Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12582

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
8352526 / CV EXPL 20-6804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering uit hoofde van een overeenkomst van opdracht, in de zin van artikel 7:400 lid 1 BW. Gelasten mondelinge behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8352526 / CV EXPL 20-6804

uitspraak: 4 december 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2020,

gemachtigde: aanvankelijk mr. M.N.R. Nasrullah en thans mr. H.G.A.M. Halfers te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gemachtigde: mr. R. Zwiers te Schiedam,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats gedaagde 4] ,

gemachtigde: mr. S. Arakelyan namens AKL Advocatuur te Schiedam,

gedaagden.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘gedaagden’. Gedaagden worden afzonderlijk ‘gedaagde sub 1’, ‘gedaagde sub 2’, ‘gedaagde sub 3’ en ‘gedaagde sub 4’ genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding, zonder producties;

  • -

    de aantekeningen van de rolzitting van 3 maart 2020, waar gedaagde sub 4 mondeling verweer heeft gevoerd;

  • -

    het faxbericht van 25 maart 2020 van mr. Halfers, inhoudende een reactie op het mondelinge verweer van gedaagde sub 4;

  • -

    de conclusie van dupliek van gedaagde sub 4, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagde sub 2;

  • -

    het e-mailbericht van 15 juli 2020 van mr. Halfers, inhoudende een reactie op de conclusie van antwoord van gedaagde sub 2;

  • -

    de conclusie van dupliek van gedaagde sub 2;

  • -

    de rolbeslissing van 11 september 2020 van de kantonrechter van deze rechtbank;

  • -

    de brief van 8 oktober 2020 van mr. Halfers, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    het e-mailbericht van 8 oktober 2020 van mr. Arakelyan;

  • -

    het e-mailbericht van 8 oktober 2020 van mr. Zwiers;

  • -

    de akte uitlating producties van 5 november 2020 van mr. Zwiers;

  • -

    de akte uitlaten producties van 5 november 2020 van mr. Arakelyan.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[naam] (hierna: [naam] ) is auteur van het in het Portugees geschreven boek ‘ [naam boek] ’, oftewel ‘ [naam boek] ’ (hierna: het boek).

2.2.

Op 18 februari 2014 heeft eiser een e-mail aan gedaagde sub 4 gestuurd die, voor zover thans van belang, als volgt luidt:

“Senior [gedaagde 4] ,

Hoe is de stand van zaken? Na ons laatgeste gesprek met [gedaagde 3] , afgelopen zaterdag, hebben we min of meer gezegd dat een prijs per woord het handigst is.

(…) Mijns inziens is 10ct per woord een faire prijs.

(…)”

2.3.

Op 26 februari 2014 heeft eiser een e-mail aan (in ieder geval) gedaagde sub 3 gestuurd waarin, voor zover thans van belang, het volgende is vermeld:

“Heren

Even de puntjes op de i zetten. Omdat er niet bekend is hoeveel woorden het boek van [naam] heeft en per bladzijde berekenen bijna niet te doen is, blijft alleen de optie prijs per geschreven woord over.

(…)

Ik denk dat 10ct per woord een o.k. prijs is en het beste een waarborg biedt voor alle partijen.

Op 1 maart zitten we op bijna 3-kwart van het boek.

(…)”

2.4.

Op 10 april 2014 heeft eiser een proefversie van het volledig vertaalde boek gemaild aan gedaagde sub 4.

2.5.

Op 12 oktober 2014 is door eiser een factuur opgemaakt, die, voor zover thans van belang, als volgt luidt:

Factuur boek

Rotterdam, 12 oktober 2014,

Betreffende de vertaling van het boek “ [naam boek] ” van dhr. [naam] . Vertaling uitgevoerd vanuit het Portugees naar het Nederlands.

Totaal aantal vertaalde woorden naar het Nederlands: 30.716

Bruto aantal bladzijden van het origineel: 214

Netto-tijd besteed aan de vertaling: zes weken

Prijs per woord: €0,10

Eindbedrag: €3.071,60

Details:

Naam: [eiser]

Bankrek: [bankrekeningnummer]

IBAN: [bankrekeningnummer] ”

2.6.

