Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
10/295736-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal van een auto en verlaten plaats ongeval. Zes maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met klinische opname als bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/295736-19

Datum uitspraak: 22 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting klinisch geplaatst in Wier+ (behandelcentrum forensische SGLVG) van Fivoor, op voornoemd adres,

gemachtigd raadsvrouw mr. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 2 oktober 2020 en 8 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 2 oktober 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde (afpersing);

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair (diefstal) en 2 (verlaten plaats ongeval) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en zich gedurende een periode van één jaar klinisch zal laten opnemen in de locatie Wier+.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten omdat de verdachte ten tijde van de feiten in een psychose verkeerde en derhalve niet kan worden aangenomen dat hij de bedoeling had om de feiten te plegen. Bij het ontbreken van opzet dient vrijspraak te volgen.

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat het wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde feit onder 2 ontbreekt. Naast de verklaring van aangever [naam aangever] dat de schade aan de auto van [naam 1] door de verdachte zou zijn veroorzaakt zou verdere ondersteuning daarvan ontbreken, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van dat feit.

4.2.2.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangever [naam aangever] op de avond van 10 december 2019 in zijn auto stapte en dat er toen een man op hem af kwam lopen die herhaaldelijk op dwingende toon tegen hem zei: ‘Give me your car’. Aangever is op enig moment uit de auto gestapt waarna de man zijn tas in de auto plaatste, zelf instapte en met de auto wegreed. Bij het wegrijden heeft de man een aldaar geparkeerde Opel Vivaro geraakt en is daarna weggereden. Uit de aangifte van de eigenaar van de Opel Vivaro volgt dat door deze aanrijding schade aan zijn auto is ontstaan.

De auto van aangever [naam aangever] is even later door de politie klemgereden en daarin is de verdachte als bestuurder aangetroffen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het de verdachte is geweest die de auto van [naam aangever] heeft weggenomen en dat hij daarmee een aanrijding heeft veroorzaakt met schade en vervolgens van de plek van het ongeval is weggereden.

Het handelen van de verdachte was er gelet op het dossier naar de uiterlijke verschijningsvorm op gericht om zich de auto wederrechtelijk toe te eigenen en weg te rijden na de door hem veroorzaakte aanrijding.

De verdediging heeft bepleit dat het opzet op de diefstal en het verlaten van de plaats van het ongeval ontbreekt vanwege een geestelijke stoornis bij de verdachte. Daarvan is blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake als bij de dader ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbreekt, hetgeen slechts bij hoge uitzondering het geval zal zijn.

Over de verdachte is gerapporteerd door psychiater [naam 2] , onder supervisie van dr. [naam 3] (psychiater), op 11 maart 2020. Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een schizofreniespectrumstoornis met katatone kenmerken. De verstandelijke beperking was ten tijde van de feiten aanwezig en de verdachte was die dag ook – zij het in een fluctuerend beeld – psychotisch ontregeld, waarbij de verdachte door meerdere mensen als verward werd beschreven. De psychiater concludeert dat de aanwezige psychische stoornis het gedrag van de verdachte op 10 december 2019 heeft beïnvloed op de volgende wijze.

De verdachte was op de dag van de tenlastegelegde feiten op straat komen te staan, na twee weken verblijf in een Respijthuis, aansluitend aan een opname in een GGZ-instelling. Na de opname was verdachte gestopt met zijn medicatie. De familie van de verdachte (neef en zijn vader) hadden aangegeven dat de verdachte niet meer bij hen kon overnachten. De verdachte heeft die dag rondgezworven op straat en had geen idee hoe hij verder moest. Door zijn beperkte oordeelsvermogen en beperkte probleemoplossende vaardigheden, in samenhang bezien met de licht verstandelijke beperking en de psychotische (schizofreniforme) stoornis, kon de verdachte geen passende oplossing verzinnen voor het feit dat hij op straat was komen te staan, en kon hij de gevolgen van zijn handelen niet overzien. De psychiater adviseert de feiten om deze redenen in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De rechtbank concludeert op grond van de rapportage van de psychiater dat de verdachte weliswaar (deels) vanuit een psychotische ontregeling, in combinatie met zijn verstandelijke beperking heeft gehandeld, maar dat niet is gebleken dat bij hem ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Het verweer dat de verdachte geen opzet heeft gehad wordt daarom verworpen.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte de auto heeft gestolen en voorts dat hij daarmee een aanrijding heeft veroorzaakt en vervolgens is weggereden.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. subsidiair

hij op 10 december 2019 te Rotterdam

een personenauto (Volkswagen Jetta met kenteken [kentekennummer] ), toebehorende, aan [naam slachtoffer 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Grote Visserijstraat,

op 10 december 2019

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [naam slachtoffer 2] )

schade was toegebracht;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank heeft in de tenlastelegging voorkomende misslagen voor wat betreft de bewezenverklaring in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. subsidiair

diefstal

2.

overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een psychose verkeerde, als gevolg waarvan hij geen inzicht had in zijn handelen om welke reden hij voor het bewezen verklaarde niet strafbaar is.

6.2.

Beoordeling

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder de bewijswaardering is overwogen, overweegt de rechtbank dat, hoewel door de rapporterende psychiater ( [naam 2] , onder supervisie van dr. [naam 3] (psychiater) een lichte verstandelijke beperking en een schizofreniespectrumstoornis met katatone kenmerken is vastgesteld en voorts is vastgesteld dat deze stoornissen het gedrag van de verdachte hebben beïnvloed, de rapporterend psychiater heeft geadviseerd de verdachte voor de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank ziet geen aanleiding van deze conclusie af te wijken.

6.3.

Conclusie

Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto. Hij heeft vervolgens met de gestolen auto een ongeval veroorzaakt waarbij schade is veroorzaakt en de verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten. De verdachte heeft daarmee niet alleen financiële schade veroorzaakt, hij heeft aangever [naam aangever] blijkens diens aangifte tevens vrees aangejaagd. Het betreft kortom nare en hinderlijke feiten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Opnametitels

Teneinde een aanvang te kunnen maken met de uitvoering van de bijzondere voorwaarde opgelegd bij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2019 (parketnummer 10-254088-18), te weten: “de verdachte zal zich voor behandeling van zijn psychische problematiek klinisch laten opnemen in forensisch behandelcentrum De Wier plus van F1VOOR”, is op 23 maart 2020 de voorlopige hechtenis van de verdachte in onderhavige zaak geschorst, onder oplegging van (onder andere) de desbetreffende bijzondere voorwaarde. De verdachte verblijft dientengevolge sinds 23 maart 2020 in het forensisch behandelcentum Wier+ van Fivoor.

Gedurende zes maanden is de verdachte in de Wier+ verbleven in het kader van de bijzondere voorwaarde opgelegd bij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2019 (parketnummer 10-254088-18).

Sinds 2 oktober 2020 is het verblijf in de Wier+ als voorwaarde opgenomen bij de schorsing van de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak.

Naast de forensische titel, voor verblijf in Wier+, is er op 2 juli 2020 ook een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz verleend (voor 6 maanden). Ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat bij de rechtbank Midden Nederland een verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging is ingediend.

7.3.3.

Rapportages en de verklaringen van de deskundige op de terechtzitting

De psychiater heeft in haar rapport van 11 maart 2020 geconcludeerd dat er zowel op basis van de (inadequaat behandelde) psychotische stoornis als de verstandelijke beperking een hoog recidiverisico aanwezig is. Er zijn volgens de psychiater weinig beschermende factoren en de verdachte heeft bovendien weinig inzicht in zijn situatie en is niet in staat om op adequate wijze stressvolle situaties het hoofd te bieden. De verdachte is licht verstandelijk beperkt, heeft een zeer beperkt steunsysteem, is dakloos, heeft geen werk en kan niet adequaat omgaan met spanningsvolle situaties. Deze factoren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ontregeling op een levensgebied zal leiden tot spanning en stress, met een verhoogde kans op psychotische ontregeling en met maken van verkeerde keuzes waarvan de verdachte de gevolgen niet goed kan inschatten. Het advies van de psychiater is om de mogelijkheid van een zorgmachtiging via artikel 2.3 Wfz te laten onderzoeken.

Reclassering Nederland heeft verschillende rapporten over de verdachte opgesteld.

In de rapportage van 12 maart 2020 heeft de reclassering – samengevat – gerapporteerd dat er gezien de complexiteit van het psychisch functioneren van de verdachte geen mogelijkheden werden gezien om invulling te geven aan een reclasseringscontact in het kader van een voorwaardelijke veroordeling. De reclassering heeft zich geconformeerd aan de bevindingen en het advies van het NIFP, zoals beschreven in de uitgebrachte rapportage op 11 maart 2020.

In de rapportage van 17 maart 2020 is de reclassering teruggekomen op het advies van

12 maart 2020 en heeft de reclassering geadviseerd om in geval van een veroordeling in onderhavige zaak de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd bij het vonnis met parketnummer 10-254088-18, te weten een meldplicht bij de reclassering, klinische opname in een zorginstelling (de Wier+), waarna ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang, voort te zetten met een verlenging van de duur van de klinische opname en proeftijd. De reclassering adviseert daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.

In het voortgangsverslag van 25 september 2020 adviseert de reclassering nogmaals om deze voorwaarden te handhaven in geval van een veroordeling in onderhavige zaak. Daarbij wordt wederom geadviseerd de behandelverplichting in het kader van een klinische opname te verlengen met één jaar. Ter toelichting daarop geldt het volgende.

De eerste zes maanden in de kliniek (Wier+) zijn vooral ingezet op het psychosevrij krijgen van de verdachte middels medicatie. Na een laatste medicatiewijziging op 27 augustus 2020 is daarin bij de verdachte een voorzichtige verbetering te zien. Eerder is aangegeven dat de kliniek – gelet op de doelgroep (mensen met een verstandelijke beperking en psychopathologie) – een minimale termijn van zes maanden voor behandeling hanteert. De reclassering ziet een zeer hoge kans op recidive als de verdachte de klinische behandeling niet kan voortzetten na het verstrijken van die zes maanden en alleen wordt ingezet op ambulante begeleiding. Daarbij is van belang dat de verdachte een gebrekkig steunsysteem heeft. De verwachting is dat de verdachte – buiten het kader van een klinische opname – zal gaan stoppen met zijn medicatie of onregelmatig zijn medicatie zal innemen als gevolg waarvan zijn psychiatrisch beeld zal verslechteren. Naarmate de verdachte psychotischer wordt zal hij zich onttrekken aan afspraken met de ambulante hulpverlening en wordt zijn gedrag onvoorspelbaarder en risicovoller voor zijn omgeving. Tijdens de klinische opname, kan er met de verdachte gewerkt worden aan psycho-educatie en het aanpassen van zijn levensstijl. Er kan in die setting met de verdachte volledig worden ingezet op de leefgebieden waar zorgen over zijn. Dit kan de zelfredzaamheid van de verdachte bevorderen en leiden tot een passend resocialisatietraject, waarbij de volgende stap begeleid/beschermd wonen is.

De reclassering houdt bij het advies van een klinische opname voor de duur van maximaal één jaar rekening met de lange wachttijden die er momenteel zijn voor begeleide/beschermde woonvormen. Het overbruggen van die wachttijd elders – buiten de kliniek – is volgens de reclassering te onzeker en te risicovol.

Uit het laatste voortgangsverslag van 2 december 2020 volgt dat de medicatieverandering per 27 augustus 2020 met name de bijwerkingen heeft verminderd en de verdachte in zijn contact helderder is. Ook het aantal incidenten ten aanzien van het personeel in de kliniek is afgenomen zodat de conclusie is dat er door de medicatieverandering een kleine progressie is geboekt. Omdat de verdachte nog psychisch kwetsbaar is blijft het recidiverisico aanwezig. Bij gebruik van cannabis ontregelt de verdachte snel en wordt hij onvoorspelbaar in zijn handelen. De verdachte heeft moeite om zich te conformeren aan de regels van de instelling en overtreedt deze soms, bewust of onbewust. Het behandelteam is uiterst voorzichtig ten aanzien van uitbreiding van de vrijheden van de verdachte omdat is gebleken dat hij soms onvoorspelbaar kan zijn in het gedrag, ondanks de afspraken die vooraf worden gemaakt.

Er ligt een woonprofiel klaar voor de periode na de klinische opname maar deze vervolgstap is op dit moment niet reëel, omdat het klinisch behandelingstraject nog te wisselvallig verloopt en een ambulante behandeling op dit moment nog niet is geïndiceerd. De verdachte heeft veel behoefte aan structuur en een stevige, intensieve begeleiding. Er is sprake van één-op-één begeleiding en het is nog niet gelukt om het vrijhedenbeleid met een paar stappen uit te breiden. Vanuit een behandeloogpunt is er veel tijd nodig om de verdachte te leren omgaan met zijn vrijheden en de daarbij behorende afspraken, zonder dat hij een risico vormt voor zichzelf en/of zijn omgeving.

