Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:12041

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
10/960254-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 105 gram cocaïne. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven van de Opiumwet, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Gezien het totale tijdsverloop in deze zaak is het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn geschonden. De rechtbank houdt hiermee in strafverminderende zin rekening. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 94 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960254-17

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 november 2017, 12 april 2018,
30 augustus 2018, 28 en 29 oktober 2020, 2 en 4 november 2020 en 16 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 28 oktober 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mr. E. van Doorn en Z. Trokic, hierna te noemen de officier van justitie, hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak feit 2

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De woning van de verdachte werd gebruikt als inpaklocatie voor het inpakken van pakketjes in opdracht van [naam bedrijf] welke vervolgens werden verzonden naar het buitenland. Verder was de verdachte in het bezit van een prijslijst harddrugs, inloggegevens voor Alphabay en Valhalla en een handleiding voor het afhandelen van bestellingen op dark markets. Nu bij de verdachte en zijn vriendin, medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ), thuis cocaïne is aangetroffen, [naam medeverdachte 1] de MDMA en a-PVP zelf heeft ingepakt en de verdachte een bericht van [naam vendor 1] heeft ontvangen over XTC, had ook de verdachte wetenschap van de concrete misdrijven van de organisatie en is opzet op het deelnemen aan de criminele organisatie voldoende gebleken.

4.2.2.

Beoordeling

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet vereist een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Niet vereist is dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de eenmanszaak [naam bedrijf] via internet handelde in nieuwe psychoactieve stoffen (nps-en). [naam medeverdachte 2] is de oprichter en eigenaar van [naam bedrijf] . Naast de legale handel in chemicaliën heeft [naam medeverdachte 2] zich als vendor (aanbieder) [naam vendor 1] op verschillende dark markets beziggehouden met het verkopen en verzenden van harddrugs als MDMA, cocaïne, a-PVP en verschillende op lijst I van de Opiumwet voorkomende nps-en. Pakketten met drugs werden verstuurd naar adressen in binnen- en buitenland. Aanvankelijk werden bestellingen op het woonadres van [naam medeverdachte 2] verwerkt en ingepakt. Later gebeurde dit op de bedrijfslocatie aan de [adres] te Boxtel.

Vast staat dat een deel van de bedrijfsvoering van [naam vendor 1] bestond uit de illegale handel in harddrugs via het dark web en dat [naam medeverdachte 2] hierbij niet alleen heeft geopereerd.

Uit het dossier volgt dat [naam medeverdachte 1] vanaf mei 2017 in de woning in Helmond meerdere pakketten met harddrugs heeft ingepakt en verzonden in opdracht van [naam medeverdachte 2] en [naam bedrijf] . Dat [naam medeverdachte 1] wetenschap had van het illegale karakter van de verzonden stoffen leidt de rechtbank af uit de op het werkadres van de verdachte, in dit verband ook aan te duiden als [naam verdachte] , aangetroffen handgeschreven prijslijst met verboden middelen, inloggegevens van Alphabay en Valhalla en een handleiding hoe bestellingen af te handelen op de dark markets.

Een samenwerkingsverband met [naam verdachte] acht de rechtbank daarentegen niet bewezen. Het is niet ondenkbaar dat [naam verdachte] op de hoogte was van de criminele activiteiten van [naam medeverdachte 1] voor [naam medeverdachte 2] en [naam vendor 1] . Dat de woning van [naam verdachte] door [naam medeverdachte 1] werd gebruikt als inpakadres en dat op hun huisadres pakketten voor [naam medeverdachte 2] en [naam vendor 1] werden ontvangen is echter te gering om te kunnen spreken van een (eigen) aandeel van [naam verdachte] in de organisatie.

Ook de partner van [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] , verrichtte werkzaamheden voor [naam vendor 1] . Zij hielp onder meer met het inpakken van de pakketten en het maken van adreslabels. Ook onderhield zij contact met [naam medeverdachte 1] en gaf haar op verzoek van [naam medeverdachte 2] instructies over het inpakken en versturen van pakketten via DHL, zodat aan de buitenkant niet te voelen was wat er in de enveloppen zat. Verder hielp [naam medeverdachte 3] [naam medeverdachte 1] met het inloggen op de dark markets als haar dat niet lukte. De rechtbank acht bewezen dat [naam medeverdachte 3] wist van het criminele oogmerk van [naam vendor 1] en wijst daarbij onder meer op de notities van [naam medeverdachte 3] in de aangetroffen agenda over XTC, a-PVP en Valhalla.

[naam medeverdachte 4] was sinds maart 2017 in dienst van [naam bedrijf] . Hij hield zich bezig met het verwerken van orders, het inpakken van de bestelde chemicaliën en het verzenden van de pakketten. Hoewel vast is komen te staan dat [naam medeverdachte 4] tijdens zijn werkzaamheden middelen als genoemd op lijst I van de Opiumwet heeft ingepakt en verzonden, acht de rechtbank niet bewezen dat hij wetenschap had van het illegale karakter van de stoffen en het criminele oogmerk van de organisatie. Van een crimineel samenwerkingsverband met [naam medeverdachte 4] is om die reden geen sprake.

Vastgesteld is dat [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] zich als vendor [naam vendor 2] op de dark markets Valhalla en Dream Market bezig hielden met het verkopen en verzenden van harddrugs als ketamine, cocaïne, XTC-pillen en MDMA. Pakketten met drugs (verstopt in uitgeholde kaarsen) werden door hen vanuit hun woning verstuurd naar adressen in het buitenland. In de berging van de woning en de schuur van hun grootmoeder zijn aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen. Als zodanig is [naam vendor 2] van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] dan ook als crimineel samenwerkingsverband in de zin van artikel 11b van de Opiumwet aan te merken.

Het dossier bevat verschillende aanwijzingen dat er een verband bestaat tussen de vendor [naam vendor 1] van [naam medeverdachte 2] aan de ene kant en de vendor [naam vendor 2] van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] aan de andere kant. Gewezen kan worden op de overeenkomsten aangaande de modus operandi van de beide aanbieders. Ook duiden de aangetroffen e-mailberichten op de HP laptop die is gevonden in de auto van [naam medeverdachte 6] op zakelijk contact tussen [naam medeverdachte 2] en broers [achternaam medeverdachte 5 en 6] . In het Excel-overzicht Maandoverzicht 2017 (eveneens aangetroffen op de voornoemde HP laptop) waarin een overzicht wordt gegeven van de verkopen per dark market, lijkt een verdeling te zijn gemaakt tussen [naam vendor 1] en [naam vendor 2] . Hoewel deze aanwijzingen een zekere relatie tussen de beide aanbieders veronderstellen en het erop lijkt dat [naam vendor 1] op enig moment de handel in harddrugs (the real drugs) heeft overgedragen aan [naam vendor 2] , is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband te spreken. Eerder lijkt er sprake van twee zelfstandig naast elkaar opererende organisaties.

4.2.3.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven van de Opiumwet. De verdachte zal daarom van feit 2 worden vrijgesproken.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 16 augustus 2017 te Helmond, tezamen en in verenging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 105 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf en maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 105 gram cocaïne. Dergelijke harddrugs leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen voor de gebruiker met zich kan brengen. Hierdoor wordt tevens schade berokkend aan de samenleving. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
7 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Mede gelet op de vrijspraak voor feit 2 zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan is geëist.

De rechtbank is verder van oordeel dat gezien het totale tijdsverloop in deze zaak het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hiermee in strafverminderende zin rekening houden.

Alles afwegend wordt een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden geacht. De verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 94 (vierennegentig) dagen.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de als bijlage III aangehechte beslaglijst onder nummer [beslagnummer 1] in beslag genomen administratie verbeurd te verklaren.

8.2.

Beoordeling

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde kan de onder nummer [beslagnummer 1] in beslag genomen administratie niet verbeurd worden verklaard.

De administratie zal worden onttrokken aan het verkeer nu deze ook gegevens bevat die zien op de handel van verdovende middelen op het dark web. Dat maakt dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De onder nummer [beslagnummer 2] in beslag genomen cocaïne zal ook worden onttrokken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 94 (vierennegentig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de als bijlage III aangehechte lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: de onder nummer [beslagnummer 1] in beslag genomen administratie en de onder nummer [beslagnummer 2] in beslag genomen cocaïne;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2020.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Helmond, althans in Nederland tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 105 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art 2 ond C Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 29 augustus 2017 te Boxtel en/of Beek en Donk en/of Helmond, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of, [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6] en/of de natuurlijke perso(o)n(en) achter de/het vendoraccount(s) van [naam vendor 1] en/of [naam vendor 2] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid Opiumwet, namelijk - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van mdma en/of cocaïne en/of A-PVP en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine en/of 4Fluoramfetamine en/of methoxetamine, althans (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

(art 11b Opiumwet)