Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11959

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
C/10/607780 / JE RK 20-3134 & C/10/606826 / JE RK 20/2981
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

machtiging uithuisplaatsing buiten de regio, het recht op contact met de moeder en de daarmee verbandhoudende reiskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/607780 / JE RK 20-3134 & C/10/606826 / JE RK 20/2981

datum uitspraak: 25 november 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de Gl, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 26 oktober 2020, ingekomen bij de griffie op 27 oktober 2020;

- het proces verbaal in deze zaak van de kinderrechter in deze rechtbank van 9 november 2020;

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 november 2020 en de daarin genoemde stukken.

Op 25 november 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart telefonisch is gehoord,

- de moeder,

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] en dhr. [naam vertegenwoordiger] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] verblijft bij Pluryn De Beele in Voorst.

Bij beschikking van 16 juni 2020 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 21 juni 2021.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 november 2020 met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier weken. De beslissing voor het overig verzochte is aangehouden

De aangehouden verzoeken

Ten aanzien van het verzoek ingeschreven onder zaaknummer C/10/606826:
De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 juni 2021.

Ten aanzien van het verzoek ingeschreven onder zaaknummer C/10/607780:
De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van zeven maanden. Bij beschikking van 13 november 2020 is dit verzoek voor vier weken toegewezen en voor het overig verzochte aangehouden.

De GI heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] is medio november 2020 met spoed bij Pluryn geplaatst omdat hier een plek in een drie-milieu-voorziening beschikbaar was. Deze plek zou komen te vervallen als [voornaam minderjarige] hier niet onmiddellijk geplaatst zou worden. Er is ook in de omgeving van de woonplaats van de moeder naar een passende plek voor [voornaam minderjarige] gezocht maar een vergelijkbare voorziening bestaat daar niet. [voornaam minderjarige] moet zijn psychomotore therapie voortzetten en daarnaast moet een gezinsbehandelaar de opvoedvaardigheden van de moeder in kaart brengen.

Het standpunt van de belanghebbende
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Zij is het niet eens dat [voornaam minderjarige] in een instelling ver buiten de regio is geplaatst. [voornaam minderjarige] mag elk weekend met verlof maar de moeder moet de reiskosten vergoeden. Ook kost het haar veel tijd en geld om [voornaam minderjarige] te bezoeken. De totale reiskosten lopen op tot meer dan 200 euro per maand en daarnaast moet zij een vergoeding van 75 euro per week aan de instelling betalen voor het doen van de was en het zakgeld van [voornaam minderjarige] . Dit kan de moeder niet betalen. De moeder heeft daarnaast moeite met de snelle wisseling van betrokken jeugdbeschermers binnen haar gezin. Tenslotte is zij niet volledig op de hoogte van de plannen die ten aanzien van [voornaam minderjarige] worden gemaakt. Zij was in de veronderstelling dat de plaatsing bij Pluryn enkel als een overbrugging zou fungeren.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog steeds grote zorgen bestaan over [voornaam minderjarige] . Bij [voornaam minderjarige] is sprake van ernstige gedragsproblematiek. Hij heeft moeite met het accepteren van gezag en is erg beïnvloedbaar. [voornaam minderjarige] heeft van november 2019 tot november 2020 bij Schakenbosch verbleven. Hij heeft veel baat gehad bij de duidelijke structuur en de begrenzing die hij daar op de gesloten groep heeft ervaren. [voornaam minderjarige] heeft een vooruitgang laten zien maar een thuisplaatsing is op dit moment nog niet passend, evenmin als voortzetting van zijn verblijf bij Schakenbosch. Tijdens een weekendverlof is [voornaam minderjarige] in contact gekomen met zijn vrienden die een negatieve invloed op hem hebben en hij is aangehouden door de politie. Daarnaast heeft de moeder nog steeds moeite het gedrag van [voornaam minderjarige] te begrenzen.
Omdat [voornaam minderjarige] zeer gebaat is bij de regelmaat en structuur binnen een instelling en hij nog altijd behandeling en begeleiding moet ontvangen, is ervoor gekozen [voornaam minderjarige] in een drie-milieu- voorziening te plaatsen. Hij kan dan tegelijkertijd naar school gaan en zijn behandeling voortzetten. [voornaam minderjarige] is om deze reden op 13 november 2020 bij Pluryn De Beele geplaatst. Dit moest door middel van een spoedmachtiging gebeuren omdat de beschikbare plek in deze voorziening anders zou komen te vervallen.


