Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12284

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
FT RK 20/519
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing faillissementsaanvraag vanwege corona-gerelateerde omstandigheden. De reden voor het nog niet volledig voldoen van de openstaande vorderingen ligt in de terugval in inkomsten vanwege de coronamaatregelen en de daarmee gepaard gaande beperkingen voor het verrichten van werkzaamheden door gerekestreerde. Onder deze omstandigheden, die niet aan gerekestreerde kunnen worden toegerekend, mag van verzoeksters verwacht worden dat zij een betalingsregeling zullen treffen, dan wel zullen instemmen met een voorstel dat passend is bij de huidige economische situatie. Gerekestreerde heeft niet alleen een – naar het oordeel van de rechtbank reële – betalingsregeling voorgesteld, maar met de nakoming bovendien reeds een betekenisvolle aanvang gemaakt. In dit licht kan niet worden gesproken van de toestand van te hebben opgehouden te betalen. De rechtbank acht het in het licht van het voorgaande redelijk te veronderstellen dat verweerster de komende maanden inderdaad in staat zal zijn de volledige vordering van verzoekster te voldoen. Onder de genoemde omstandigheden kan niet worden gesproken van de toestand te hebben opgehouden te betalen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0007
NJF 2021/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Rekestnummer: C/10/606610 / FT RK 20/519

BESCHIKKING op het verzoek van:

de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAKER TILLY N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

verzoekster,

advocaat: mr. E.T. van den Hout,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf]

[adres] ,

[plaats] ,

statutair gevestigd te Oud-Beijerland,

verweerster.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis (hierna: TARIC), verzoekster en verweerster schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zittingen van 24 november 2020 en van 8 december 2020 onder toezending van een formulier waarop verzoekster en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen. De behandeling van 8 december 2020 is op 24 november 2020 door de rechtbank aan partijen aangezegd.

Op 7 december 2020 is van verzoekster en van verweerster het voornoemde formulier

(met bijlagen) ontvangen ter griffie van deze rechtbank. Tevens zijn door verzoekster per faxbericht van 7 december 2020 aanvullende producties toegezonden.

Ter zittingen van 24 november 2020 en 8 december 2020 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:

  • -

    mr. E.T. van den Hout, advocaat van verzoekster;

  • -

    de heer [naam] , (middellijk) bestuurder van verweerster.

De uitspraak is bepaald op heden.

Na sluiting van de zitting is nog een mail van de heer [naam] ontvangen. Deze zal gelet op het tijdstip van verzending bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

2 Standpunten

Verzoekster heeft gesteld dat zij uit hoofde van aan verweerster geleverde diensten een opeisbare vordering op verweerster heeft met een hoofdsom van (pro resto) € 10.972,17, exclusief rente en kosten. Ter zitting van 8 december is door verzoekster aangevoerd dat er tussen verzoekster en verweerster veelvuldig afstemming is geweest over een betalingsregeling, maar dat verzoekster niet akkoord gaat met het voorstel dat verweerster op de zitting van 24 november 2020 heeft gedaan, namelijk om maandelijks

€1.000,-- te betalen. Verzoekster heeft aan verweerster een betalingsregeling voorgesteld van een betaling van € 5.000,--, ineens te voldoen, en daarna maandelijkse termijnen van

€ 2.500,--. Er is sprake van een steunvordering van RDB Retail B.V. van ruim (pro resto)

€ 85.365,-- en van de Belastingdienst. Namens verzoekster is gepersisteerd in het verzoek tot faillietverklaring en opgemerkt dat het gegeven dat een betalingsregeling is getroffen met andere schuldeisers niet meebrengt dat van pluraliteit van schuldeisers geen sprake is en evenmin dat geen sprake kan zijn van de toestand te hebben opgehouden te betalen.

Verweerster heeft naar voren gebracht dat zij in de hoek zit waar in deze tijd (corona) de grootste klappen vallen. Verweerster drijft een groothandel in drank en er wordt in hoofdzaak (80%) geleverd aan horecazaken en hotels; de overige omzet wordt gehaald uit leveringen aan het buitenland. Beide takken zijn door de coronacrisis ernstig geraakt. Daar komt bij dat verweerster juist voorafgaand aan de coronacrisis (eind februari, begin maart 2020) een grote partij wijn heeft ingekocht en betaald, die vervolgens als gevolg van de coronacrisis niet verkocht kon worden aan afnemers. Veel afnemers schuiven hun inkopen door naar het eerste kwartaal van 2021. Verweerster heeft inmiddels wel een contract met een grote hotelketen, aan wie zij weer mag gaan leveren vanaf begin 2021. Verweerster wil graag een regeling treffen om haar schuld aan verzoekster af te betalen, maar zij wil zich wel aan deze regeling kunnen houden. Zij is in staat om op dit moment € 1.000,-- per maand aan verzoekster te voldoen, maar meer zit er op dit moment niet in. Zodra vanaf begin 2021 de omzet weer gaat toenemen, kan en zal verweerster meer betalen aan verzoekster.

Met de overige crediteuren, waaronder de Belastingdienst en RDB Retail B.V., zijn betalingsregelingen afgesloten, en die worden nagekomen.

3 De beoordeling

Ingevolge artikel 6 Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze.

De rechtbank stelt vast dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster. Verder stelt de rechtbank vast dat summierlijk is gebleken van een steunvordering van RDB Retail B.V. en van de Belastingdienst.

De rechtbank acht aannemelijk dat verweerster gelet op de aard van haar onderneming hard getroffen is (en nog steeds wordt) door de gevolgen van de coronapandemie en dat daardoor haar omzet aanzienlijk is gedaald. Hierdoor heeft verweerster betalingsproblemen gekregen. Onder deze omstandigheden, die niet aan verweerster kunnen worden toegerekend, mag van verzoekster worden verwacht dat zij instemt met een betalingsregeling die passend is bij de huidige economische situatie. Het voorstel van verweerster om de vordering van verzoekster voorlopig met € 1.000,-- per maand verder in te lopen acht de rechtbank dan ook niet onredelijk, in aanmerking genomen dat verweerster concreet zicht heeft op een stijging van haar omzet en ook heeft toegezegd méér te zullen betalen als de omzet dat toelaat. De verwachting van verweerster is dat zij de volledige vordering van verzoekster binnen enkele maanden kan voldoen. De rechtbank acht het in het licht van het voorgaande redelijk te veronderstellen dat verweerster de komende maanden inderdaad in staat zal zijn de volledige vordering van verzoekster te voldoen. Onder de genoemde omstandigheden kan niet worden gesproken van de toestand te hebben opgehouden te betalen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij is opgehouden te betalen.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot faillietverklaring worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is op 10 december 2020 gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mulder, griffier.1

De griffier is buiten staat deze

beschikking mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.