Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12585

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
8288366 VZ VER 20-1130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist. WNRA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8288366 \ VZ VERZ 20-1130

uitspraak: 4 augustus 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

het openbaar lichaam

Gemeente Maassluis

gevestigd te Maassluis,

verzoekster,

verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten,

tegen

[verweerder] ,

woonplaats: [woonplaats verweedrer] ,

verweerder,

verzoeker in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. P. Hoogenraad.

Partijen zullen worden aangeduid als “de gemeente” respectievelijk “ [verweerder] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, met producties;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie van de gemeente, met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie van [verweerder] , met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[verweerder] is geboren op [geboortedatum verweerder] en is met ingang van 1 februari 2001 bij de gemeente in dienst getreden. Zijn bruto maandsalaris bedraagt € 2.039,00 per maand.

2.2

[verweerder] is aangesteld als ambtenaar niveau 1. Laatstelijk vervulde hij de functie van Medewerker Stadbedrijf. Uit hoofde van deze functie is [verweerder] belast met de volgende werkzaamheden: straatreiniging, het legen van gemeentelijke afvalbakken en het handmatig strooien van strooizout op bruggen en viaducten.

2.3

Bij besluit van 20 december 2019 heeft de gemeente per 24 december 2019 de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd.

2.4

Namens [verweerder] is bezwaar aangetekend tegen het besluit van 20 december 2019.

3. Het verzoek

3.1

De gemeente heeft – verkort weergegeven – verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , voor zover het dienstverband niet als gevolg van het besluit van 20 december 2019 is geëindigd, te ontbinden op grond van:

I) primair artikel 7:686 BW, op grond van een tekortkoming in de nakoming van de

contractuele verplichtingen van [verweerder] , zodanig dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn moet worden ontbonden;

II) subsidiair: artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, juncto artikel 7:699 lid 3, onderdeel e, BW, op grond van verwijtbaar handelen door [verweerder] , zodanig dat van de gemeente in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding;

III) meer subsidiair: artikel 7:671 lid 1, onderdeel a, BW, juncto artikel 7:699 lid 3,

onderdeel g, BW, op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de gemeente in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding;

IV. uiterst subsidiair: artikel 7:671 b lid 1, onderdeel a, BW, juncto artikel 7:699 lid 3, onderdeel i, BW, op grond van een combinatie van de omstandigheden onder II

en III, die zodanig is dat van de gemeente in redelijkheid niet kan worden gevergd

de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, waarbij geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding.

3.2

Aan het verzoek ligt ten grondslag dat, indien de aanstelling van de heer [verweerder] niet

als gevolg van het genoemde besluit per 24 december 2019 is geëindigd, zijn

aanstelling als gevolg van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) per 1 januari 2020 van rechtswege is overgegaan in een arbeidsovereenkomst in de zin van titel 10 van boek 7 BW.

3.3

Deze arbeidsovereenkomst dient te eindigen omdat [verweerder] , in strijd met de binnen de gemeente geldende regels, zich herhaaldelijk zaken heeft toegeëigend die werden aangeboden voor de verwerking van afvalstromen binnen de gemeente Maasluis. [verweerder] heeft zich ook verdovende middelen toegeëigend die hij vond tijdens het werk en hij heeft deze verdovende middelen aan een collega gegeven c.q. verkocht. De gemeente vindt deze handelwijze van [verweerder] onacceptabel. De situatie klemt eens temeer, nu [verweerder] wist dat zijn handelwijze niet is toegestaan. Voorts heeft [verweerder] meermaals tegenstrijdig over deze gebeurtenissen verklaard.

4. Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1

[verweerder] heeft verzocht het verzoek van de gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, althans te ontzeggen, althans een vergoeding vast te stellen gelijk aan een jaarsalaris van € 28.500,- plus een transitievergoeding van € 15.437,-.

4.2

[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafontslag zonder de vereiste grondige voorbereiding en motivering heeft plaatsgevonden. Ook is in strijd gehandeld met de geldende mandaatregeling. Voorts had, gelet op het ingrijpende karakter van het besluit, eerst een concept besluit moeten worden genomen. Op die gronden dient volgens [verweerder] het besluit tot strafontslag te worden ingetrokken/vernietigd.

4.3

[verweerder] werkt al 19 jaar voor de gemeente en er heeft zich nimmer een ernstig voorval voorgedaan. Wel heeft [verweerder] een strijkbout die langs de weg stond meegenomen, maar dat levert geen interne diefstal op. In de loop der jaren is het een enkele keer voorgekomen dat hij spullen meenam die bij het grofvuil stonden. De gemeente maakt het groter dan het is.

4.4

[verweerder] heeft ook een zelfstandig tegenverzoek ingediend.

4.4.1

Primair verzoekt [verweerder] :

a. a) Vernietiging het gegeven ontslag op staande voet; en

b) Toelating tot de werkvloer ten einde werkzaamheden te verrichten.

4.4.2

Subsidiair verzoekt [verweerder] (verkort weergegeven):

a. a) de gemeente te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW gelijk aan een jaarsalaris € 28.500,-;

b) de gemeente te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd, een en ander conform artikel 7:677 lid 2 e.v.. Dit betreft een bedrag ad € 2.039,- bruto per maand vanaf 24 december 2019 plus de gebruikelijke verhoging;

c) de gemeente te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 15.437.

4.4.2

Hetgeen [verweerder] ter onderbouwing van zijn tegenverzoek heeft aangevoerd komt – voor zover van belang – onder de beordeling aan de orde.

5. De beoordeling

5.1

De gemeente verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval het (onder het ambtenarenrecht gegeven) strafontslag geen stand houdt. Het betreft in dezen een zuiver arbeidsrechtelijke procedure die op zichzelf staat, uitgaande van het op dit moment nog voortduren van het dienstverband. De vraag of het strafontslag terecht is gegeven en voldoet aan alle daaraan door het ambtenarenrecht te stellen eisen, is in deze procedure dus niet van belang. Hetgeen [verweerder] in dat verband heeft aangevoerd, wordt dus niet besproken.

5.2

Om diezelfde reden moet ook het primaire zelfstandig tegenverzoek worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een ontslag op staande voet dat door de kantonrechter vernietigd kan worden; er is sprake van een bestuursrechtelijk strafontslag dat ook alleen in een bestuursrechtelijke procedure kan worden aangevochten.

5.3

Hetgeen feitelijk aan het verzoek ten grondslag is gelegd valt uiteen in twee onderdelen: de verkoop van tijdens het werk gevonden softdrugs aan een collega en het meenemen van voorwerpen die door inwoners van de gemeente aan de straatkant zijn gezet om opgehaald te worden als grof vuil.

5.4

Beide onderdelen zijn door [verweerder] – zowel tijdens de buiten rechte tussen partijen gevoerde gesprekken als in deze procedure – expliciet erkend. In deze procedure gaat het derhalve om de vraag of hetgeen binnen het dienstverband is voorgevallen aanleiding geeft tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.5

De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Duidelijk is dat de gemeente voor haar hele organisatie een strikt beleid hanteert als het gaat om de integriteitseisen die worden gesteld aan het handelen van haar medewerkers. Een en ander wordt ook van de gemeente verwacht, gezien haar rol en verantwoordelijkheid als lokale overheid. Vast staat ook dat de gemeente voor de afdeling waar [verweerder] werkzaam is, het Stadsbedrijf, aanleiding heeft gezien een extra strikt en concreet beleid op te stellen. Dat beleid heeft zich vertaald in het Huishoudelijk reglement Stadsbedrijf.

5.6

In dat beleid is onder meer het volgende opgenomen:

"Onder interne diefstal verstaan we onder meer:

Het meenemen of laten meenemen van eigendommen van burgers, collega's en/of de

gemeente Maassluis inclusief de door burgers ingeleverde goederen op de milieustraat.

(. . .) Bij bewezen diefstal door de werknemer volgt onherroepelijk ontslag op staande voet

(Zie hiervoor de ambtenarenwet en de betreffende artikelen in de CAR/UWO)."

5.7

Partijen twisten over de vraag of het handelen van [verweerder] (het meenemen van bijvoorbeeld een strijkbout die bij het grofvuil aan de kant van de weg werd aangeboden) onder dat deel van het beleid valt. Naar het oordeel van de kantonrechter is vuil dat aan de kant van de weg is gezet om opgehaald te worden als grofvuil, gelijk te stellen is aan bij de milieustraat ingeleverde goederen. De woorden ‘onder meer’ in het reglement geven ook ruimte voor een interpretatie als hier door de gemeente voorgestaan. Daarmee is sprake van interne diefstal als bedoeld in het beleid.

5.8

Dat ook collega’s van [verweerder] zich aan dit gedrag schuldig maken, is niet relevant. Dat is anders als zou komen vast te staan dat de gemeente daarvan op de hoogte is en dat gedrag – ondanks haar beleid – gedoogt. Dat is door [verweerder] wel gesuggereerd, maar op geen enkele wijze onderbouwd. Door de gemeente is zelfs een verklaring van [naam] in het geding gebracht waaruit volgt dat [verweerder] in 2016 gewaarschuwd is voor zijn gedrag omtrent het meenemen van spullen. Ook is hierbij reeds te kennen gegeven dat er een volgende keer sancties zouden volgen. Deze verklaring is door [verweerder] niet betwist. Sterker nog, [verweerder] heeft erkend ervan op de hoogte te zijn dat het niet de bedoeling is dat hij spullen van de straatkant meeneemt.

5.9

Daar komt bij dat vast staat dat [verweerder] softdrugs die hij gedurende zijn werkzaamheden heeft gevonden, heeft verkocht, nota bene aan een collega. Een dergelijk handelen raakt aan alle vormen van integriteit die van een medewerker van een lokale overheidsinstantie mag worden verlangd. [verweerder] heeft tijdens gesprekken verklaard dat hij wist dat hij dergelijke goederen aan zijn leidinggevende moest overhandigen. Hij heeft dat dus welbewust niet gedaan.

5.10

Daar komt dan nog bij dat uit de gespreksverslagen blijkt – en [verweerder] heeft de deugdelijkheid daarvan niet weersproken – dat [verweerder] keer op keer een andere (steeds iets verdergaande) verklaring heeft gegeven. Dat betekent dat hij – niet alleen tijdens een eerste gesprek, als reflex, maar verschillende keren op verschillende momenten – over zijn gedrag heeft gelogen. Hij heeft zijn handelen in deze procedure als klein en ondergeschikt bestempeld, maar in de aanloop naar deze procedure vond hij het gedrag kennelijk belangrijk genoeg om er verschillende keren over te liegen.

5.11

De slotsom is dat [verweerder] zich zodanig ernstig heeft misdragen, dat de arbeidsovereenkomst – voor het geval die niet reeds als gevolg van het strafontslag tot een einde is gekomen – moet worden ontbonden. De gedragingen van [verweerder] leveren een zodanig ernstige tekortkoming op in de nakoming van zijn verplichtingen als werknemer op, dat ontbinding op grond van artikel 7:686 BW in dit geval gerechtvaardigd is.

5.12

Gelet op al het bovenstaande is sprake van een zodanig verwijtbaar handelen van [verweerder] dat er geen transitievergoeding zal worden toegekend. Ook is er geen aanleiding voor het toekennen van een billijke vergoeding omdat niet is komen vaststaan dat de gemeente ernstige verwijten te maken valt. De verzoeken van [verweerder] worden dan ook afgewezen.

5.13

In het bovenstaande ziet de kantonrechter aanleiding [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt, voor het geval het dienstverband tussen partijen niet als gevolg van het besluit van 20 december 2019 is geëindigd, de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2020;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure aan de zijde van de gemeente vastgesteld

op € 124,- aan griffierecht en € 721,- gemachtigdensalaris;

wijst de verzoeken van [verweerder] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

527