Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12205

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
10/997504-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige economische kamer voor strafzaken. Dagvaarding geldig. Verdachte strafbaar. Veroordeling tot een (deels voorwaardelijke) geldboete voor het exploiteren van een levensmiddelenbedrijf in vleesproducten dat niet door de bevoegde autoriteit was erkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997504-19

Datum uitspraak: 29 december 2020

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. van der Kallen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest, waarvan 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

4. Geldigheid dagvaarding

Standpunt van de verdediging

De dagvaarding is wat betreft het onder 1 ten laste gelegde nietig.

In de tenlastelegging wordt op geen enkele wijze concreet en feitelijk het in de handel brengen van dieren of dierlijke producten die niet uitsluitend door erkende inrichtingen zijn bewerkt, aangeduid. Daarnaast is niet omschreven op welke inrichtingen de tenlastelegging ziet. Zonder dergelijke feitelijke omschrijvingen kan niet worden getoetst, bewezen en gekwalificeerd dat het zou gaan om inrichtingen als bedoeld in bijlage III van de verordening (EG) nr. 853/2004 en evenmin kan worden beoordeeld of deze niet onder de uitzondering van artikel 4, derde lid, van voormelde verordening vallen. Hiermee is de tenlastelegging onvoldoende feitelijk en voor de verdediging onbegrijpelijk.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer wordt verworpen. Het onder 1 ten laste gelegde is, gelezen in combinatie met het onderliggend dossier, voldoende duidelijk voor de verdachte om te kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. Uit hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat zulks ook het geval was.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

5. Waardering van het bewijs

Standpunt van de verdediging

Tenlastegelegde periode eerste feit

De onder 1 ten laste gelegde periode wordt niet gedekt door de bewijsmiddelen. Daaruit blijkt hooguit dat de verdachte vanaf augustus 2018 doende was met het in de handel brengen van vlees.

Medeplegen

Van zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde handelen tezamen en in vereniging met een ander of anderen is geen sprake. De kwalificatie ‘medeplegen’ is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor zover de verdachte kon overzien, werd vee ter slacht aan erkende slachthuizen aangeboden en vervoerde hij daarna goedgekeurd vlees naar klanten. Voor zover het vlees vanuit het slachthuis werd opgeslagen in de koelcel van zijn vader, die zich op het erf van de verdachte bevond, voldeed die koelcel, naar de verdacht wist of kon weten, aan de vereisten. De verdachte had een ondergeschikte rol aan zijn vader, medeverdachte [naam medeverdachte] . Alle bedrijfsmiddelen en dieren waren van de medeverdachte, de medeverdachte had de contacten met vee- en vleeshandelaren en regelde de administratie. De werkzaamheden van de verdachte beperkten zich tot het als ondergeschikte verzorgen en vervoeren van dieren en het vervoeren van het geslachte vlees. De verdachte deed dit in opdracht van zijn vader.

De verdachte dient, bij gebreke van enkelvoudig plegen en van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen, vrijgesproken te worden van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ontbreken wetenschap en/of opzet

De verdachte is ervan uitgegaan dat de medeverdachte alle registraties goed had geregeld, ook ten aanzien van de koelcel die op zich op het erf van de verdachte bevond. Van de verdachte mocht, in zijn ondergeschikte rol, niet worden verwacht zich te vergewissen dat alle registraties in orde waren. Nu hij er geen weet van had dat dit niet het geval was, ontvalt de strafbaarheid hiervan. Ditzelfde geldt voor de aangetroffen schapenkarkassen en het verpakte vlees zonder etiketten in de koelcel, nu hij mocht uitgaan van de juistheid van de verklaring van de medeverdachte over de herkomst en bedoeling daarvan. Ook was hem niets bekend van het vermeende illegale slachten door zijn vader, zodat hij in ieder geval vrijgesproken dient te worden van het gedeelte van de tenlastelegging ‘slachthuis voor schapen en/of uitsnijderij van schapenvlees’.

Oordeel van de rechtbank

Tenlastegelegde periode eerste feit

De vader van de verdachte heeft op 23 april 2019 tegenover de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verklaard dat de koelcel, waarin onder meer schapenkarkassen zijn aangetroffen, sinds ongeveer een jaar op het perceel van de woning van de verdachte staat. Voordat hij de koelcel had, was zijn handel kleiner, zo verklaart de verdachte. Hieruit volgt dat hij zich in ieder geval vanaf april 2018 heeft beziggehouden met de handel in vlees waarbij hij een koelcel gebruikte en dat hij zich ook daarvoor al bezig hield met de handel in vlees, zij het op kleinere schaal. Gezien het voorgaande en gelet op het hetgeen hierna onder het kopje “medeplegen” zal worden geoordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om de tenlastegelegde periode aan te passen. Het verweer wordt verworpen.

