Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12307

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
C/10/585533 / HA ZA 19-1043
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:6542). Rechtbank komt niet terug van tussenvonnis. Thuiszorgorganisatie maakt niet concreet hoeveel declarabele zorg is verleend. Rechtbank schat schade zorgverzekeraar. Vorderingen grotendeels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585533 / HA ZA 19-1043

Vonnis van 30 december 2020

in de zaak van

DSW ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te Schiedam,

eiseres,

advocaat mr. J. van der Meer te Schiedam,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2],

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 2] ,

3. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

4. [naam gedaagde 4],

wonende te [woonplaats gedaagde 4] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.W. de Pater te Breda.

Partijen zullen hierna DSW, [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] , [naam gedaagde 3] en [naam gedaagde 4] genoemd worden. Gedaagden worden gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juli 2020;

- de akte van 17 augustus 2020 van DSW, met producties;

- de akte na tussenvonnis van 14 oktober 2020 van [gedaagden] , met producties;

- de antwoordakte na tussenvonnis van 11 november 2020 van DSW;

- het verzoek van [gedaagden] om pleidooi te bepalen, de reactie daarop van DSW en de afwijzing van het verzoek door de rechtbank, waarbij tevens vonnis is bepaald.

2. Het tussenvonnis

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [naam gedaagde 1] in 2018 en 2019 onrechtmatig heeft gehandeld jegens DSW door structureel zorg te declareren die niet is verleend of is verleend door medewerkers die deze zorg niet mochten verlenen (4.11 tussenvonnis). DSW kan [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] hierop aanspreken uit bestuurdersaansprakelijkheid; [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die DSW heeft geleden door de onrechtmatige handelwijze van [naam gedaagde 1] (4.18 tussenvonnis).

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van DSW tot vernietiging van de overeenkomst van 14 september 2019, waarbij [naam gedaagde 3] een huis en roerende zaken voor € 360.000,- heeft verkocht aan [naam gedaagde 4] , toewijsbaar is (4.23 tussenvonnis).

2.2.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank DSW in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen die de omvang van haar vordering inzichtelijker maken en de gevorderde kosten in verband met overleg met haar advocaat nader toe te lichten (5.1, 4.14 en 4.24 tussenvonnis).

In het tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat [gedaagden] mogen reageren op deze stukken en toelichting. Daarnaast zijn [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in de gelegenheid gesteld om hun stelling dat in 2018 en 2019 voor vergoeding in aanmerking komende zorg is verleend te onderbouwen met controleerbare gegevens op grond waarvan een bedrag kan worden vastgesteld waarop [naam gedaagde 1] aanspraak kan maken (5.2 en 4.6 tussenvonnis).

Tenslotte is in het tussenvonnis bepaald dat DSW een antwoordakte mag nemen in reactie op deze onderbouwing door [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] (5.3 tussenvonnis).

2.3.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank verder onder meer het volgende overwogen.

“4.15. DSW stelt zich op het standpunt dat het voor haar niet mogelijk is om vast te stellen of er ook rechtmatige declaraties zijn ingediend en zo ja, welke. Dit komt volgens DSW voor rekening en risico van [naam gedaagde 1] . DSW merkt hierbij op dat zij gelet op de structurele fraude door [naam gedaagde 1] ernstig betwijfelt of haar cliëntendossiers een getrouw beeld geven van de feitelijk verleende zorg, ook nu in het kader van het onderzoek van DSW bijvoorbeeld is verklaard dat de lijsten waarop de aan cliënten verleende zorg werd bijgehouden op enig moment in opdracht van [naam gedaagde 3] zijn vernietigd.

4.16.

De rechtbank kan deze redenering van DSW op zichzelf volgen. Dat neemt niet weg dat vaststaat dat [naam gedaagde 1] in 2018 en 2019 zorg heeft verleend en dat aangenomen mag worden dat ook zorg is verleend door bevoegd en bekwaam personeel. Het ligt daarom niet zonder meer in de rede om de door DSW geleden schade vast te stellen op het totaalbedrag van alle declaraties over de periode van januari 2018 tot en met maart 2019. Als het niet mogelijk is om de omvang van de schade nauwkeurig vast te stellen, zal de rechtbank deze moeten schatten.”

