Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11942

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
C/10/600503 / FA RK 20-5260
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

artikel 253n lid 2 jo. artikel 1:251a lid 1 BW & artikel 1:253n lid 1 BW. Verzoek moeder wijziging gezamenlijk gezag met niet-ouder naar eenhoofdig gezag wordt toegewezen.

Voldaan aan de criteria van art 1:251a lid 1 ivm onaanvaardbaar risico dat minderjarige klem of verloren raakt tussen de vrouw en de tante en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering komt dan wel wijziging van het gezag anderszins in belang van het kind noodzakelijk is.

Waar het gezamenlijk gezag bij de vaststelling met het oog op het belang van de minderjarige wenselijk werd geacht, omdat de tante toen als mede-opvoeder een heel belangrijke rol speelde en moeder heel jong was, is die situatie niet meer aan de orde. Moeder heeft, na in het verleden een problematische tijd te hebben gehad, inmiddels een stabiel leven opgebouwd en vormt een gezin met haar echtgenoot en haar dochter. Onder deze omstandigheden wordt gezamenlijk gezag niet langer passend geacht. Met het in stand houden hiervan zal de ruzie tussen partijen voortduren. Dit maakt dat de minderjarige die van haar moeder en haar tante houdt, in een heel lastige situatie zit, waarin ze het gevoel krijgt haar moeder respectievelijk haar tante te moeten teleurstellen om haar tante dan wel haar moeder tevreden te stellen. Dat is belastend omdat de minderjarige hierdoor niet toekomt aan haar eigen ontwikkeling, waarbij veiligheid en vertrouwen en een onbelaste relatie met haar moeder en tante nodig zijn. Hierdoor is het risico dat de minderjarige klem of verloren raakt reëel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/43.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer : C/10/600503 / FA RK 20-5260

Beschikking van 2 december 2020 betreffende het ouderlijk gezag

in de zaak van:

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. Y.M. Schrevelius te Rotterdam.

In deze zaak is belanghebbende:

[naam tante] , hierna: de tante,

wonende te [woonplaats tante] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. R.J. Sparreboom te Spijkenisse.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 16 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift van de tante, met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Y.M. Schrevelius;

  • -

    de tante, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.J. Sparreboom;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2. De vaststaande feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

De tante is de oudere zus van de moeder en de tante van de minderjarige.

2.3.

De minderjarige is niet erkend.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2013 zijn de vrouw en de tante gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.5.

De vrouw is op 25 februari 2019 gehuwd met [naam persooon] en vormt een gezin met hem en met de minderjarige.

2.6.

Bij beschikking van 10 juni 2020 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn.

3. De beoordeling

3.1.

Ouderlijk gezag

3.1.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige wordt gewijzigd, in die zin dat zij alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt belast.

3.1.2.

De tante voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

Wanneer geen sprake is van een echtscheiding kan het gezamenlijk gezag van twee ouders of van een ouder met een niet-ouder worden beëindigd en omgezet in eenhoofdig gezag van een ouder als er sprake is van gewijzigde omstandigheden of van een beslissing die was gebaseerd op onvolledige of onjuiste gegevens. Verder moet er een onaanvaardbaar risico bestaan dat het kind ‘klem en verloren’ raakt of dat het eenhoofdig gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van het kind, artikel 253n lid 2 jo. artikel 1:251a lid 1 BW.

3.1.4.

De vrouw stelt een wijziging van omstandigheden waardoor het niet langer in het belang van de minderjarige is om het gezag gezamenlijk uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:253n lid 1 BW gezien het gegeven dat de leefsituatie van de vrouw is gewijzigd, de verstandhouding tussen partijen ernstig is verslechterd en alle contacten tussen de tante en de minderjarige na een escalatie begin februari 2020 zijn verbroken.

3.1.5.

Vervolgens dient beoordeeld te worden in hoeverre sprake is van de criteria genoemd in artikel 1:251a lid 1 BW.

3.1.6.