Ondanks dat deze instelling zich ver buiten de regio Rotterdam-Rijnmond bevindt, is de kinderrechter van oordeel dat een plaatsing in deze instelling in het belang van [voornaam minderjarige] is, omdat deze instelling aansluit bij zijn problematiek. Hoewel een gedachte achter de Jeugdwet is ouders en minderjarigen zo veel mogelijk jeugdhulp binnen de eigen regio te bieden, lijkt dit in de praktijk vaak niet mogelijk. Aanbieders van specialistische jeugdhulp bevinden zich nogal eens buiten de Randstand en vergelijkbare hulp is veelal niet voorhanden binnen de regio. Dat maakt het voor ouders lastig hun kind regelmatig te bezoeken en voor de minderjarigen tijdrovend om met verlof naar huis te gaan. Daarnaast zijn aan het bezoeken en met verlof gaan aanzienlijke kosten verbonden, vooral omdat de hulp buiten de regio wordt gegeven, en komen die kosten voor rekening van de ouders. Gelet op de hoogte van die kosten is het denkbaar dat ouders niet altijd in staat zijn die kosten te dragen. Als dat zo is kan dat leiden tot een ongewenste beperking in het contact tussen ouders en kinderen. In deze zaak lijkt daarvan sprake te zijn. De GI heeft de moeder te kennen gegeven dat zij dat probleem zelf moet oplossen, al dan niet samen met de gemeente. De kinderrechter denkt daar anders over. Als de overheid ervoor kiest kinderen buiten regionaal te doen plaatsen, omdat in de regio zelf passende hulp ontbreekt, is het ook de overheid die moet zorgen dat het basisrecht van contact tussen ouder en kind, zoals ook bedoeld in artikel 9 lid 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), in stand blijft. De GI heeft, als uitvoerende instantie van de ondertoezichtstelling, zo de taak om met de moeder samen vast te stellen of zij inderdaad niet in staat is alle reiskosten op te brengen en in dat geval een oplossing te bedenken voor de vergoeding van (een deel van) die kosten. Het gaat dan om de kosten die de moeder thans moet maken om haar zoon regelmatig, tenminste twee keer per maand, te kunnen bezoeken (en met zijn begeleiders en verzorgers te kunnen spreken) en de kosten om hem wekelijks met verlof naar huis te laten gaan. Mogelijk komt de moeder in aanmerking voor een toeslag in het kader van de kinderbijslag of is er via de gemeente geld beschikbaar ter compensatie van de hoge reiskosten van [voornaam minderjarige] . Het is niet de moeder, maar de GI die het voortouw moet nemen om hierover helderheid te verkrijgen. Om te vernemen in hoeverre de GI hierin resultaat boekt, zal de machtiging voor een beperkte duur worden uitgesproken en het verzoek voor het overige worden aangehouden.

Uit voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] daarom verlengen tot 11 maart 2021 en het resterende deel van het verzoek onder zaaknummer C/10/606826 aanhouden.

Het verzoek ingeschreven onder zaaknummer C/10/607780 zal worden afgewezen, voor zover daarop niet eerder is beslist, nu dit verzoek nagenoeg gelijkluidend is aan het verzoek onder zaaknummer C/10/606826.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, tot 11 maart 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek ingeschreven onder zaaknummer C/10/607780, voor zover daarop niet eerder is beslist;

En alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van het verzoek voor het overig verzochte wordt aangehouden tot 1 februari 2021 pro forma;

bepaalt dat de GI en de belanghebbende op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

verzoekt de GI om vóór de pro forma datum de kinderrechter te informeren over het al dan niet handhaven van het restant van het verzoek en, indien dat wordt gehandhaafd, de kinderrechter een briefrapportage te doen toekomen over de stand van zake, in het bijzonder met betrekking tot de reiskosten, met een afschrift daarvan aan de moeder.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. J. van Driel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van C.M.F. Bom als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.