3. De verdere beoordeling

Het verzoek van [gedaagden] om terug te komen van in het tussenvonnis gegeven oordelen

3.1.

In hun akte van 14 oktober 2020 hebben [gedaagden] hun geschil met DSW in volle omvang opnieuw aan de orde gesteld, ook op de hiervoor in 2.1 beschreven punten.

DSW verzet zich daartegen. Zij stelt dat de rechtbank op deze punten een bindende eindbeslissing heeft gegeven en dat er geen reden is om daarvan terug te komen.

3.2.

De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich daarover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).

3.3.

Het betoog van [gedaagden] bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de rechtbank dient terug te komen van een of meer van haar in het tussenvonnis gegeven oordelen. De akte van 14 oktober 2020 van [gedaagden] bevat veel stellingen die niet relevant zijn voor de beslissing op de vorderingen van DSW. Daarnaast bevat deze akte de nodige stellingen die neerkomen op een herhaling van de stellingen die zij al eerder heeft ingenomen en die zijn betrokken bij het tussenvonnis. Evenmin ziet de rechtbank in het gegeven dat [gedaagden] na kennisneming van het tussenvonnis nieuwe feitelijke en juridische stellingen hebben betrokken die zij eerder naar voren hadden kunnen en moeten brengen grond om terug te komen van haar tussenvonnis. De eisen van een goede procesorde brengen met zich dat een partij alle volgens haar mogelijk relevante feitelijke en juridische standpunten naar voren brengt in (in dit geval) de conclusie van antwoord of tijdens de mondelinge behandeling en niet pas na een tussenvonnis (waarin die gelegenheid niet wordt geboden). [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd gesteld dat hier een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt. Dat hun vorige advocaten ongelukkige inschattingen zouden hebben gemaakt of standpunten onvoldoende zouden hebben onderbouwd, behoort als dat al zo is voor rekening van [gedaagden] te blijven.

3.4.

Met het uitgangspunt dat de in het tussenvonnis gegeven oordelen zoals samengevat onder 2.1 definitief zijn, verdraagt zich niet dat de rechtbank naar aanleiding van de akte van 14 oktober 2020 het geschil in volle omvang opnieuw beoordeelt en ingaat op alle door [gedaagden] in die akte ingenomen stellingen. Daarmee zou het debat feitelijk worden heropend op punten waarop het (althans in deze procedure bij de rechtbank) met het tussenvonnis is gesloten. De rechtbank volstaat dan ook met wat onder 3.3 is overwogen.

3.5.

De rechtbank ziet aanleiding op één punt nader in te gaan. Dat is het betoog van [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] dat het oordeel in het tussenvonnis dat zij in 2018 onrechtmatig hebben gehandeld jegens DSW onbegrijpelijk is, nu in dat jaar geen sprake was van enige rechtsverhouding tussen hen en DSW, maar uitsluitend van een rechtsverhouding tussen DSW en de bij haar verzekerde cliënten van [naam gedaagde 1] . Dit betoog gaat eraan voorbij dat [naam gedaagde 1] in 2018, op basis van door haar cliënten verleende aktes van cessie, zelf zorgkosten heeft gedeclareerd bij DSW. Vast is komen te staan dat [naam gedaagde 1] structureel meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft verleend en dat zij structureel zorg heeft gedeclareerd die is verleend door onbevoegd en/of onbekwaam personeel en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is in de eerste plaats een onrechtmatige daad van [naam gedaagde 1] zelf en niet van haar cliënten, die de aktes van cessie uit praktisch oogpunt en in goed vertrouwen hebben ondertekend.

De inzichtelijkheid van het door DSW gevorderde bedrag

3.6.

In haar akte van 17 augustus 2020 heeft DSW de omvang van haar vordering nader inzichtelijk gemaakt door het verstrekken van de in 4.14 van het tussenvonnis omschreven overzichten en een korte toelichting daarop. In hun akte van 14 oktober 2020 hebben [gedaagden] geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren. Gelet hierop en nu de rechtbank de door DSW verstrekte overzichten en toelichting duidelijk acht, heeft DSW voldoende inzichtelijk gemaakt hoe haar vordering is opgebouwd.