Medeplegen

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken kan de rol van de verdachte, de zoon van de medeverdachte, niet geduid worden als ondergeschikt aan zijn vader en het verrichten van slechts hand- en spandiensten. Integendeel, de verdachte vervulde een volwaardig aandeel in het geheel, hij leverde een wezenlijke bijdrage. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte het grootste deel van de contacten met afnemers onderhield, dat hij vlees ophaalde bij slachthuizen, vlees vervoerde naar afnemers en proactief potentiele afnemers benaderde om hun vlees te verkopen. Ook kon hij blijkens de verklaring van de medeverdachte de I&R registraties via zijn telefoon afhandelen. Bij al deze handelingen had de verdachte intensief contact met zijn vader, de medeverdachte.

Hij was voornemens om de vleeshandel van zijn vader over te nemen. Dat hij opdrachten van zijn vader kreeg en vervolgens ook uitvoerde, maakt niet dat er sprake was van een ondergeschikte rol waardoor geen medeplegen zou kunnen worden aangenomen. Er was sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Daarbij zij overigens opgemerkt dat het volgens bestendige jurisprudentie niet nodig is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, zolang de samenwerking maar wel intensief is en dat is in casu het geval. Ook dit verweer wordt verworpen.

Ontbreken wetenschap en/of opzet

De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte. Gelet hierop slagen de verweren niet.

Conclusie

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 januari

2018 tot en met 13 maart 2019 in Herwijnen en elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander ,

meermalen opzettelijk heeft gehandeld in strijd

met artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004

immers, hebben hij en zijn mededader als exploitanten van een

levensmiddelenbedrijf in Nederland vervaardigde producten van dierlijke

oorsprong, te weten schapenvlees en rundvlees, in de handel gebracht,

terwijl die producten niet uitsluitend waren bewerkt en gehanteerd in een

inrichting die door de bevoegde autoriteit was erkend (zoals vereist in

artikel 4, tweede lid, van deze verordening)

en

artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004

immers, hebben hij en zijn mededader als exploitanten van een

levensmiddelenbedrijf een inrichting waar producten van dierlijke oorsprong

werden gehanteerd waarvoor bijlage III bij Verordening 853/2004 voorschriften

bevat, te weten een slachthuis voor schapen en een uitsnijderij van

schapenvlees en een inrichting voor de opslag van schapen- en rundvlees,

in bedrijf gehad zonder erkenning van de

bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 854/2004;

2.

hij, in de periode van 11 maart 2019 tot en met 13 maart 2019 in

Herwijnen,

tezamen en in vereniging met een ander ,

meermalen, opzettelijk heeft gehandeld in strijd

met artikel 18 van Verordening (EG) nr. 178/2002

immers, konden hij en zijn mededader als exploitanten van een

levensmiddelenbedrijf niet nagaan wie hen levensmiddelen, te weten:

- ( circa) 115 kilogram, althans een hoeveelheid, rundvlees en

- schapenkarkassen,

hadden geleverd,

in elk geval beschikten hij en zijn mededader als exploitanten van

een levensmiddelenbedrijf niet over een systeem of procedure met behulp

waarvan deze informatie aan de bevoegde autoriteit kon worden verstrekt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 3.2 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

en

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 3.2 van de Wet dieren, opzettelijk begaan;

2.

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 3.1 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Standpunt van de verdediging

Er is, ten aanzien van zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde sprake van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte.

Gegeven de verhouding en rolverdeling tussen de verdachte en zijn vader, is sprake van een situatie dat de verdachte, als meewerkend ‘knecht/hulpkracht’ en (nog volstrekt) onkundig in de wereld van de vee- en vleeshandel, wetenschap had noch hoefde te hebben van de vraag of zijn vader en zijn onderneming voldeden aan de vereisten in het kader van de nationale en Europese regelgeving. De verdachte mocht ervan uitgaan dat datgene wat hij aan werkzaamheden heeft verricht, plaatsvond binnen de regels en vereiste vergunningen.

Bij uitstek een situatie dat de knecht straffeloos is als gevolg waarvan de verdachte wat betreft zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor bij de bespreking van de verweren onder 5 is overwogen, kan de rol van de verdachte niet geduid worden als ondergeschikt aan zijn vader en was er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking voor wat betreft zowel het onder 1 als onder 2 thans bewezen verklaarde. Reeds daarom gaat het verweer tot afwezigheid van alle schuld niet op en behoeft het verweer geen verdere bespreking.