Ten tijde van de toekenning van het gezamenlijk gezag verbleef de minderjarige met instemming van de vrouw bij de tante, die vanaf maart 2012 voor de minderjarige zorgde. Sinds 1 april 2013 heeft de minderjarige haar hoofdverblijf bij de vrouw, hetgeen nadien ook bij de rechtbank is vastgesteld. Het heeft de vrouw destijds veel moeite gekost om haar dochter weer van de tante terug te krijgen. De vrouw is inmiddels gehuwd en wil met haar man en de minderjarige een gelukkig gezinsleven kunnen leiden, zonder kritiek en bemoeienis van de tante. De vrouw is bang dat de tante de minderjarige van haar wil afpakken. De tante maakt zich zorgen om het welzijn van de minderjarige, met name vanwege het wantrouwen in de partner van de vrouw. De vrouw voelt zich hierdoor niet gerespecteerd en heeft daarom afstand genomen van de tante en haar familie. Zij wil rust en respect.

3.1.7.

De raad heeft benadrukt dat er rust voor de minderjarige moet komen. Vanuit die rust kan er weer ruimte ontstaan voor contact met de tante. Dat contact acht de raad ook in het belang van de minderjarige, want de tante speelt een belangrijke rol in haar leven. De raad houdt partijen voor om in mediation te gaan, om elkaars standpunten, de pijn en zorgen te gaan begrijpen en gezamenlijk tot een oplossing te komen. Omdat daartoe een gezamenlijke bereidheid ontbreekt, is dit traject in deze procedure geen mogelijkheid gebleken.

3.1.8.

De problemen tussen de vrouw en de tante spelen al enige tijd en hebben ertoe geleid dat er geen contact meer is tussen de tante en de minderjarige, behalve incidenteel via de telefoon. Het sporadische contact dat de tante en de vrouw hebben, mondt uit in ruzies. De oorsprong van de problematiek is gelegen in het feit dat de vrouw op eigen benen wil staan met haar dochter en gezin en dat in de beleving van de vrouw de tante dat niet accepteert. De vrouw voelt zich daardoor belemmerd in haar moederrol. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw uit zichzelf en met volle overtuiging toegezegd dat als de tante het gezag niet meer uitoefent maar haar rol als tante weer inneemt, zij van harte welkom is om op elk moment dat ze wil contact met de minderjarige op te nemen, op bezoek te komen en dat de minderjarige bij haar mag logeren wanneer ze maar wil. Zij gunt haar zus haar tanterol wel, maar het gezamenlijk gezag staat daaraan in de weg. De tante is vanuit goede bedoelingen erg betrokken, maar dat leidt ertoe dat zij haar gezag wenst uit te oefenen, hetgeen leidt tot conflicten met de vrouw. Waar het gezamenlijk gezag in 2013 met het oog op het belang van de minderjarige wenselijk werd geacht, omdat de tante toen als mede-opvoeder een heel belangrijke rol speelde en de vrouw toen heel jong was, is die situatie niet meer aan de orde. De vrouw heeft, na in het verleden een problematische tijd te hebben gehad, inmiddels een stabiel leven opgebouwd en vormt een gezin met haar echtgenoot en haar dochter. Onder deze omstandigheden wordt gezamenlijk gezag niet langer passend geacht. Met het in stand houden hiervan zal de ruzie tussen partijen voortduren. Dit maakt dat de minderjarige die van haar moeder en haar tante houdt, in een heel lastige situatie zit, waarin ze het gevoel krijgt haar moeder respectievelijk haar tante te moeten teleurstellen om haar tante dan wel haar moeder tevreden te stellen. Dat is belastend omdat de minderjarige hierdoor niet toekomt aan haar eigen ontwikkeling, waarbij veiligheid en vertrouwen en een onbelaste relatie met haar moeder en tante nodig zijn. Hierdoor is het risico dat de minderjarige klem of verloren raakt reëel.

3.1.9.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat aan de criteria van art 1:251a lid 1 is voldaan omdat door voortzetting van het gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de vrouw en de tante en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering komt dan wel wijziging van het gezag anderszins in belang van het kind noodzakelijk is.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2013 als volgt:

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] voortaan aan de vrouw toekomt;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. de Lange-Tegelaar, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier M.H. van Leeuwen op

2 december 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.