Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12342

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
C/10/591594 / HA ZA 20-173
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-echtgenoten, in gemeenschap van goederen gehuwd. Geen leemte in convenant advocaat-mediator. Opschortende voorwaarde voor toedeling woning en polis aan man niet vervuld. In geval van verkoop woning aan derde zijn partijen deelgenoten gebleven en moeten zij overwaarde in beginsel bij helfte delen (hoewel dit niet met zoveel woorden in convenant stond). Maatstaf benadeling meer dan een vierde. Beroep vrouw op artikel 3:196 lid 4 BW, benadeling te zijnen schade aanvaard, gaat niet op. Man was zich niet bewust van werkelijke aard en waarde (andere) polis. Verdeling vernietigbaar. Toepassing artikel 3:198 BW (wijziging van de verdeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591594 / HA ZA 20-173

Vonnis van 23 december 2020

in de zaak van

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,

tegen

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.S. Janssen-Polet te Dordrecht.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van de zijde van de man van 5 februari 2020, met producties 1 t/m 6;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van de zijde van de vrouw van 1 april 2020, met producties 1 en 2;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte inbrenging producties van de zijde van de man van 13 mei 20120, met producties 7 t/m 9;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van de zijde van de vrouw van 24 juni 2020, met productie 3;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte inbrenging producties van de zijde van de man van 5 augustus 2020, met producties 10 t/m 13;

  • -

    de antwoordakte uitlaten producties van de zijde van de vrouw van 2 september 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn ex-echtgenoten. Zij zijn getrouwd in gemeenschap van goederen op 10 oktober 2011 en bij beschikking van de rechtbank van 24 maart 2017 is de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 april 2017.

2.2.

Van de echtscheidingsbeschikking maakt deel uit het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant), op 20 februari 2017 door hen ondertekend. Uit het convenant blijkt dat partijen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap afspraken hebben gemaakt, onder begeleiding van een advocaat-mediator. Partijen zijn in het convenant als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 januari 2016 overeengekomen.

2.3.

Partijen hadden in september 2007 een woning gekocht, aan de [adres] (hierna: de woning). waarvoor zij een hypothecaire lening van
€ 144.032,= hadden afgesloten bij de Rabobank, waarop niet werd afgelost. Ook hadden zij een Spaarzeker verzekering afgesloten bij Interpolis (hierna ook: de polis bij Interpolis) onder polisnummer [polisnummer 1] , die was verpand aan de Rabobank.

2.4.

De afkoopwaarde van de Polis bij Interpolis bedroeg per de peildatum volgens het convenant circa € 10.000,=.

2.5.

In het convenant zijn de woning, tegen een door partijen in overleg bepaalde waarde van € 134.000,=, en de polis bij Interpolis tegen een waarde van € 10.000,=, aan de man toegedeeld, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw door de bank zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld. Tevens is in het convenant bepaald dat tot de datum van levering van de woning aan de man, de hypotheekrente voor rekening komt van de man, evenals de aanslag WOZ, de opstalverzekering, en de onderhoudslasten.

2.6.

In het convenant staat dat als de bank de vrouw niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontslaan, partijen de woning te koop zetten.

2.7.

Het eerste deel van artikel 4.7 van het convenant luidt – voor zover van belang: “De man heeft een polis van levensverzekering afgesloten bij Aegon in het kader van het opbouwen van pensioen, met polisnummer [polisnummer 2] . De rechten voortvloeiende uit voornoemde polis worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening, nu de man de schulden van partijen (…) bij Defam en De Nederlandse Voorschotbank onder vrijwaring van de vrouw voor zijn rekening neemt. (…)

2.8.

De schuld bij de Defam betreft volgens het convenant een doorlopend krediet ter grootte van € 20.000,= en de schuld bij De Nederlandse Voorschotbank een doorlopend krediet ter grootte van € 5.000,=.

2.9.

Artikel 4.7 van het convenant bevat voorts de tekst: “Indien de man niet langer aan zijn aflossingsverplichtingen jegens Defam en/of De Nederlandse Voorschotbank voldoet (…) en/of anderszins niet in staat is de verplichtingen jegens Defam en/of De Nederlandse Voorschotbank na te komen en de vrouw door Defam en/of de Nederlande Voorschotbank wordt aangesproken tot nakoming van de aflossing van de schulden, komen partijen overeen dat de waarde van de levensverzekeringspolis voornoemd met polisnummer [polisnummer 2] wordt afgekocht en de waarde wordt aangewend voor de inlossing van de schulden die Defam en/of de Nederlandse Voorschotbank”.

2.10.

Ook zijn in het convenant aan de man toegedeeld / toegerekend alle activa en schulden van de onderneming, de eenmanszaak [naam bedrijf] , waarbij de waarde van de eenmanszaak op nihil is gesteld.

2.11.

De woning is uiteindelijk niet op naam van de man gezet. Bij kortgedingvonnis van 18 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de man -samengevat- veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de woning, op straffe van een dwangsom, en bepaald dat het kortgedingvonnis zo nodig in de plaats zal treden van de wilsverklaring, medewerking en handtekening(en) van de man, nodig voor verkoop en levering.

2.12.

De woning is verkocht en op 3 december 2019 geleverd aan de koper. De verkoopopbrengst bedroeg € 163.500,=. Nadat met de afkoopwaarde van de polis bij Interpolis de hypothecaire schuld deels was afgelost bedroeg die schuld nog – ten tijde van de levering van de woning aan de koper - € 122.948,54. Na aflossing van dit restantbedrag met de verkoopopbrengst en na aftrek van kosten bedroeg de netto verkoopopbrengst van de woning € 37.608,18. Er is € 5.000,= aan ieder van beide partijen uitbetaald en het restant

(€ 27.608,18) bevindt zich in depot bij de notaris. Partijen verschillen van mening over de verdeling van het oorspronkelijke depotbedrag ad € 37.608,18.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert:

“Primair

I Te verklaren voor recht dat de overwaarde van de woning ad € 37.608,18 die thans in depot is gesteld bij notarissen Venekamp en Daams volledig aan de man wordt toegedeeld en de notarissen Venekamp en Daams te machtigen dit bedrag aan de man uit te keren.

Subsidiair:

Te verklaren voor recht dat van de overwaarde van de woning ad € 37.608,18 die thans in depot is gesteld bij notarissen Venekamp en Daams een bedrag groot € 30.095,58 aan de man wordt toebedeeld en een bedrag groot € 7.512,58 aan de vrouw en de notarissen Venekamp en Daams te machtigen deze bedragen aan partijen uit te keren: aan de man € 30.095,58 en aan de vrouw € 7.512,58.

Meer subsidiair:

Het echtscheidingsconvenant d.d. 20 februari 2017 te vernietigen op grond van benadeling van de man voor meer dan een kwart en de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen als volgt:

Aan de man wordt toebedeeld:

  • -

    Waarde polis levensverzekering € 2.417,=

  • -

    Schulden € 25.000,=

  • -

    Waarde eenmanszaak nihil

  • -

    Van de overwaarde van de woning na verkoop € 30.095,58

Aan de vrouw wordt toebedeeld van de overwaarde in de woning een bedrag ad € 7.512,58

II. Gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen € 2.496,07 terzake door hem betaalde premie voor de polis bij Interpolis met nummer [polisnummer 1] over de periode 17 februari 2017 tot 3 december 2019.

III. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.”

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De vrouw vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de overwaarde van de woning ad € 37.608,18 en dat aan partijen uit de bij notarissen Venekamp en Daams in depot gehouden overwaarde dient te worden uitgekeerd de helft van € 37.608,18, minus het reeds uitgekeerde bedrag van
€ 10.000,=, waardoor er in depot nog € 27.608,18 resteert, waarvan een bedrag van € 13.608,12 aan de man en een bedrag van € 13.608,12 aan de vrouw dient te worden uitgekeerd, althans dat aan ieder der partijen dient te worden uitgekeerd de helft van de verkoopopbrengst die resteert in depot na aftrek van de kosten voor het depot;

- voor recht te verklaren dat eventuele door de vrouw verschuldigde eigenaarslasten, die de vrouw aan de man zou dienen te vergoeden, zijn verrekend met een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding, althans schadeloosstelling voor het alleengebruik van de voormalig echtelijke woning.”

3.5.

De man voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang tussen het geschil in conventie en dat in reconventie, zullen deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld.

Leemte in het convenant?

4.2.

Partijen zijn op 20 februari 2017 een verdeling overeenkomen in de zin van artikel 3:182 BW, die voor wat betreft de woning en de polis bij Interpolis inhield dat deze positieve bestanddelen van de huwelijksgemeenschap voorwaardelijk aan de man werden toegedeeld, namelijk onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw zou worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld, welke schuld de man voor zijn rekening zou nemen. Als de bank de vrouw niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou ontslaan zou de woning (alsnog) worden verkocht.

Duidelijk is dat genoemde voorwaarde, ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, niet is vervuld.

De woning is uiteindelijk, na een kortgedingprocedure, verkocht aan een derde, en de polis bij Interpolis is afgekocht. Als tijdstip van de verdeling van de woning en de polis bij Interpolis geldt de datum van levering van de woning aan de koper en van afkoop van de polis (tevens datum van de aflossing van de hypothecaire schuld), zijnde 3 december 2019.

4.3.

De man meent dat in het convenant niet is opgenomen wat er zou moeten gebeuren met de overwaarde ingeval van verkoop van de woning aan een derde. Het convenant zou een leemte bevatten want het zou de bedoeling van partijen zijn geweest dat óók ingeval van verkoop door partijen van de woning aan een derde, de waarde daarvan (en dus de onder- dan wel overwaarde van de woning) én de polis bij Interpolis, aan de man zouden worden toegedeeld zonder verrekening met de vrouw, omdat de man volgens het convenant de schulden van de gemeenschap voor zijn rekening zou nemen en de hypotheekrente zou voldoen.

4.4.

De vrouw heeft voormeld standpunt van de man gemotiveerd betwist.

4.5.

De rechtbank verwerpt de stelling van de man dat sprake is van een leemte in het convenant, en dat in dat convenant niet is opgenomen, maar partijen wel voor ogen stond, dat ingeval de woning niet op naam van de man zou komen, maar aan een derde zou moeten worden verkocht, de gehele overwaarde van de woning en de waarde van de polis bij Interpolis, aan de man zouden toekomen. De man beroept zich op een e-mail van de vrouw aan de advocaat-echtscheidingsmediator van partijen van 6 januari 2017. De vrouw heeft geschreven: “Hoi [naam] , ik lees net in de bijlage (het concept-convenant, toevoeging Rb) dat de schulden verdeeld worden maar die zouden op [naam man] komen omdat hij het huis hou en of verkoop en wij hadden de afspraak dat daar dan ook de schulden bij zitten. De Daihatsu auto is er inmiddels niet meer.” Anders dan de man meent kan uit die tekst niet zonder meer worden afgeleid dat de vrouw vindt dat als de woning uiteindelijk niet op naam komt van de man, maar door partijen moet worden verkocht, de overwaarde uitsluitend naar de man zou moeten gaan. De vrouw lijkt te schrijven over de situatie dat de man ófwel de woning op zijn naam krijgt en er in blijft wonen, ófwel de woning op zijn naam krijgt en zelf de woning verkoopt. In het convenant is geen afspraak te vinden omtrent de verdeling van de overwaarde ingeval van verkoop van de woning door partijen aan een derde. Dat is niet onlogisch, en ook niet aan te duiden als een leemte, omdat partijen ingeval van verkoop aan een derde deelgenoten zijn gebleven, en de overwaarde of onderwaarde in beginsel zullen moeten delen. De vrouw heeft er terecht op gewezen dat partijen zijn bijgestaan door een advocaat-echtscheidingsmediator, en dat áls partijen de (uitzonderlijke) bedoeling hadden die de man stelt, niet valt in te zien dat die bedoeling dan niet door deze advocaat-echtscheidingsmediator in het convenant zou zijn omschreven en opgenomen. Tenslotte wijst de vrouw er terecht op, dat volgens het convenant (artikel 3.7) ingeval de woning moet worden verkocht aan een derde, beide partijen betrokken zijn bij de aanwijzing van de makelaar en beide partijen zich moeten richten naar het advies van die makelaar omtrent de vraagprijs, en dat dat niet strookt met de door de man gestelde bedoeling van partijen. De vrouw zou dan bij die aanwijzing/bepaling immers geen belang hebben. De man beroept zich erop dat hij juridisch een leek is, en zelf de voormelde bedoeling wèl heeft gehad. Dat is echter onvoldoende onderbouwing van zijn stelling dat beide partijen die bedoeling hadden bij het sluiten van het convenant. De slotsom is dat de man, in het licht van de inhoud van het convenant en de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Er is geen aanleiding de man tot bewijslevering van zijn stellingen toe te laten.

Benadeling voor meer dan een vierde?

4.6.

De rechtbank zal in het navolgende de door de man gestelde benadeling voor meer dan een vierde behandelen. Het betreft dan de onvoorwaardelijke verdeling van de (overige) activa en passiva van de huwelijksgemeenschap in het convenant, die plaatsvond door de ondertekening van het convenant op 20 februari 2017. De vraag is of deze verdeling vernietigbaar is.

4.7.

De man stelt dat partijen er bij het maken van de afspraken in het convenant ten aanzien van de Aegon verzekeringspolis met polisnummer [polisnummer 2] ten onrechte vanuit gingen dat dit een pensioenverzekering betrof met een waarde die min of meer gelijk was aan de waarde van de schulden bij Defam en De Nederlandse Voorschotbank van in totaal
€ 25.000,=. Hij stelt te hebben gedwaald in de aard en de waarde van deze polis, nu het feitelijk een niet-afkoopbare overlijdensrisicoverzekering betrof met een waarde per de overeengekomen peildatum (1 januari 2016) van minder dan € 2.417,=. Als hij had geweten dat deze levensverzekering niet afkoopbaar was en had geweten dat de waarde van de verzekering zo gering was, dan had hij de schulden niet volledig voor zijn rekening genomen. De man wenst een vernietiging van het convenant omdat hij door de overeengekomen wijze van verdeling voor meer dan een vierde is benadeeld. De verdeling die hij wenst en voorstelt staat hiervoor beschreven onder 3.1 en wordt hier herhaald:

“ Aan de man wordt toebedeeld:

  • -

    Waarde polis levensverzekering € 2.417,=

  • -

    Schulden € 25.000,=

  • -

    Waarde eenmanszaak nihil

  • -

    Van de overwaarde van de woning na verkoop € 30.095,58

Aan de vrouw wordt toebedeeld van de overwaarde in de woning een bedrag ad € 7.512,58”

4.8.

De vrouw betwist dat er sprake is van een benadeling van meer dan een kwart, en stelt dat indien de man toch in die mate is benadeeld, hij deze benadeling evident en uitdrukkelijk te zijnen schade heeft aanvaard door ondertekening van het convenant. De vrouw wijst er op dat partijen begeleid werden door een advocaat-mediator, dat de Aegon polis op naam van de man stond en dat (alleen) hij de waarde ervan kon opvragen, zoals de advocaat-mediator die partijen bijstond partijen ook uitdrukkelijk had geadviseerd te doen. De man wist dus, of behoorde te weten, wat de waarde van deze polis was, althans, hij heeft het risico aanvaard dat de polis minder waard was dan gedacht door de waarde niet eerst na te gaan.

4.9.

Van belang is allereerst dat van verval van de rechtsvordering tot vernietiging van de verdeling (vgl. art. 3:200 BW) geen sprake is nu partijen het convenant hebben ondertekend op 20 februari 2017 en de dagvaarding is uitgebracht op 5 februari 2020.

4.10.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:196 BW is een verdeling vernietigbaar indien een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer van de te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld (lid 1). De benadeelde deelgenoot wordt vermoed in deze zin te hebben gedwaald indien een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen (lid 2). Voor de beoordeling of benadeling heeft plaatsgehad, worden de goederen en schulden geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling (lid 3). Verder geldt voor de berekening van de vereiste benadeling (meer dan een vierde) het volgende. Bezien dient te worden wat de benadeelde echtgenoot per saldo (goederen minus schulden) uit de gemeenschap behoorde te ontvangen in vergelijking met hetgeen deze deelgenoot bij de feitelijke verdeling daadwerkelijk heeft ontvangen. Aan de maatstaf van benadeling van meer dan een kwart is voldaan indien het door een deelgenoot geleden nadeel meer bedraagt dan een vierde van hetgeen deze deelgenoot toekomt uit de gemeenschap, uitgaande van de werkelijke waarde (op de peildatum) van de verdeelde goederen en schulden.

4.11.

Het dossier bevat een waardebepaling van de polis bij Aegon per 20 februari 2017 van € 2.417,=. Op 20 februari 2017 bedroeg de waarde van de schulden bij Defam en De Nederlandse Voorschotbank totaal € 25.000,=, en bedroeg de gesaldeerde waarde van de activa en passiva in de eenmanszaak van de man € 0,=. Dit betekent dat de man, bij de tussen partijen afgesproken wijze van verdeling, inhoudend dat de man deze schulden op zich nam en deze goederen toegedeeld kreeg, per saldo aan schulden € 22.583,= voor zijn rekening nam en de vrouw per saldo niets, waar zowel hij als de vrouw € 11.291,50 voor hun rekening hadden behoren te nemen. De banksaldi, inboedelgoederen en sieraden zijn zonder verrekening van waarde verdeeld en bleven hier buiten. De waarde van de woning en de waarde van de polis bij Interpolis en de grootte van de hypothecaire schuld tellen niet mee in de wijze van berekening van de benadeling van meer dan een vierde, nu de verdeling daarvan niet op 20 februari 2017 plaatsvond. Woning en polis zijn toen feitelijk onverdeeld gebleven (vgl. artikel 3:196, lid 3 BW). Als vermeld, vond de verdeling daarvan pas 3 december 2019 plaats, en op een andere wijze dan partijen voor ogen stond ten tijde van het ondertekenen van het convenant.

Met toepassing van de berekeningswijze zoals hiervoor is vermeld, is voldaan aan de vereisten van artikel 3:196 BW. De man wordt vermoed omtrent de waarde van (één van de) te verdelen activa en passiva te hebben gedwaald, te weten omtrent de waarde van de Aegon polis.

Benadeling te zijnen schade aanvaard?

4.12.

Volgens de vrouw heeft de man de verdeling te zijnen schade aanvaard, als bedoeld in artikel 3:196 BW, lid 4.

Voor een geslaagd beroep op artikel 3:196 lid 4 BW moeten omstandigheden worden gesteld waaruit volgt dat de man zijn recht op vernietiging wegens benadeling voor meer dan een kwart heeft prijsgegeven, waarbij ook van belang is of de man zich bewust was van de werkelijke waarde van de te verdelen gemeenschap, althans wist in welke orde van grootte de benadeling lag (vgl. gerechtshof `s- Hertogenbosch, 23 januari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007: BA 4452, rov. 4.12 en gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2016: 880, 23 februari 2016, rov 3-5).

4.13.

Het beroep van de vrouw op artikel 3:196 lid 4 BW slaagt niet. De man stelt en onderbouwt dat hij zich bij het sluiten van het convenant niet bewust was van de lage waarde van de polis en de aard van die polis. Dat de man zich daar toch van bewust was volgt nergens uit en stelt de vrouw ook niet. Dat (juist) de man de waarde had kunnen opvragen, omdat de polis op zijn naam stond, en dat de advocaat-mediator van partijen hen uitdrukkelijk had geadviseerd de waarde van deze polis op te vragen, maakt dat niet anders. Duidelijk is dat de waarde niet is opgenomen in het convenant, ondanks dat advies van de advocaat-mediator, en dat de polis ten onrechte in het convenant is aangeduid als te zijn aangegaan als pensioenvoorziening. Dit wijst erop, in combinatie met de hiervoor weergegeven tekst van artikel 4.7 van het convenant, waarin de koppeling is gelegd tussen de waarde van de polis enerzijds en de omvang van de schulden anderzijds, en waarin de mogelijkheid wordt genoemd met de afgekochte polis bij Aegon deze schulden af te lossen, dat de man niet op de hoogte was van de geringe waarde van de polis bij Aegon, noch van de werkelijke aard van de verzekering (overlijdensrisicoverzekering). De man heeft dan ook niet, door het convenant te ondertekenen, zijn recht op vernietiging wegens benadeling voor meer dan een kwart prijsgegeven.

4.14.

