Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
C/10/600626 / HA ZA 20-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringsincident. Bijdrageverplichting artikel 7:961 lid 3 BW. Verzekeringsdekking productaansprakelijkheid. Wordt de in de AIG Polis opgenomen ‘serieschadeclausule’ onderbroken door de eindtermijn van de AIG Polis? Valt de claim volledig onder de dekking van de AIG Polis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/600626 / HA ZA 20-688

Vonnis in incident van 23 december 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NUTRECO INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Boxmeer,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.F. Doornik te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

AIG EUROPE S.A. (NETHERLANDS BRANCH),

gevestigd te Luxemburg en kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Nutreco en AIG genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 juni 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met één productie,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert Nutreco – kort weergegeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de schadevergoedingsclaim van Clean Seas Tuna Limited en de op basis daarvan getroffen schikking van AUD 15 miljoen volledig onder de AIG-polis valt,

- AIG te veroordelen tot betaling van AUD 7,5 miljoen aan Nutreco, te vermeerderen met wettelijke rente en de volledige proces- en advieskosten,

- AIG te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.2.

AIG voert tegen deze vorderingen van Nutreco verweer en stelt – kort

samengevat – dat zij alleen gehouden is de schade te vergoeden die geleden is door Nutreco voor het deel dat ontstaan is tijdens de looptijd van de AIG-polis (de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2011). De overige geleden schade zou voor rekening van Zurich Insurance Plc, the Netherlands Branch (hierna: Zurich) moeten komen, waar Nutreco van 1 januari 2011 tot 1 januari 2014 verzekerd is geweest.

2.3.

AIG concludeert – kort weergegeven – om bij vonnis alle vorderingen van Nutreco af te wijzen, met veroordeling van Nutreco in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3. Het geschil in het incident

3.1.

AIG vordert dat haar wordt toegestaan Zurich in vrijwaring op te roepen, kosten rechtens. AIG stelt – kort samengevat – dat wanneer er sprake zou zijn van (quasi) samenloop van verzekeringsdekking tussen de door Zurich aan Nutreco afgegeven aansprakelijkheidsverzekering en de door AIG aan Nutreco afgegeven verzekeringsdekking, er een bijdrageverplichting bestaat op grond van artikel 7:961 lid 3 BW van Zurich jegens AIG. Zou de rechtbank in de procedure tussen Nutreco en AIG tot het oordeel komen dat AIG hoofdelijk met Zurich verantwoordelijk is voor de door Nutreco gestelde dekkingsverplichtingen, dan zou AIG er recht op en belang bij hebben om Zurich in vrijwaring te kunnen oproepen teneinde Zurich aan te spreken op haar aandeel in de gedekte schade.

3.2.

Nutreco voert verweer. Hiertoe voert zij – kort weergegeven – het volgende aan.

Nutreco meent dat zij een groot belang heeft dat haar vordering jegens AIG wordt behandeld zonder een vertraging ten gevolge van een gelijklopende regresdiscussie. Daarnaast voert Nutreco aan dat bij afwijzing van de vordering van Nutreco er geen enkele relevantie voor een vrijwaringprocedure van AIG jegens Zurich is voor AIG. Tot slot zou AIG, bij een toewijzing van de vordering van Nutreco, in een aparte procedure een vordering kunnen instellen jegens Zurich indien AIG zou menen dat er sprake is van een samenloop. Nutreco concludeert dan ook tot het niet ontvankelijk verklaren van AIG, althans de vordering in het incident af te wijzen, met veroordeling van AIG in de kosten van dit geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil in het incident

4.1.

De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak.

4.2.

AIG heeft gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat er op grond van

artikel 7:961 lid 3 BW een rechtsverhouding tussen AIG en Zurich kan bestaan, op grond waarvan AIG een regresrecht zou kunnen hebben op Zurich voor haar aandeel in de gedekte schade als de vordering van Nutreco jegens AIG in de hoofdzaak wordt toegewezen. Daarmee heeft AIG haar belang bij de incidentele vordering voldoende inzichtelijk gemaakt. De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is daarom in beginsel toewijsbaar.

4.3.

Het eerste verweer van Nutreco, dat zij een groot belang heeft dat haar vordering in de hoofdzaak jegens AIG wordt behandeld zonder een vertraging ten gevolge van een gelijklopende regresdiscussie, faalt. Vrijwaring zorgt naar haar aard altijd voor enige vertraging in de hoofdprocedure. Dat is in het algemeen geen reden om de vordering af te wijzen en in deze zaak is er geen reden om daar anders over te oordelen.

4.4.

Het tweede verweer van Nutreco, dat er geen relevantie is voor AIG voor een vrijwaringsprocedure van AIG jegens Zurich als de vordering van Nutreco in de hoofdzaak wordt afgewezen, faalt eveneens. In de hoofdzaak is er nog niet beslist. Er bestaat dus een kans dat er een nadelig vonnis jegens AIG wordt uitgesproken waarvan AIG meent de nadelige gevolgen deels of volledig te kunnen afwentelen op Zurich. Zolang er nog niet beslist is in de hoofdzaak, is er voor AIG wel een relevantie voor een vrijwaringsprocedure jegens Zurich.

4.5.

Het laatste verweer van Nutreco, waarin zij stelt dat AIG ook in een aparte procedure een vordering jegens Zurich kan instellen indien de vordering van Nutreco wordt toegewezen, kan evenmin slagen. Die mogelijkheid doet er niet aan af dat AIG voldoet aan de voorwaarden van artikel 210 Rv, waardoor AIG in de onderhavige procedure Zurich in vrijwaring kan oproepen.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen.

4.7.

Nutreco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

staat toe dat Zurich Insurance Plc, the Netherlands Branch, door AIG wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 20 januari 2021,

5.2.

veroordeelt Nutreco in de kosten van het incident, aan de zijde van AIG tot op heden begroot op € 543,00,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 januari 2021 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. Th. Veling, rolrechter, op 23 december 2020.

3360/1977/638