Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12160

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
C/10/603710 / KG ZA 20-804 (voorlopige voorziening) C/10/603704 / FA RK 20-6853 (beroep)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit opleggen huisverbod: beroep is gegrond verklaard en het besluit is geheel vernietigd. Het besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel: de motivering van het besluit is niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 48 uur nadat het besluit is genomen, en deugdelijk gemotiveerd bekend gemaakt; art. 3:46 en 47 van de Awb. Huwelijkse spanningen; geen sprake van gevaar zoals bedoeld in de Wth

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/603710 / KG ZA 20-804 (voorlopige voorziening)

C/10/603704 / FA RK 20-6853 (beroep)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

gemachtigde mr. E. Kafa,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. I. Plaisier,

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[naam achterblijfster] , achterblijfster,

[naam kind 1] , minderjarige zoon van verzoeker en achterblijfster,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2007,

[naam kind 2] , minderjarige zoon van verzoeker en achterblijfster,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2018,

allen wonende te [adres achterblijvers] .

Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 september 2020 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.

Bij brief van 7 september 2020 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De oudste zoon is gehoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Aanwezig waren:

 verzoeker en zijn gemachtigde,

 verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. J.F. Jim,

 Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam] , casemanager,

 achterblijfster.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

2. Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit.

Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

6. Verzoeker betoogt dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

6.1.

De burgemeester heeft de plicht om, als hij een besluit neemt, tijdig een deugdelijke motivering te geven. Artikel 3:46 en 47 van de Awb verplichten hem daartoe: een beschikking (besluit) dient te berusten op een deugdelijke motivering. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

De deugdelijke motivering heeft als doel:

 dat de burgemeester zich als bestuursorgaan verantwoordt voor het gebruik van zijn bevoegdheid om met een vrijheidsbeperkend besluit in te grijpen in het persoonlijke leven van een burger,

 dat de uithuisgeplaatste burger kan afwegen of hij de rechtmatigheid van het besluit aanvaardt of de rechtmatigheid ter beoordeling voorlegt aan de rechter.

Op grond van artikel 2, zevende lid, van de Wth heeft de burgemeester nog enige ruimte wat de tijdigheid betreft bij een mondeling aangezegd besluit: indien de situatie dermate spoedeisend is dat het huisverbod niet tevoren op schrift kan worden gesteld, kan het huisverbod mondeling worden aangezegd. De burgemeester draagt alsnog zorg voor spoedige opschriftstelling en bekendmaking. Naar het oordeel van de – in dit geval – voorzieningenrechter betekent spoedig in dit verband binnen 48 uur.

Analoog oordelend, gelet op de spoedeisendheid die ook geldt in de gevallen dat de burgemeester het besluit wel direct op schrift stelt, moet de burgemeester een deugdelijke motivering voor het besluit bekendmaken aan de uithuisgeplaatste burger en de belanghebbende(n) uiterlijk 48 uur nadat de burgemeester het besluit tot het opleggen van een huisverbod heeft genomen.

6.2.

Verweerder (de burgemeester) heeft het bestreden besluit genomen op 1 september 2020 om 22:02 uur. Uiterlijk 48 uur daarna, 3 september 2020 om 22:02 uur, had verweerder nog geen deugdelijke motivering bekendgemaakt aan verzoeker. Het bestreden besluit is dus in strijd met het motiveringsbeginsel. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit om die reden vernietigen.

Overigens, als de (hulp)officier van justitie feitelijk het besluit heeft genomen dan heeft verweerder de plicht binnen 48 uur de motivering op te vragen bij de (hulp)officier van justitie en die bekend te maken aan verzoeker of ervoor te zorgen dat de (hulp)officier van justitie dit doet. In het verlengde daarvan is het aan verweerder om praktische problemen die hieraan in de weg staan, op te lossen.

6.3.

Pas nadat verzoeker rechtsmiddelen heeft ingesteld (beroep en voorlopige voorziening), is aan hem een deugdelijke motivering bekendgemaakt. De voorzieningenrechter zal verweerder daarom veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen tijdens de mondelinge behandeling met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.

Overigens heeft verweerder pas een dag voor de mondelinge behandeling van het beroep de stukken bekendgemaakt waarop de motivering berust en pas tijdens de mondelinge behandeling de motivering zelf bekendgemaakt. Hierdoor ontstaat het risico dat verzoeker en of belanghebbende(n) en of de voorzieningenrechter zich niet optimaal kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van het beroep – waarbij het niet aan verzoeker, belanghebbende(n) en de voorzieningenrechter is om aan de hand van verweerders stukken te bedenken wat zijn motivering zal zijn –, en dat de voorzieningenrechter op die grond stukken en of een nadere motivering van verweerder buiten beschouwing laat.

6.4.

Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

7. Op grond van artikel 8:72, derde lid, sub a, van de Awb zal de voorzieningenrechter hierna beoordelen of hij de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laat.

8. Verzoeker betoogt dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam.

8.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

8.2.

De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen.

8.3.

Over hun huwelijk hebben verzoeker en achterblijfster verschillende opvattingen. Achterblijfster wil binnen dat huwelijk vrijheden om zich te ontwikkelen. Verzoeker wil haar die vrijheden niet geven. Dit bevestigen zij tijdens de mondelinge behandeling. Om deel te nemen aan de Nederlandse samenleving heeft achterblijfster zich de Nederlandse taal eigen gemaakt en wil zij graag werken. Verzoeker heeft zich de Nederlandse taal niet eigen gemaakt en zoekt ook binnen zijn mogelijkheden niet actief naar werk. Het verschil in opvattingen heeft het huwelijk duurzaam ontwricht. Verzoeker en achterblijfster hebben met elkaar gesproken over een echtscheiding. Achterblijfster heeft hiervoor al een advocaat benaderd.

Verzoeker en achterblijfster zijn zich ervan bewust dat een echtscheiding betekent dat een van hen een nieuwe woning zal moeten huren. Het is de voorzieningenrechter uit diverse andere Wth-zaken en familiezaken ambtshalve bekend dat het voor huurders met een sociale uitkering maanden kan duren voordat zij een andere woning kunnen huren. Zowel verzoeker als achterblijfster hebben er dus belang bij dat de ander vertrekt uit de woning.

8.4.

Naast voormeld belang dat (ook) achterblijfster heeft bij een gebod dat verzoeker de woning verlaat en niet mag terugkeren, kan zij daar ook belang bij hebben omdat de aanwezigheid van verzoeker een ernstig vermoeden van gevaar oplevert.

Gelet op de gemotiveerde weerspreking door verzoeker – waarbij hij ook een ander belang voor achterblijfster noemt – maakt de motivering van verweerder dat echter niet inzichtelijk. Er is geen letsel geconstateerd. Er zijn geen getuigen van een incident. Verweerder benoemt in zijn motivering niet waaruit volgt dat er eerdere incidenten zijn geweest noch dat en zo ja, hoe de spanningen zo zijn opgelopen dat tijdens het nemen van het bestreden besluit een escalatie op handen was. Die indruk heeft de kinderrechter ook niet overgehouden aan het gesprek met de oudste zoon van verzoeker en achterblijfster. De verklaring van achterblijfster over een doodsbedreiging met een mes door verzoeker, weerspreekt verzoeker. Hij geeft daarbij de nadere onderbouwing dat het onlogisch is dat hij achterblijfster eerst zou vertellen haar te zullen vermoorden met een mes maar dat niet doet, vervolgens wel hun jongste zoon naar de opvang zou brengen en achterblijfster dus de gelegenheid zou geven aan verzoeker te ontkomen, om dan terug te komen om alsnog achterblijfster te vermoorden. In zijn motivering weerlegt verweerder deze nadere onderbouwing niet.

Verweerder heeft ook geen nader onderzoek gedaan, zoals het bevragen van achterblijfster, naar de stelling van verzoeker dat de aangifte van achterblijfster een reactie is op het niet willen meewerken van verzoeker aan een overeenkomst waarmee achterblijfster via illegaal gebruik van het paspoort van verzoeker € 6.000,- kon verdienen (onder andere voor esthetische behandelingen in Turkije). Door gebrek aan nader onderzoek door verweerder, maakt zijn motivering ook niet inzichtelijk waarom dit gestelde belang van achterblijfster niet ten grondslag ligt aan haar verklaringen.

8.5.

Verweerder merkt nog wel terecht op dat de minderjarigen lijden onder de huwelijkse problemen van verzoeker en achterblijfster. In het algemeen hebben minderjarigen er last van als de personen aan wie zij het meest zijn gehecht uit elkaar gaan en elkaar verbaal of non-verbaal diskwalificeren. Verweerder motiveert niet dat de minderjarigen er in deze zaak ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zo zeer last vast hadden dat sprake is van gevaar zoals dat is bedoeld in de Wth.

8.6.

De kans is reëel dat het huisverbod, waaronder de aanwezigheid van de politie in de woning, het onderzoek door de politie en de uithuisplaatsing van verzoeker, een grote impact heeft op de minderjarigen en hun verdere ontwikkeling. De rechtmatigheid van het bestreden besluit kan in dit geval echter niet zijn gelegen in de voorbereiding van het besluit zelf en de gevolgen daarvan.

8.7.

Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter zal de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand laten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep gegrond,

 vernietigt het bestreden besluit geheel,

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af,

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-.

Aldus gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. M.A.J. Ysebaert, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: