijk voor de GI om in overleg met de ouders zo snel mogelijk passende hulpverlening in te zetten zoals MST-CAN. Ook zullen de ouders, in samenwerking met de GI en andere betrokken hulpverleners, zo snel mogelijk moeten gaan werken aan het op gang brengen van de omgang van [naam kind] met de vader. Daarbij moet voldoende aandacht zijn voor het tempo en de draagkracht van [naam kind] .

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.