Het advies vanuit het behandelteam is om het lopende forensisch kader te handhaven, omdat er nog een te groot risico op recidive is. De maximale duur van zes maanden klinische opname blijkt voor het behandelingstraject veel te kort.

De reclassering sluit zich daarbij aan en ziet ook dat de stabiele basis ontbreekt om nu een ambulant traject te overwegen. Op basis van het huidige psychiatrisch beeld en de zorg die er nog op de diverse levensgebieden zijn, wordt het advies voor een klinisch verblijf voor de duur van maximaal een jaar wederom gehandhaafd.

De rapporteur – de heer [naam 4] – heeft het laatste voortgangsverslag ter terechtzitting van

8 december 2020 nader toegelicht. Uit de gegeven toelichting volgt in aanvulling op de rapportages onder meer dat een forensisch traject (ten aanzien van de verplichte opname) wordt geprefereerd boven een zorgmachtiging omdat het in een forensisch kader makkelijker is om op te schalen – indien nodig – naar een hoger beveiligingsniveau. De huidige zorgmachtiging is met name ingezet in het kader van de verplichte medicatie-inname. Gelet op de omstandigheid dat er een eerdere onherroepelijke veroordeling ligt met daarin dezelfde bijzondere voorwaarden als nu geadviseerd, zou het in de onderhavige zaak voldoende zijn om te volstaan met de klinische opname als bijzondere voorwaarde.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater gedragen worden door haar bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte is alleen een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank is gelet op de hiervoor besproken rapportages en hetgeen hierover ter terechtzitting is besproken, van oordeel dat het van belang is dat er bij de verdachte niet alleen behandeling plaatsvindt voor zijn psychische stoornis maar dat er ook specifiek aandacht is voor het terugdringen van het recidiverisico. De rechtbank zal om die reden een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen met de bijzondere voorwaarde van een klinische opname voor de periode van maximaal één jaar. Daarmee kan in het onderhavige geval worden volstaan, nu de overige bijzondere voorwaarden waarmee het recidiverisico kan worden ingeperkt reeds aan de verdachte zijn opgelegd in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2019 (parketnummer 10-254088-18). Die voorwaarden gelden tot 17 september 2022.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de op te leggen bijzondere voorwaarde, inhoudende een klinische opname in een zorginstelling en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,- aan materiële schade en een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering omdat deze niet is onderbouwd.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de vordering zowel voor de gestelde materiële als de gestelde immateriële schade moet worden afgewezen omdat de vordering niet is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering niet is onderbouwd en aldus thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder

1 bewezen verklaarde feit.

De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

1. de veroordeelde zal zich voor behandeling van zijn psychische problematiek klinisch laten opnemen in het Behandelcentrum Forensische SGLVG Wier+ van Fivoor, althans een soortgelijke door het NIFP te indiceren instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven, gedurende maximaal één jaar na ingang van de proeftijd, of zoveel korter als de (geneesheer-)directeur van die instelling verantwoord vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de onder nummer 1 genoemde bijzondere voorwaarde en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

mr. F. van Buchem en mr. A.P. Altena, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

primair

hij op of omstreeks 10 december 2019 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de Grote Visserijstraat,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte

van een personenauto (Volkwagen Jetta), in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen)

- naast voornoemde (personen)auto gaan staan, waarin die [naam slachtoffer 1] zich als bestuurder bevond en/of

- ( daarbij) (met kracht) kloppen tegen een ruit van deze (personen)auto en/of

- voorkomen dat genoemde [naam slachtoffer 1] zijn geopende ruit kon sluiten en/of

- openen van het autoportier door (door het geopende ruit) de hendel van het autoportier vast te pakken en/of

- tegen die [naam slachtoffer 1] zeggen: "Give me your car!", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij op of omstreeks 10 december 2019 te Rotterdam

een personenauto (Volkswagen Jetta met kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Grote Visserijstraat,

op of omstreeks 10 december 2019

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten [naam slachtoffer 2] )

schade was toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet