Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12598

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
10/750344-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het aanwezig hebben en vervoeren van heroïne tot een gevangenisstraf van 48 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750344-19

Datum uitspraak: 18 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 november 2019 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.K. Nanhkoesingh heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde (invoer van een hoeveelheid heroïne) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Feit 1 subsidiair

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft geen wetenschap van en geen beschikkingsmacht gehad over de heroïne. Ook van medeplegen is geen sprake. De verdachte is een dag van tevoren op de hoogte gesteld van de komst van een vrachtwagen, zonder te weten dat deze heroïne bevatte, en heeft zich nauwelijks bemoeid met het lossen daarvan.

4.2.2.

Beoordeling

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewijsvraag op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De Britse autoriteiten hebben op 2 augustus 2019 in een container met dozen handdoeken afkomstig uit Pakistan 398 kilo heroïne aangetroffen. Nadat zij die heroïne uit de container hebben gehaald, hebben ze daarin een imitatielading, tezamen met 4,6 gram heroïne afkomstig uit de aangetroffen lading, teruggeplaatst. De container is vervolgens via de haven van Antwerpen en daarna per vrachtwagen in de ochtend van 5 augustus 2019 vervoerd en afgeleverd in een loods aan de [adres 1].

De huurder van die loods was, sinds 29 juli 2019, medeverdachte [naam medeverdachte] . Voor aanvang van de huur heeft [naam medeverdachte] aan de verhuurder een borg betaald met geld dat afkomstig was van de verdachte [naam verdachte] . De loods was volgens [naam verdachte] en [naam medeverdachte] (hierna als samen aangeduid: de verdachten) bestemd voor gebruik door het uitvaartbedrijf van [naam medeverdachte] , waarin ook [naam verdachte] sinds korte tijd een rol speelde.

[naam medeverdachte] is enkele dagen voorafgaand aan de aflevering van de container naar getuige [naam getuige 1] , werkzaam in het pand aan de [adres 2] , toegekomen met de mededeling dat er ruimte gemaakt moest worden in en rondom de loods omdat er op 5 augustus een vrachtwagen zou komen die de loods in moest. [naam medeverdachte] vertelde hem dat de vrachtwagen spullen zou bevatten voor zijn uitvaartbedrijf, met (onder meer) handdoeken.

Uit camerabeelden van de (omgeving van de) loods van 5 augustus 2019 blijkt dat de verdachten voorafgaand aan en tijdens het lossen van de container (samen met anderen) in en rondom de loods aanwezig zijn geweest. Gezamenlijk hebben de verdachten de trekker met oplegger de loods in begeleid. Nadat de oplegger was afgekoppeld, werd de deur van de loods gesloten; de verdachten waren - mogelijk vergezeld door anderen - op dat moment nog altijd in de loods. Na ongeveer anderhalf uur werden onder toeziend oog van onder meer [naam medeverdachte] vanuit de loods twee pallets met daarop de imitatielading in een inmiddels gearriveerde Mercedes Sprinter geladen. De dozen waarin de imitatielading zich bevond, waren uiterlijk te onderscheiden van de rest van de lading van de container. Vervolgens werd de lading rond 10:30 uur door een derde naar een loods aan de Van Alphenstraat in Voorburg gereden.

Rond 12:30 uur diezelfde dag werden de verdachten gezamenlijk in de omgeving van de loods in Voorburg waargenomen. Verbalisanten hebben rond 14:30 uur gezien dat [naam medeverdachte] over de Van Alphenstraat aan kwam rennen, in de Mercedes Sprinter stapte en daarin wegreed. Hierbij kwam [naam verdachte] de betreffende straat tegen het verkeer inrijden en blokkeerde deze straat vervolgens met zijn auto. Vervolgens zijn zij gezamenlijk ( [naam medeverdachte] in de Mercedes Sprinter, [naam verdachte] in zijn eigen auto) teruggereden naar de loods aan de Klompenmakerstraat en is de Sprinter daar rond 15:00 uur weer naar binnen gereden.

Rond 15:45 uur is de politie de loods binnengevallen en heeft de daar aanwezige verdachten aangehouden. Zij troffen naast de geparkeerde Sprinter de twee pallets met de imitatielading aan.

Naast de twee pallets met imitatielading bleken ook twee pallets met dozen handdoeken uit de container te zijn gelost. De overige lading die zich in de container bevond, te weten 166 dozen handdoeken, is diezelfde dag nog door de bestuurder van de trekker gebracht bij een opslagbedrijf en ook na verschillende berichten lijkt niemand zich om deze lading bekommerd te hebben, zo volgt uit de e-mails van dat bedrijf, waarop niet is gereageerd.

Beoordeling van feiten en omstandigheden

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, geconcludeerd zou kunnen worden dat de verdachte de (4,6 gram) heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd.

Immers, in een door de verdachten gehuurde loods is, een paar dagen na ingang van de huurperiode, een container afgeleverd waarin – zonder de verhulde tussenkomst van de autoriteiten - heroïne met een straatwaarde van bijna 44 miljoen euro zou hebben gezeten. De verdachten zijn direct betrokken geweest bij het daadwerkelijk lossen van deze container. Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte voor de aankomst van de vrachtwagen en na het vertrekken van de vrachtwagen meerdere keren van en naar de loods is gelopen en meerdere rondjes in de buurt heeft gereden en bij de aankomst bezig is geweest met het begeleiden van het in de loods rijden van de vrachtwagen. De rechtbank acht bovendien van belang dat de deur van de loods van binnenuit door de verdachten voor het lossen is gesloten en dat uit de container enkel de lading heroïne, samen met een klein deel van de overige lading, is gelost. De rest van de lading is weinig zorgvuldig herladen en afgeleverd bij een opslagbedrijf in Bergschenhoek op een wijze die slechts tot de conclusie kan leiden dat de verdachten bij dat - verreweg het grootste – deel van de lading ondanks de door de verdachte [naam verdachte] naar zijn zeggen gedane bestelling geen bijzonder belang stelden. Vervolgens hebben de verdachten de (imitatie)lading heroïne, nadat deze was vervoerd naar een loods in Voorburg, weer onder opmerkelijke omstandigheden teruggereden naar hun eigen loods, waaruit kan worden afgeleid dat juist dit (kleinste) deel van de lading wel hun bijzondere aandacht had.

Genoemde conclusie zou slechts anders kunnen luiden als de verdachte ten aanzien van deze voor hem ernstig belastende feiten en omstandigheden een aannemelijke andersluidende verklaring zou geven.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft voor het eerst op de zitting een inhoudelijke verklaring afgelegd. Die komt er, kort gezegd, op neer dat op 4 augustus 2019 ene [naam] , die hij sinds twee weken kende, naar hem toe is gekomen toen hij in een hotel koffie zat te drinken. [naam] stelde hem de vraag of de verdachte toevallig een loods had en of hij tegen een vergoeding van € 250,00 een container kon later afleveren en de goederen uit die container, die bestemd zouden zijn voor zijn juweliersbedrijf, tijdelijk kon laten opslaan in de loods. De verdachte, die naar eigen zeggen slechts investeerder was in het bedrijf van medeverdachte [naam medeverdachte] , is daarmee akkoord gegaan. [naam] had zelf mensen geregeld voor het lossen. De verdachte was op 5 augustus 2019 slechts ter ondersteuning in en rondom de loods aanwezig geweest, om de mensen op te vangen, maar is niet betrokken geweest bij het lossen. Hij is die middag naar Voorburg gegaan om de bus met de goederen weer op te halen, omdat [naam] hem dat had gevraagd. [naam] had hem gezegd dat de bestuurder van de bus bang was omdat hij dacht dat hij achtervolgd werd en vreesde overvallen te worden. De verdachte had [naam medeverdachte] pas op 4 augustus 2019 van zijn afspraak met [naam] op de hoogte gesteld.