Hebben [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] hun stelling dat zij in 2018 en 2019 voor vergoeding in aanmerking komende zorg hebben verleend onderbouwd met controleerbare gegevens op grond waarvan een bedrag kan worden vastgesteld waarop zij aanspraak kunnen maken?

3.7.

[naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] stellen dat het voor hen moeilijk is om deze stelling te onderbouwen, omdat de dossiers van [naam gedaagde 1] na de overname van de onderneming per 1 oktober 2019 zijn meegenomen door de nieuwe eigenaar en zij daar niet meer over beschikken.

DSW acht het opmerkelijk dat dit argument nu pas voor het eerst naar voren wordt gebracht. Als [naam gedaagde 1] niet meer beschikt over haar dossiers, dient het voor haar rekening en risico te komen dat zij de op haar rustende bewaarplicht niet heeft nageleefd.

3.8.

De rechtbank stelt vast dat op [naam gedaagde 1] de verplichting rust om haar zorgdossiers gedurende langere tijd te bewaren (artikel 7:454 lid 3 BW). Deze verplichting bleef ook na de verkoop van de onderneming op haar rusten.
Voor zover moet worden aangenomen dat [naam gedaagde 1] inderdaad niet meer beschikt over haar zorgdossiers, ook al heeft zij dat in haar akte van 14 oktober 2020 voor het eerst gesteld, geldt het volgende. Dat [naam gedaagde 1] geen of onvoldoende maatregelen heeft getroffen om aan haar bewaarplicht te voldoen en dat het voor haar daardoor moeilijk of zelfs onmogelijk is om met controleerbare gegevens te onderbouwen hoeveel voor vergoeding in aanmerking komende zorg zij in 2018 en 2019 heeft verleend, komt voor haar rekening en risico.

Voor zover [naam gedaagde 1] nog wel over (sommige) zorgdossiers beschikt, komt het evenzeer voor haar rekening en risico dat zij geen bewijs kan of wil leveren.

3.9.

De rechtbank stelt vast dat wat [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in hun akte van 14 oktober 2020 verder betogen, bijvoorbeeld dat [naam gedaagde 1] in de van belang zijnde periode wel degelijk over voldoende gekwalificeerd personeel beschikte, evenmin voldoende controleerbare gegevens bevat op grond waarvan een bedrag kan worden vastgesteld waarop [naam gedaagde 1] aanspraak kan maken.

De begroting van de schade van DSW

3.10.

DSW concludeert in haar antwoordakte van 11 november 2020 dat haar vordering volledig moet worden toegewezen. Deze conclusie volgt de rechtbank niet. Uit 4.15 en de eerste alinea van 4.16 van het tussenvonnis (geciteerd onder 2.3) en uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank de omvang van de schade van DSW niet nauwkeurig kan vaststellen, zodat deze schade moet worden geschat (artikel 6:97 BW).

3.11.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat DSW, onder meer door het overleggen van de resultaten van haar eigen onderzoek (productie 24 DSW) en het rapport van [naam] (productie 11 DSW), voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [naam gedaagde 1] structureel meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft verleend. De rechtbank zal deze stukken gebruiken om de schade te schatten.

3.12.

Op bladzijde 9 van zijn rapport laat [naam] zien dat de medewerkers van [naam gedaagde 1] in 2018 in totaal 37.000 uur hebben gewerkt en dat [naam gedaagde 1] in dat jaar in totaal 56.169,07 uur zorg heeft gedeclareerd. Hiervan uitgaande kan [naam gedaagde 1] in 2018 (afgerond) hoogstens 65,87% van de gedeclareerde zorg hebben verleend. Feitelijk moet dit percentage duidelijk lager zijn geweest, omdat niet kan worden aangenomen dat al haar medewerkers uitsluitend volledig productieve uren hebben gemaakt.

3.13.

