Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12517

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
10/741034-20 vordering TUL VV: 22/004317-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben vuurwapen met bijbehorende munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741034-20

Parketnummer vordering TUL VV: 22/004317-18

Datum uitspraak: 26 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet te Rotterdam,

raadsman mr. H.L. Heemskerk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van een gedeelte groot 12 maanden van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22/004317-18.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde, omdat niet bewezen kan worden dat het de verdachte is geweest die het vuurwapen op de voorband van de geparkeerde auto heeft gelegd. Op de camerabeelden is niemand te herkennen, het signalement van de betreffende persoon is niet uniek en het op het vuurwapen aangetroffen DNA-mengprofiel heeft geen bewijswaarde.

Daarbij komt dat niet alle beelden van die avond (vanaf 23:00 uur) zijn uitgekeken, zodat niet kan worden uitgesloten dat een ander op een eerder moment het vuurwapen heeft neergelegd op de plek waar het is aangetroffen.

4.1.2.

Beoordeling

De verdachte bevond zich op 19 maart 2020 ’s nachts, omstreeks 3:40 uur, als bijrijder in een zwarte Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer] bij het tankstation ESSO aan de ’s-Gravendijkwal te Rotterdam.

Toen de verbalisant in het kader van een voertuigcontrole om zijn legitimatie vroeg is hij weggevlucht en in ieder geval via de Academiestraat naar/langs het Academieplein gerend. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij toen inderdaad is weggerend en kort daarna, om 03:47 uur, op de Coolhaven staande is gehouden.

Vaststaat dat de plaats waar de verdachte is staande gehouden ongeveer 50m verwijderd is van het Academieplein, de plaats waar naderhand het tenlastegelegde vuurwapen is aangetroffen.

Op de parkeerplaats van het Academieplein is na een uitgebreide zoekactie om 4:10 uur door de verbalisanten een vuurwapen aangetroffen op de linker voorband van een – volgens de eigenaar reeds enige uren – daar geparkeerde auto. Het Academieplein is ongeveer 100 meter van het ESSO tankstation verwijderd. Uit de waarnemingen van de politie in combinatie met de camerabeelden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er rond 3.40 uur en daarna geen, andere personen op die parkeerplaats aanwezig zijn geweest behalve de op de camerabeelden vastgelegde persoon.

1. Is het de verdachte die te zien is op de camerabeelden?

Op de camerabeelden van de Hogeschool Rotterdam is een persoon te zien die om 3:41 uur vanuit de richting van het ESSO station, vanaf de Academiestraat het Academieplein oprent. De persoon rent langs de geparkeerde auto’s en maakt vervolgens ter hoogte van de auto waarbij later het vuurwapen is gevonden een bukkende beweging ter hoogte van het linker voorwiel. Daarna komt de persoon weer overeind en loopt verder het Academieplein over.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of het de verdachte is die daar op de camerabeelden te zien is. Gelet op het korte tijdsbestek (7 minuten) tussen het wegrennen door de verdachte bij het ESSO station en zijn staandehouding op de Coolhaven, in de nabije omgeving van de vindplaats van het wapen, het feit dat de route die de politie hem heeft zien wegrennen in ieder geval leidt naar het Academieplen, het tijdstip en de verdere afwezigheid van andere personen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die omstreeks 3:41 uur rennend te zien is op de camerabeelden, zoals gerelateerd in het betreffende proces-verbaal van bevindingen.

2. Heeft de verdachte het vuurwapen daar neergelegd?

De rechtbank is, in het licht van het voorgaande, ook van oordeel dat het de verdachte is geweest die toen het vuurwapen op de linker voorband van de geparkeerde auto heeft gelegd.

Op de camerabeelden is immers te zien dat de verdachte over de parkeerplaats van het Academieplein rende, bukte ter hoogte van de linker voorband van de auto, waar de politie kort daarna het vuurwapen heeft aangetroffen. Noch enige tijd voor het bukken door de verdachte bij de auto, noch nadien (tot het aantreffen van het wapen door de politie) zijn andere personen bij die auto waargenomen.

Het feit dat op het vuurwapen ook DNA (mengprofiel) is aangetroffen, dat passend is bij het DNA van de verdachte ondersteunt de hierboven geschetste gang van zaken. Een alternatief scenario, dat dat een ander het wapen er eerder heeft neergelegd, is – mede gelet op het hiervoor overwogene - niet aannemelijk geworden.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 19 maart 2020 het vuurwapen met de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 19 maart 2020 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de

vorm van een pistool van het merk/type Cz 27, kaliber 7.65 millimeter,

en

(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van

de Wet Wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van

die wet, van de Categorie III, te weten

- 4 kogel patronen, type S&B, kaliber 7.65 millimeter en/of

- 3 kogelpatronen, type geco, kaliber 7.65 millimeter,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op de openbare weg een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Dit wapen was niet doorgeladen, maar wel gebruiksklaar.

De ervaring leert dat het voorhanden hebben van een wapen ook vaak leidt tot het gebruik ervan. Het voorhanden hebben van wapens is daarom bijzonder gevaarzettend. Reden waarom daartegen streng en consequent moet worden opgetreden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank bovendien laten wegen de omstandigheden dat de verdachte al eerder is veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van lange duur voor een geweldsdelict waarbij eveneens een vuurwapen is gebruikt en hij ten tijde van het bewezen verklaarde feit nog maar tien dagen daarvoor uit die detentie was ontslagen. Het feit dat de verdachte verlaart die nacht voor de politie gevlucht te zijn omdat hij toen in overtreding was van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, laat evenmin zien dat hij toen voornemens was zijn leven te beteren.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen gevangenisstraf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij arrest van 24 juli 2019 van het gerechtshof Den Haag is de verdachte ter zake van poging tot doodslag, bedreiging en verboden wapenbezit veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan een gedeelte, groot 18 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 8 augustus 2019 en eindigt op 7 augustus 2021.

8.2.

Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, namelijk voor de duur van 12 maanden.

De raadsman heeft zich, nu hij vrijspraak heeft bepleit, primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, en subsidiair dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen.

8.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de gedeeltelijke tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op het artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 6 maanden, van de bij arrest van 24 juli 2019 van het gerechtshof Den Haag aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. L.J.M. Janssen en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 maart 2020 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie,

te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de

vorm van een pistool van het merk/type Cz 27, kaliber 7.65 millimeter,

en

(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van

de Wet Wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van

die wet, van de Categorie III, te weten

- 4 kogel patronen, type S&B, kaliber 7.65 millimeter en/of

- 3 kogelpatronen, type geco, kaliber 7.65 millimeter,

voorhanden heeft gehad.