Deze verklaring wordt deels weerlegd door de bewijsmiddelen en is naar het oordeel van de rechtbank voor het overige niet aannemelijk geworden. De verklaring is op geen enkele wijze concreet onderbouwd. Van het daadwerkelijk bestaan van ene [naam] , laat staan van enige afspraak tussen hem en de verdachte over de (lading van) de container, is de rechtbank in het geheel niet gebleken. Dat de verdachte - slechts als investeerder in het bedrijf van [naam medeverdachte] - zonder overleg met [naam medeverdachte] of diens vriendin en zakenpartner zou beslissen om voor een relatief klein bedrag van € 250,- een container van een hem nagenoeg onbekende persoon te ontvangen en in de loods op te slaan, acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Te meer nu de verdachte, die volgens de verklaring van de buurman [naam getuige 1] tegen de getuige [naam getuige 2] op de dag van inval zenuwachtig heen en weer liep voor de loods, voor dit beperkte bedrag een groot gedeelte van de dag daar aanwezig was en bovendien nog samen met [naam medeverdachte] naar Voorburg is gereden om de bus weer op te halen omdat de oorspronkelijke chauffeur het te gevaarlijk vond om verder te rijden.

Dat de verdachte bij het lossen van de container niet betrokken zou zijn geweest wordt bovendien weersproken door de verklaringen van de bestuurder van de vrachtwagen en van getuige [naam getuige 1] . Daarbij strookt de verklaring van de verdachte dat hij eerst op 4 augustus [naam medeverdachte] had ingelicht over de vrachtwagen bovendien niet met de (later wisselende) verklaring van [naam medeverdachte] dat hij op 4 augustus op de hoogte was gebracht over de komst van een vrachtwagen door enkele Pakistaanse mensen met een bus die hij in zijn loods had aangetroffen.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid heroïne aanwezig heeft gehad en heeft vervoerd.

4.3.

Feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Uit de zeer algemeen geformuleerde ten laste gelegde feitelijke gedragingen kan – voor zover deze al bewezen kunnen worden – naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende het opzet blijken op voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De verdachte zal daarom van dat feit worden vrijgesproken.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 5 augustus 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met de medeverdachte een hoeveelheid heroïne, afkomstig uit een container uit Pakistan, aanwezig gehad en vervoerd. Zij hebben gezamenlijk een loods geregeld voor het lossen van de container met heroïne en zijn betrokken geweest bij het feitelijk lossen en vervolgens vervoeren daarvan.

Omdat de Britse autoriteiten de lading van in totaal 398 kilogram heroïne reeds onderschept en vervangen hadden door een imitatielading met daarin vier gram heroïne, heeft de verdachte feitelijk slechts handelingen verricht met betrekking tot die vier gram heroïne. De rechtbank kan en wil echter niet voorbijgaan aan de omstandigheid dat het de intentie en de veronderstelling van de verdachte was dat hij 398 kilogram heroïne onder zich had. Met deze hoeveelheid zal daarom in strafbepalende zin rekening worden gehouden.

Door het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid heroïne heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in verdovende middelen. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Deze feiten brengen maatschappelijke onrust met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Harddrugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. Harddrugsgebruik tast bovendien de volksgezondheid aan. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was, naar mag worden aangenomen, uit op eigen financieel gewin. De rechtbank neemt hierbij bovendien in ogenschouw dat heroïne een in het bijzonder verslavende drug is met kans op grote (individueel en maatschappelijk) sociale schade en aanzienlijke risico’s op een overdosis bij de gebruiker ervan. Ook dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank ziet noch in de rol die de verdachte en de medeverdachte hebben vervuld, zoals die volgt uit voldoende harde en concrete aanwijzingen uit het dossier, noch in hun persoonlijke omstandigheden, aanleiding om te differentiëren in hun strafmaat.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing was geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. V.M. de Winkel en D.F. Smulders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2020.

De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te Rotterdam en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 398 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 augustus 2019 te Rotterdam en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 398 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus tot en met 4 augustus 2019 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of verder binnen het grondgebied van Nederland brengen van 398 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feiten) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- de loods gereed gemaakt en/of

- dozen aangeschaft en/of

- ruimte gemaakt in de loods.