De verdeling is gezien het vorenstaande vernietigbaar. De rechtbank zal artikel 3:198 BW toepassen, nu de man feitelijk een wijziging van de verdeling verlangt, en beslissen zoals in het dictum vermeld.

4.15.

Het voorgaande brengt mee dat nog slechts het geschil rondom de premies levensverzekering van de polis bij Interpolis dient te worden beoordeeld. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.

Eigenaarslasten/ premie levensverzekering polis Interpolis

4.16.

De man vordert de helft van de door hem betaalde premies van de polis bij Interpolis over de periode 17 februari 2017 tot 3 december 2019 van de vrouw en becijfert die helft op € 2.496,07. De vrouw erkent dat de man over die periode in totaal € 4.700,13 heeft betaalt, zodat de helft zou zijn € 2.350,06.

4.17.

De vrouw vordert een verklaring voor recht dat eventueel door haar verschuldigde eigenaarslasten, die zij zou moeten vergoeden aan de man, zijn verrekend met een door de man aan haar te betalen gebruiksvergoeding of schadeloosstelling voor het alleengebruik van de voormalige echtelijke woning. Maar een grondslag voor de door de vrouw gevorderde verklaring voor recht ontbreekt. Terecht voert de man aan dat hij niet heeft gevorderd dat de vrouw nog een deel van de eigenaarslasten moet voldoen. De man voldeed deze lasten zelf, zulks conform de afspraak in artikel 3.11 van het convenant.

4.18.

De polis maakte onderdeel uit van de gemeenschap. Schulden met betrekking tot de polis (de premies) zijn dus gemeenschapsschulden. De vrouw dient op grond van de wet (deelgenoten dienen de gemeenschapsschulden naar rato te dragen) de helft van deze premies te betalen, en ook vanwege de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, nu in het convenant niet is bepaald wie de premiebetalingen draagt. Het gaat bij de premiebetalingen niet om eigenaarslasten van de woning (ook volgens het convenant niet) en de afspraak rondom de eigenaarslasten in het convenant regelt dus niet wie de premies moet dragen tot de afkoop van de polis plaatsvond. Nu de premiebetalingen door de man voor een waardevermeerdering van de polis hebben gezorgd waarvan ook de vrouw profiteert, zou de vrouw ongerechtvaardigd worden verrijkt als zij niet mee zou hoeven betalen aan de premies. De vordering van de man is dus toewijsbaar, echter tot het door de vrouw erkende bedrag ad € 2.350,06. De man heeft niet eerder dan bij (akte bij) dupliek in reconventie het steeds door de vrouw verzochte bewijs van zijn premiebetalingen bijgebracht, zodat hetgeen daaraan nog ontbreekt in zijn nadeel uitwerkt.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie en reconventie:

5.1.

wijzigt op voet van artikel 3:196 BW in verbinding met artikel 3:198 BW de tussen partijen in het echtscheidingsconvenant van 20 februari 2017 overeengekomen verdeling aldus:

aan de man worden toegedeeld de hierna genoemde bezittingen, onder de voorwaarde om de hierna genoemde schulden voor zijn rekening en risico als eigen schulden te voldoen, tegen de hierna genoemde waardes;

  • -

    de (rechten uit de) polis van levensverzekering bij Aegon, per 20 februari 2017 tegen een waarde ad € 2.417,=

  • -

    de (activa en passiva in) de eenmanszaak van de man, per 20 februari 2017 tegen een waarde ad € 0,=

onder de voorwaarde om als eigen schulden voor zijn rekening en risico af te lossen:

de schulden bij Defam en De Nederlandse Kredietbank, per 20 februari 2017 begroot op een gezamenlijke waarde ad € 25.000,=

5.2.

stelt vast dat de vrouw uit hoofde van overbedeling aan de man is verschuldigd het bedrag ad € 11.291,50 en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van dit bedrag;

5.3.

laat de in het convenant overeengekomen verdeling voor het overige in stand;

5.4.

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 2.350,06 terzake de helft van de premies Interpolis over de periode 17 februari 2017 tot en met 3 december 2019;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zowel in conventie als in reconventie;

5.7.

wijst het anders of meer verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend door mr. Th. Veling, rolrechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020.

3246/ 638