Het verweer wordt verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

8. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het exploiteren van een levensmiddelenbedrijf in vleesproducten dat niet door de bevoegde autoriteit was erkend. De verdachte handelde samen met zijn vader in schapen- en rundvlees. Dieren werden daartoe door hen illegaal geslacht, zonder hierbij gebruik te maken van fixatie- of bedwelmingsapparatuur. Het onder meer op die wijze verkregen vlees werd onder onhygiënische omstandigheden bewerkt, opgeslagen en in de handel gebracht. Voorts was de administratie van de herkomst van vleesproducten die de verdachte en zijn zoon tot hun beschikking hadden niet op orde.

Het ontbreken van een erkenning voor een dergelijk levensmiddelenbedrijf heeft tot gevolg dat het bevoegde gezag geen zicht heeft op het handelen aldaar en dat er geen controle is of wordt voldaan aan de geldende voorschriften, met alle gezondheidsrisico’s voor consumenten van het desbetreffende vlees van dien.

Met het illegaal slachten is het vlees onttrokken aan de nodige keuringen, waardoor mogelijke ziektes dan wel andere onvolkomenheden, zoals onnodig dierenleed, onopgemerkt bleven. Tenslotte is het zeer bezwaarlijk als niet achterhaald kan worden waar vlees is gehanteerd, nu de traceerbaarheid van dierlijke producten essentieel is voor de voedselveiligheid.

Met zijn handelen heeft de verdachte het belang van de voedselveiligheid opzettelijk en ernstig tekort gedaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

26 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien het type feiten en de ernst daarvan zal aan de verdachte, anders dan door de officier van justitie geëist, een geldboete van na te noemen hoogte worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een deel van de hiervoor overwogen geldboete voorwaardelijk worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het de reeds genoemde artikelen, is gelet op

  • -

    de artikelen 14a, 4b, 14c, 23, 24c, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

  • -

    de artikelen 1 onder 1°, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

  • -

    artikel 6.2 van de Wet dieren,

  • -

    artikel 2.1 van het Besluit dierlijke producten,

  • -

    artikel 2.4 van de Regeling dierlijke producten.

  • -

    artikelen 3 en 4 van de Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, laatst gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/355 van de Commissie van 11 maart 2016 en

  • -

    artikel 18 van de Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, laatst gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/228 van de Commissie van 9 februari 2017.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 30.000,00 (dertigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 185 dagen hechtenis;

bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte, groot € 15.000,00 (vijftienduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 110 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op drie jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en D.F. Smulders, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 december 2020.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2018 tot en met 13 maart 2019 in Herwijnen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd

met

artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004

immers, hebben/heeft hij en/of zijn mededader(s) als exploitant(en)van een

levensmiddelenbedrijf in Nederland vervaardigde producten van dierlijke

oorsprong, te weten schapenvlees en/of rundvlees, in de handel gebracht,

terwijl die producten niet uitsluitend waren bewerkt en/of gehanteerd in een

inrichting die door de bevoegde autoriteit was erkend (zoals vereist in

artikel 4, tweede lid, van deze verordening)

en/of

artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004

immers, hebben/heeft hij en/of zijn mededader(s) als exploitant(en)van een

levensmiddelenbedrijf een inrichting waar producten van dierlijke oorsprong

werden gehanteerd waarvoor bijlage III bij Verordening 853/2004 voorschriften

bevat, te weten een slachthuis voor schapen en/of een uitsnijderij van

schapenvlees en/of een inrichting voor de opslag van schapen- en/of rundvlees,

in bedrijf gehad zonder erkenning van de

bevoegde autoriteit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 854/2004;

2.

hij, in of omstreeks de periode van 11 maart 2019 tot en met 13 maart 2019 in

Herwijnen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd

met

artikel 18 van Verordening (EG) nr. 178/2002

immers, kon(den) hij en/of zijn mededader(s) als exploitant(en)van een

levensmiddelenbedrijf niet nagaan wie hem/hen levensmiddelen, te weten:

- ( circa) 115 kilogram, althans een hoeveelheid, rundvlees en/of

- één of meer schapenkarkassen,

had(den) geleverd,

in elk geval beschikte(n) hij en/of zijn mededader(s) als exploitant(en)van

een levensmiddelenbedrijf niet over een systeem of procedure met behulp

waarvan deze informatie aan de bevoegde autoriteit kon worden verstrekt.