Op 11 november 2014 heeft eiser de factuur gemaild naar gedaagde sub 4.

2.7.

Bij brieven van 29 december 2016 en van 27 januari 2017 heeft eiser [naam] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van het onder 2.5 genoemde bedrag binnen acht respectievelijk tien dagen. [naam] heeft aan deze sommaties geen gehoor gegeven.

2.8.

Bij e-mails van 3 januari 2017 en van 7 februari 2017 heeft gedaagde sub 4 de voormalig gemachtigde van eiser bericht dat geen opdracht is gegeven tot vertaling van het boek.

3. De vordering

3.1.

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.071,60 en te bepalen dat indien de één betaalt, de ander voor dat deel wordt bevrijd;

II. gedaagden te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente met ingang van 29 december 2016;

III. althans gedaagden te veroordelen tot een zodanig bedrag voor wat betreft hetgeen is gevorderd onder I en II, zoals door de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren;

IV. gedaagden te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten.

3.2.

Aan zijn vorderingen heeft eiser – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat tussen eiser en (één of meer) gedaagden deels mondeling en deels schriftelijk een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW tot stand is gekomen voor het vertalen van het boek uit het Portugees in het Nederlands door eiser. Daarbij is de mondelinge afspraak gemaakt dat gedaagde sub 2 en gedaagde sub 4 – de [naam familie] – zorg zou dragen voor de betaling. Gedaagden sub 1 en sub 3 hebben zich mondeling garant gesteld voor de betaling voor het geval gedaagden sub 2 en 4 om welke reden dan ook niet zouden kunnen betalen. Partijen zijn een bedrag van € 0,10 per vertaald woord overeengekomen en de vertaalwerkzaamheden van eiser hebben geresulteerd in een eindbedrag van € 3.071,60. Gedaagden hebben dit gefactureerde bedrag niet voldaan. Eiser vordert nakoming van de op (één of meer) gedaagden rustende verplichting tot betaling van de factuur.

4. Het verweer

4.1.

Gedaagde sub 2 heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiser in de proceskosten. Zij heeft primair betwist dat tussen eiser en haar een overeenkomst van opdracht voor vertaalwerkzaamheden tot stand is gekomen en dat een tariefafspraak is gemaakt. Subsidiair heeft gedaagde sub 2 aangevoerd dat zij dan ook niet gehouden is tot betaling van een bedrag van € 3.071,60, wettelijke rente en bijkomende kosten.

4.2.

Gedaagde sub 4 heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van eiser in de proceskosten. Gedaagde sub 4 betwist dat door hem opdracht is gegeven voor vertaling van het boek. Volgens gedaagde sub 4 heeft gedaagde sub 3 die opdracht gegeven.

5. De beoordeling

5.1.

Ter uitvoering van de rolbeslissing van 11 september 2020 heeft eiser bij brief van 8 oktober 2020 de bij de dagvaarding ontbrekende producties 1 tot en met 5 overgelegd. Daarbij heeft eiser tevens een aanvullende productie in het geding gebracht, te weten productie 6.

Gedaagden sub 2 en sub 4 hebben bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van die nieuwe productie. De kantonrechter verwerpt dat bezwaar. Zoals hierna nog verder overwogen zal worden acht de kantonrechter het nodig om een mondelinge behandeling van de zaak te gelasten. Op die zitting zal de kantonrechter de verschenen gedaagden in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die nadere productie. Op die wijze wordt het beginsel van hoor en wederhoor gewaarborgd en onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom bedoelde productie buiten beschouwing zou moeten blijven.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of tussen eiser en (één of meer) gedaagden een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen voor het vertalen van het boek uit het Portugees in het Nederlands door eiser tegen een vergoeding van € 0,10 per vertaald woord en dat gedaagden sub 1 en sub 3 garant staan voor die betaling.

5.3.

Uit artikel 7:400 lid 1 BW volgt dat de overeenkomst van opdracht de overeenkomst is waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken. Als de overeenkomst door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de opdrachtgever hem krachtens artikel 7:405 lid 1 BW loon verschuldigd.

5.4.

Op basis van hetgeen partijen tot dusverre hebben gesteld kan het bestaan van bedoelde overeenkomst van opdracht niet worden vastgesteld. Het bewijs van die overeenkomst rust in beginsel op eiser, mede gelet op het bepaalde in artikel 150 Rv. Alvorens hem tot bewijslevering toe te laten acht de kantonrechter het noodzakelijk een mondelinge behandeling van de zaak te gelasten, te meer omdat de kantonrechter een nadere toelichting wenst ten aanzien van de volgende onderwerpen.

5.5.

Onder randnummer 1 van de dagvaarding heeft eiser gesteld dat [naam] de auteur is van het boek, dat eiser uit het Portugees in het Nederlands heeft vertaald.
Als gedaagde sub 2 is gedagvaard [gedaagde 2] . Uit haar conclusie van antwoord blijkt dat [naam] kennelijk is overleden. Tijdens de mondelinge behandeling dient eiser nader toe te lichten of gedaagde sub 2 is gedagvaard pro se dan wel in haar hoedanigheid van erfgenaam van [naam] .

5.6.

Uit de kop van de dagvaarding blijkt voorts dat gedaagden sub 1 en sub 3 op hetzelfde adres zijn gedagvaard. Thans is onduidelijk of gedaagde sub 1 nog bestaat als stichting en in welke hoedanigheid gedaagde sub 3 is opgeroepen. Ook daarover dient eiser tijdens de mondelinge behandeling van de zaak nader opheldering te verschaffen.

5.7.

Ten aanzien van de als productie 2 overgelegde factuur wenst de kantonrechter een nadere toelichting waaruit blijkt dat deze factuur bestemd is voor, dan wel verstuurd is aan [naam] . Op de factuur ontbreken immers adresgegevens.

5.8.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak dienen partijen tevens nadere informatie te verschaffen over de vraag wat er met de vertaling van eiser gebeurd is, of die vertaling in boekvorm is uitgegeven en zo ja wie de opbrengsten daarvan genoten heeft, c.q. thans nog geniet.

5.9.

Gelet op het vorenstaande wordt een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling wordt tevens benut voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.10.

Alle bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter sprake wil brengen aan de kantonrechter en aan de wederpartij te worden toegezonden op een zodanige wijze dat die stukken uiterlijk één week voor de zitting in het bezit zijn van de kantonrechter en de wederpartij.

5.11.

Partijen dienen in persoon ter zitting te verschijnen of zij moeten ter zitting worden vertegenwoordigd door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot de onderhavige vordering. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

5.12.

Uitstel dient schriftelijk en gemotiveerd te worden verzocht binnen één week na ontvangst van dit vonnis. Ook moet worden vermeld of de wederpartij instemt met het uitstel. In het uitstelverzoek moeten voorts zowel de eigen verhinderdata als de verhinderdata van de wederpartij worden vermeld. Indien de partij die het uitstelverzoek doet met de wederpartij niet in contact heeft kunnen komen, dient deze te vermelden welke pogingen daartoe zijn ondernomen.

5.13.

Zolang op het uitstelverzoek niet is beslist moet er van worden uitgegaan dat de zitting gewoon doorgang zal vinden op de hierna vastgestelde datum.

5.14.

De kantonrechter wijst partijen erop dat het niet voldoen aan voormelde instructies gevolgen kan hebben voor het verdere verloop en de uitkomst van de procedure en dat het niet verschijnen ter zitting in het nadeel van de niet verschijnende partij kan worden uitgelegd

5.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met haar gemachtigde) op woensdag 6 januari 2020 om 14.00 uur dienen te verschijnen ter zitting van de kantonrechter mr. W.J.J. Wetzels. De zitting zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw, Wilhelminaplein 100-125 te Rotterdam.

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

[46009]