Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
10/754521-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van de invoer van cocaïne. Samen met zijn medeverdachte werd de verdachte aangetroffen in de Rotterdamse Haven. In hun omgeving vonden verbalisanten tassen met daarin pakketten cocaïne. Een container op het terrein bevatte boortjes, braaksporen en reuksporen van verdovende middelen. De telefoons van verdachten bevatten foto’s van deze container en communicatie met een derde. DNA-sporen van de verdachte aangetroffen op o.a. een van de tassen en een boor. Straf: 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/754521-20

Datum uitspraak: 16 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Ter Apel,

raadsman mr. W.J. van Bel, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – kort weergegeven – op neer dat de verdachte samen met anderen betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne in Nederland, dan wel cocaïne aanwezig heeft gehad.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie N.J.P. Coenen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte bij het ten laste gelegde betrokken is geweest.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

In de vroege ochtend van 27 juli 2020 werden twee douanemedewerkers van de surveillancedienst Douane Rotterdam-Haven die op dat moment op het terrein van ECT Delta Terminal te Rotterdam reden, er telefonisch door een supervisor van de ECT Delta Terminal van op de hoogte gesteld dat er mogelijke insluipers op het terrein liepen. Toen de douanemedewerkers ter plaatse kwamen, zagen ze op het terrein twee mannen staan met voor zich op de grond twee tassen. Nadat de douanemedewerkers riepen: “Douane, laat je handen zien”, zetten deze twee mannen het op een lopen. Eén van de douanemedewerkers bleef achter bij de twee tassen en de ander zette de achtervolging in. De twee mannen renden tussen de containers door richting de waterzijde en verdwenen uit beeld. Tijdens de achtervolging zag de douanemedewerker een Nokia telefoon op de grond liggen, die hij in beslag heeft genomen. Met hulp van de ingeschakelde politiehelikopter werden enige tijd later twee mannen bovenop een container aangetroffen, die vervolgens door de politie zijn aangehouden. Eén van deze twee mannen werd door de medewerker van de Douane, die achter de twee verdachten was aangerend, herkend als één van de personen die eerder bij de twee tassen stond. Deze man bleek later de medeverdachte [naam medeverdachte] te zijn. Bovenop de container werd onder andere (nog) een Nokia telefoon aangetroffen. In de directe omgeving van de container waar de verdachte en de medeverdachte werden aangetroffen, is voorts een iPhone gevonden.

In de twee tassen, een bruine en een groene, zaten 32 pakketten gewikkeld in bruin plakband. De totale netto inhoud van de pakketten bleek na weging 31,95 kilogram. De inhoud is bemonsterd en onderzocht op samenstelling. De monsters bleken bij onderzoek allemaal cocaïne te bevatten. Verder is in de bruine tas nog een boormachine aangetroffen.

Op de handvatten en de hengsels van beide tassen is DNA-materiaal aangetroffen. De daaruit afgeleide DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van de verdachte en zijn medeverdachte. Het NFI heeft voor de DNA-sporen op de handvatten/hengsels van de bruine tas berekend dat het afgeleide DNA-profiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de aangetroffen grote hoeveelheid DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer die afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.

Ook het handvat en de knoppen van de boormachine zijn bemonsterd en daarop is DNA-materiaal aangetroffen. De daaruit afgeleide DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van de verdachte en zijn medeverdachte. Met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen op de boormachine heeft het NFI berekend dat het afgeleide DNA-mengprofiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van de verdachte en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

Hoewel de verdachte in de gelegenheid is gesteld om hierover een verklaring af te leggen, heeft hij aangegeven niet te weten hoe zijn DNA-sporen op de bruine tas en de boormachine terecht zijn gekomen.

Uit onderzoek van de twee Nokia telefoons en de iPhone is gebleken dat deze telefoons op 25 juli 2020 in gebruik waren genomen en veelvuldig in contact stonden met het nummer [gsm-nummer] en dat er een aantal malen contact is geweest tussen de telefoonnummers van de twee Nokia telefoons onderling. Verder waren er op de iPhone foto’s opgeslagen waarop verschillende containers stonden afgebeeld, die op het terrein van de ECT Delta Terminal gestald stonden. Op één van de foto’s stond een gedeelte van een containerdeur afgebeeld met daarop een gedeelte van een containernummer, te weten “ [containernummer 1] ”. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat dit de container met nummer [containernummer 2] betrof. Bij inspectie van deze container bleek deze niet afgesloten te zijn. In de container werden twee boortjes aangetroffen en de kap van de onderste klep in de achterwand was verwijderd. De aangetroffen boortjes waren van hetzelfde formaat als de opening van de boormachine die de verbalisanten bij de pakketten in de bruine tas hadden aangetroffen.


De narcoticaspeurhond van de Douane gaf in en rondom voornoemde container een positieve melding op reuksporen van verdovende middelen. Uit onderzoek in het douanesysteem is vervolgens gebleken dat de container met nummer [containernummer 2] was beladen met avocado's uit Colombia. De container was op 20 juli 2020 met het motorschip [naam vaartuig] aangekomen in Rotterdam.

De rechtbank concludeert uit al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien dat de verdachte heeft bijgedragen aan de DNA-sporen die zijn aangetroffen op de handvatten en hengsels van de bruine tas en de boormachine en dat hij voorafgaand aan zijn aanhouding samen met de medeverdachte de pakketten uit de container met nummer [containernummer 2] had gehaald. Dat het om vanuit het buitenland ingevoerde cocaïne ging, volgt genoegzaam uit de omstandigheden waaronder en locatie waarop het is aangetroffen. De rechtbank acht daarmee het primair ten laste gelegde bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 27 juli 2020 te Maasvlakte Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 31,95 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 31,95 kilogram cocaïne in Nederland. Door de invoer van een dergelijke grote hoeveelheid heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Harddrugs leiden bovendien veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte lijkt hiervoor geen oog te hebben gehad en slechts uit te zijn geweest op eigen financieel gewin.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

17 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 27 juli 2020 te Maasvlakte Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans aanwezig heeft gehad, ongeveer 31,95 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juli 2020 te Maasvlakte Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 31,95 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een hoeveelheid van een middel zoals genoemd in lijst 1 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- zich (onbevoegd) op het terrein van ECT Delta Terminal, gevestigd aan de Europaweg te Rotterdam tussen het containerstack begeven en/of

- zich (onbevoegd) in/op een of meer containers begeven en/of

- een of meer sporttassen (met daarin verdovende middelen en/of een accuboormachine) en/of (een) mobiele telefoon(s) en/of (werk)handschoenen voorhanden gehad.