Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
10/661036-20 vordering TUL VV: 10/206740-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Straatroof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661036-20

Parketnummer vordering TUL VV: 10/206740-17

Datum uitspraak: 26 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de PI Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/206740-17.

4. Waardering bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak (vuurwapen)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde ”tonen en/of voorhouden van een vuurwapen (althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)” niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het overige ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Zevenkampse Ring, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een laptop (Apple, type MacBook), in elk geval enig goed, die dat geheel of ten dele aan een

ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , weg te nemen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze

voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen

volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] ,

te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- ( met kracht) een tasje met daarin voornoemde laptop uit de handen van die [naam slachtoffer] heeft getrokken/gegrist en/of

- die [naam slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstalgemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer te beroven van zijn laptop. Hij heeft hiertoe gereageerd op een advertentie op Facebook-Marktplaats waarin door het slachtoffer een Apple Macbook werd aangeboden. De verdachte deed zich voor als bona fide koper en heeft met het slachtoffer een locatie afgesproken om de koop af te ronden. De verdachte heeft het slachtoffer daar van achteren benaderd en heeft de tas met de laptop uit diens handen getrokken. Alleen omdat het slachtoffer de tas daarna weer terug wist te pakken is de beroving uiteindelijk niet voltooid.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het door het slachtoffer in hem gestelde vertrouwen met als kennelijk doel eigen financieel gewin. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de straatroof grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt, hij ondervindt er nog steeds de (psychisch nadelige) gevolgen van.

Bovendien heeft verdachte door zijn handelswijze het vertrouwen in de handel via internet in het algemeen schade toegebracht. De rechtbank rekent ook dit de verdachte aan.

Ten slotte heeft het gebeuren op klaarlichte dag op de openbare weg plaatsgevonden en zijn omstanders ongewild daarvan getuige geweest. Hij heeft hiermee ook de gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 mei 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft cognitieve problemen, een gebrekkige impulscontrole en het ontbreekt hem aan voldoende (coping-) vaardigheden die belangrijk zijn bij het inschatten van moeilijke situaties en het voorkomen van delicten. Hij heeft geen vaste woon- en/of verblijfplaats, geen zinvolle dagbesteding en geen inkomen. Verder heeft de verdachte schulden en kampt hij met een verslaving op het gebied van softdrugs. Het niet op orde hebben van de leefgebieden zorgt voor onrust in zijn hoofd en voor impulsieve acties.

Om recidive te voorkomen is het belangrijk dat de verdachte adequate psychosociale hulp

(gedragsbeïnvloeding) en praktische ondersteuning op het gebied van huisvesting, financiën en dagbesteding blijft krijgen.

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.

Bij een veroordeling worden bij een voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

  • -

    meldplicht bij de reclassering;

  • -

    een ambulante behandeling;

  • -

    begeleid wonen of maatschappelijke opvang

  • -

    een drugsverbod;

  • -

    meewerken aan schuldhulpverlening;

  • -

    een dagbesteding.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank acht het zowel in het belang van de verdachte, die ter terechtzitting heeft erkend dat hij hulp nodig heeft, als in het belang van de samenleving dat de verdachte zal worden begeleid en ondersteund, om recidive te voorkomen. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan verbonden de voorwaarden die de reclassering geadviseerd heeft. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om bij deze bijzondere voorwaarden een langere proeftijd dan gebruikelijk op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, namelijk tot een bedrag van € 1.500,-, met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige deel, en met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu een causaal verband ontbreekt en beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij is reeds vanwege een andere oorzaak dan het bewezen verklaarde feit onder behandeling van een psycholoog vanwege een posttraumatische stress stoornis (PTSS). Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, omdat het feit heeft bijgedragen aan verergering van al bestaande psychische klachten.

Voor zover die schade nu aannemelijk geworden is zal de vergoeding daarvan naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, met niet-ontvankelijk verklaring voor het overige deel.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 maart 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een belangrijk deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 7 maart 2018 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van kort gezegd diefstal met geweld en bedreiging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan een gedeelte, groot 28 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 12 februari 2019 en eindigt op 15 februari 2021.

9.2.

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen.

9.3.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, gedurende de proeftijd of zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd onthouden van het gebruik van verdovende middelen, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek, zo vaak als de reclassering noodzakelijk acht;

3. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van Ipse de Brugge of een soortgelijke instelling voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling verantwoord vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen de instelling geeft voor de behandeling;

4. de veroordeelde zal verblijven bij Pameijer of een andere instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de directeur van die instelling verantwoord vindt;

5. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd in samenwerking/overleg met de reclassering inspannen voor een passende dagbesteding;

6. de veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering daarbij inzicht in zijn financiële situatie.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 750,- (hoofdsom, zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 750,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 28 dagen, van de bij vonnis van 7 maart 2018 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. L.J.M. Janssen en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Zevenkampse Ring,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een laptop

(Apple, type MacBook), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer] , weg te nemen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze

voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen

volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] ,

te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- ( met kracht) een tasje met daarin voornoemde laptop uit de handen van die

[naam slachtoffer] heeft getrokken/gegrist en/of

- die [naam slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.