Het eigen onderzoek van DSW maakt het mogelijk om nader te schatten welk gedeelte van de in 2018 en 2019 bij DSW gedeclareerde zorg door [naam gedaagde 1] daadwerkelijk is verleend. Aan productie 24 van DSW kan onderstaande tabel worden ontleend, waarbij de rechtbank de cliënten over wie onvoldoende informatie beschikbaar is gekomen en de cliënten met een volgens productie 24 van DSW in de loop van de tijd wisselende zorgbehoefte buiten beschouwing laat. Waar sprake is van een bandbreedte in het aantal te verwachten uren zorg per week hanteert de rechtbank het midden daarvan. De rechtbank heeft vervolgens berekend welk percentage van de gedeclareerde zorg gelet op de resultaten van het onderzoek van DSW vermoedelijk daadwerkelijk is verleend. Deze percentages zijn weergegeven in de vierde kolom van de tabel.

naam cliënt

te verwachten zorg in uren per week

gemiddeld gedeclareerde zorg in uren per week

percentage daadwerkelijk verleende zorg

[naam cliënt 1]

3,5

6,55

53,43

[naam cliënt 2]

3,75

5,43

69,06

[naam cliënt 3]

2,625

8,3

31,63

[naam cliënt 4]

3,25

4,85

67,01

[naam cliënt 5]

5,25

9,35

56,15

[naam cliënt 6]

6,71

19,03

35,26

[naam cliënt 7]

3

7,41

40,49

[naam cliënt 8]

2,34

9,47

24,71

[naam cliënt 9]

0,125

1,18

10,59

[naam cliënt 10]

5,25

20,08

26,15

[naam cliënt 11]

3

7,04

42,61

[naam cliënt 12]

2,92

7,46

39,14

[naam cliënt 13]

5,54

13,52

40,98

Het gemiddelde van de percentages in de vierde kolom van de tabel is 41,32.

3.14.

Dat het uit 3.13 volgende percentage duidelijk lager is dan het in 3.12 vermelde maximale percentage (voor 2018), ligt gelet op de laatste zin van 3.12 in de lijn der verwachtingen. Gelet hierop en nu concrete aanknopingspunten ontbreken om bij het schatten van de schade van DSW uit te gaan van een ander percentage, schat de rechtbank dat [naam gedaagde 1] 41,32% van de door haar in 2018 en 2019 bij DSW gedeclareerde zorg daadwerkelijk heeft verleend.

3.15.

Vervolgens moet worden geschat welk deel van de zorg is verleend door onbevoegd en/of onbekwaam personeel en om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het betoog van [naam gedaagde 1] dat zij voldoende gekwalificeerd personeel in dienst had, is niet nieuw en op zichzelf onvoldoende om ervan uit te gaan dat alle zorg door dit personeel is verleend. In 4.9 van het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat is komen vast te staan dat [naam gedaagde 1] in 2018 en 2019 structureel onbevoegd en/of onbekwaam personeel heeft ingezet. De rechtbank heeft in de stukken geen bruikbare grondslagen aangetroffen om dit uit te drukken in een percentage. Dit komt voor rekening en risico van [naam gedaagde 1] , nu zij structureel onrechtmatig heeft gehandeld jegens DSW en naar volgt uit haar stellingen niet heeft voldaan aan haar bewaarplicht. Alles afwegend ziet de rechtbank aanleiding om het percentage aan verleende zorg door onbevoegd en/of onbekwaam personeel te schatten op 50.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat naar schatting 20,66% (41,32% van 50%) van de door [naam gedaagde 1] in 2018 en 2019 bij DSW gedeclareerde zorg voor vergoeding in aanmerking komt en de resterende 79,34% niet.

3.17.

Gelet hierop begroot de rechtbank de door DSW geleden schade als gevolg van het jegens haar onrechtmatige handelen van [naam gedaagde 1] op € 139.692,11 (79,34% van de gevorderde € 176.067,69).

Conclusie wat betreft de vordering tot schadevergoeding

3.18.

De vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 139.692,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de onrechtmatige declaraties tot aan de dag van de algehele betaling. Uit praktisch oogpunt en wegens het ontbreken van een werkbaar alternatief dient bij de berekening van de wettelijke rente tot uitgangspunt te worden genomen dat iedere declaratie van [naam gedaagde 1] bij DSW in 2018 en 2019 voor 79,34% onrechtmatig was en dat het daarmee corresponderende bedrag onderdeel is van de te vergoeden schade.

3.19.

[naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zijn gelet op het tussenvonnis hoofdelijk verbonden tot vergoeding van deze schade.

Buitengerechtelijke kosten

3.20.

In haar akte van 17 augustus 2020 heeft DSW de gevorderde buitengerechtelijke kosten nader toegelicht en onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in hun akte van 14 oktober 2020 geen gebruik hebben gemaakt van de geboden reactiemogelijkheid. Gelet hierop en nu de rechtbank de nadere onderbouwing van DSW afdoende acht, zullen de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen als gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2019 (de datum van de dagvaarding) tot aan de datum van de algehele betaling.

3.21.

[naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zijn gelet op het tussenvonnis hoofdelijk verbonden tot vergoeding van deze kosten.

De vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst van 14 september 2019

3.22.

Deze vordering zal worden toegewezen, zoals is aangekondigd en toegelicht in het tussenvonnis. Dit betekent dat [naam gedaagde 4] de woning en roerende zaken moet terugleveren aan [naam gedaagde 3] en dat [naam gedaagde 3] de koopsom moet terugbetalen aan [naam gedaagde 4] indien en voor zover die is betaald (4.22 tussenvonnis). De door DSW gevorderde termijn van twee weken om aan deze veroordeling te voldoen, acht de rechtbank onredelijk kort. Zij zal deze termijn bepalen op zes weken.

Het staat [gedaagden] vrij om alle aan DSW verschuldigde bedragen binnen twee weken na de datum van dit vonnis te voldoen en vervolgens aan DSW te vragen of zij nog aanspraak wil maken op uitvoering van de in 4.3 vermelde opdracht.

Verdere kosten

3.23.

[gedaagden] worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de kosten van deze procedure, inclusief de beslagkosten. Uit praktisch oogpunt en nu [naam gedaagde 4] door de koop van een woning en roerende zaken van [naam gedaagde 3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens DSW, zal de rechtbank (ook in het kader van de beslagkosten) geen onderscheid maken tussen de verschillende gedaagden.

De kosten aan de zijde van DSW worden tot op heden begroot op:

Beslagen en betekeningen € 2.583,82 (€ 244,07 plus tien maal € 207,54 plus twee maal € 89,24 plus € 85,87)

Dagvaarding € 111,88

Griffierecht € 3.391,00

Salaris advocaat € 4.267,50 (2,5 punt maal tarief € 1.707,-)

Totaal € 10.354,20

3.24.

De gevorderde nakosten worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.25.

Mede uit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming tegen het onrechtmatige handelen van [gedaagden] ligt het in de rede om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zoals gevorderd. De belangen van DSW moeten in dit verband zwaarder wegen dan die van [gedaagden] .

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

veroordeelt [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] hoofdelijk om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan DSW te betalen een schadevergoeding van € 139.692,11, op de in 3.18 vermelde wijze te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

4.2.

veroordeelt [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] hoofdelijk om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan DSW te betalen een bedrag van € 17.730,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 oktober 2019 tot aan de datum van de algehele betaling;

4.3.

vernietigt de tussen [naam gedaagde 3] en [naam gedaagde 4] gesloten koopovereenkomst van 14 september 2019 met betrekking tot een woning en roerende zaken en draagt [naam gedaagde 3] en [naam gedaagde 4] op de ter uitvoering van deze overeenkomst door hen verrichte prestaties binnen zes weken na de datum van dit vonnis ongedaan te maken;

4.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van DSW tot op heden begroot op € 10.354,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 januari 2021 tot aan de datum van de algehele betaling.

4.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, indien [gedaagden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden te vermeerderen met € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.6.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Stehouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. Th. Veling, rolrechter, op 30 december 2020.

3194/2438/2294