Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11879

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
10/700131-19 en 10/702008-20 (ter terechtzitting gevoegd) / TUL VV: 10/109878-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag, beroep op (putatief)noodweer(exces) slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/700131-19 en 10/702008-20 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/109878-17

Datum uitspraak: 16 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/109878-17.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsmotivering

Op 20 maart 2019 is [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) om het leven gekomen bij een schietpartij op de [plaats delict] te Rotterdam. De verdachte heeft bekend dat hij toen en daar met een pistool meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van het slachtoffer, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Gelet hierop zullen de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/700131-19:

hij op 20 maart 2019 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk meermalen met een vuurwapen een projectiel af te vuren op het lichaam van die [naam slachtoffer] , tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden;

Parketnummer 10/702008-20:

hij op 20 maart 2019 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 of Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool en munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten, 7, kogelpatronen, kaliber, 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezen feiten leveren op:

10/700131-19:

doodslag

10/702008-20:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5. Strafbaarheid feiten en strafbaarheid verdachte

5.1.

Noodweer

5.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en de reactie van de verdachte op die aanval was noodzakelijk en geboden.

5.1.2.

Beoordeling en conclusie van de rechtbank

Inleiding

Bij de beoordeling van het verweer gaat de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 20 maart 2019 omstreeks 22.20 uur krijgt de meldkamer een 112-melding over de schietpartij in de [plaats delict] te Rotterdam. Ter plaatse treft de politie ter hoogte van pandnummer 112 op de groenstrook tussen beide rijbanen het slachtoffer aan. De politie constateert een klein gaatje in de rechterborst van het slachtoffer. In de ambulance stelt de trauma-arts het overlijden van het slachtoffer vast. Bij de sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat hij is overleden door één inschot van de romp.

Uit het forensisch onderzoek ter plaatse blijkt dat er zeven afgevuurde patroonhulzen op de rijbaan van de [plaats delict] zijn aangetroffen.

Voorafgaand aan de schietpartij heeft op de [plaats delict] een ontmoeting plaatsgehad tussen vijf mannen, te weten de verdachte, het slachtoffer, de broer van het slachtoffer genaamd [naam broer slachtoffer] (hierna: [naam broer slachtoffer] ), de getuige [naam getuige 1] en de getuige [naam getuige 2] . Deze ontmoeting en de daarop volgende schietpartij is opgenomen door camerabeelden. Daarop is het volgende te zien:

  • -

    Verdachte staat te telefoneren op de [plaats delict] . Bij hem voegt zich [naam getuige 1] . Om 22.13 uur komen [naam broer slachtoffer] en het latere slachtoffer op hen aflopen. Niet veel later komt er nog een vijfde persoon bij het groepje staan, te weten [naam getuige 2] .

  • -

    Gedurende enkele minuten vindt een gesprek plaats tussen de vijf mannen, waarbij met name de verdachte, [naam broer slachtoffer] en het slachtoffer druk met elkaar aan het praten zijn en veel met hun armen en handen bewegen.

  • -

    Er lijkt een wantrouwende en geagiteerde sfeer te hangen. Zowel het slachtoffer als [naam broer slachtoffer] kijken boos naar de verdachte. De verdachte kijkt bedrukt.

  • -

    De verdachte steekt op enig moment een sigaret op en neemt vlak daarna plaats op een elektriciteitskastje. [naam broer slachtoffer] en het slachtoffer staan dicht op de verdachte.

  • -

    Ongeveer 20 seconden later krijgt de verdachte een klap tegen zijn hoofd van het slachtoffer; verdachte rent weg en het slachtoffer rent achter de verdachte aan en pakt hem vast.

  • -

    De verdachte en het slachtoffer vallen vervolgens beiden op de grond. Nadat de verdachte is opgestaan is een vuurwapen zichtbaar in zijn rechterhand.

  • -

    De verdachte richt het vuurwapen op het slachtoffer en schiet meerdere malen in de richting van het slachtoffer en rent ook nog schietend achter het slachtoffer aan.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard, dat hij ongeveer een maand voorafgaand aan het incident op 20 maart 2019 is bedreigd door het slachtoffer en [naam broer slachtoffer] . Deze bedreiging hield verband met een misgelopen drugsdeal, waardoor de verdachte verantwoordelijk werd gehouden voor betaling van een bedrag van € 10.000. Tijdens een ontmoeting in een auto tussen de verdachte en het slachtoffer, [naam broer slachtoffer] en een onbekend gebleven persoon genaamd [naam persoon] , is aan hem een foto van zijn familie getoond. Daarbij werd hem ook een vuurwapen getoond en is gezegd dat hij moest betalen “met bloed of geld”. Ten gevolge hiervan is de verdachte ondergedoken. Tijdens de confrontatie op 20 maart 2019 werd de verdachte wederom woordelijk bedreigd door het slachtoffer en [naam broer slachtoffer] . Als hij de
€ 10.000,- niet zou betalen zouden ze hem en zijn familie wat aandoen en/of hem ontvoeren. De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende die confrontatie erg bang was, mede door die eerdere bedreiging in de auto een maand eerder. Op 20 maart 2019 is hem wederom kort een vuurwapen getoond door het slachtoffer. Vervolgens wordt de verdachte door het slachtoffer geslagen, in de beleving van de verdachte met dat getoonde vuurwapen. Hij vreesde op dat moment voor zijn leven. Nadat de verdachte is geslagen door het slachtoffer rent hij weg. Het slachtoffer rent achter hem aan en pakt hem vast. De verdachte schiet eenmaal en valt samen met het slachtoffer op de grond. Nadat de verdachte is opgestaan schiet hij uit paniek en doodsangst nog een aantal keer op het slachtoffer.

Is er op 20 maart 2019 sprake geweest van een (dreiging van een) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding?

Uit de camerabeelden maar ook uit de verklaring van de verdachte volgt dat de verdachte, nadat hij eerst woordelijk is bedreigd, door het slachtoffer is geslagen op het hoofd en is vastgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verweren. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op dat moment aan de ontstane dreiging kon of moest onttrekken.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de noodweersituatie echter meer behelsde dan enkel de klap tegen het hoofd en het vastpakken.

Is het aannemelijk geworden dat het slachtoffer aan de verdachte op 20 maart 2019 een vuurwapen toonde?

De verdachte heeft tijdens het politieverhoor op 15 oktober 2019 verklaard, dat hem op enig moment een vuurwapen is getoond door het slachtoffer. Hij plaatst dit moment nog vóór hij een sigaret opstak en op het elektriciteitskastje ging zitten. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hem het vuurwapen later is getoond, te weten toen hij al op het elektriciteitskastje zat.

De rechtbank stelt vast dat op de camerabeelden niet zichtbaar is, dat er een vuurwapen is getoond aan de verdachte. Er zijn wel enkele momenten te zien waarop het slachtoffer zijn rechterhand uit zijn jaszak haalt, maar op die momenten is geen vuurwapen zichtbaar en ze lijken ook veel te kort om een vuurwapen uit een jaszak te halen/tonen. Er is ook geen (schrik)reactie te zien van de verdachte op die specifieke momenten.

Evenmin is een vuurwapen zichtbaar op het moment dat de verdachte een klap krijgt tegen zijn hoofd van het slachtoffer. Duidelijk te zien is dat het slachtoffer de verdachte met zijn blote hand slaat.

Ook overigens biedt het dossier onvoldoende steun voor de stelling van de verdediging dat het slachtoffer een vuurwapen heeft getoond. Door geen van de getuigen aanwezig ten tijde van de schietpartij wordt het tonen van een vuurwapen bevestigd. Er is in de kleding van het slachtoffer noch anderszins op of in de omgeving van de plaats delict, een vuurwapen aangetroffen.

De rechtbank acht alles afwegend niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer aan de verdachte op 20 maart 2019 een vuurwapen heeft getoond.

Was het handelen van de verdachte geboden?

De wederrechtelijke aanranding die de rechtbank heeft vastgesteld, houdt aldus in dat de verdachte met de blote hand tegen het hoofd werd geslagen en werd vastgepakt door het slachtoffer. Het tonen van een vuurwapen op de dag van de schietpartij aan de verdachte is zoals gezegd niet aannemelijk geworden.

De vraag die vervolgens voor ligt, is of de verdedigingshandeling - het meermalen schieten op het slachtoffer ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden - voldoet aan het ‘proportionaliteitsvereiste’. Bij de beoordeling van het proportionaliteitsvereiste is beslissend dat het verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De verdachte heeft, door een vuurwapen als verdedigingsmiddel te kiezen en er daadwerkelijk meermalen mee te schieten, de grenzen van de noodzakelijke verdediging ruimschoots overschreden. Het verdedigingsmiddel staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, die bestond uit een klap tegen het hoofd en het vastpakken van de verdachte. Daar komt nog bij dat de verdachte door ging met schieten toen het slachtoffer ongewapend voor hem stond en van hem weg rende. Dat er een maand vóór 20 maart 2019 een vuurwapen is getoond, zoals de verdachte verklaard, en dat ook op 20 maart 2019 bedreigende woorden zijn geuit maakt dit oordeel niet anders. Het rechtvaardigt in elk geval niet een dergelijk vergaand verdedigingsmiddel. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

5.2.

Noodweerexces

5.2.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte komt een beroep op noodweerexces toe, omdat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging gewezen op de omstandigheden die hiertoe hebben geleid. De verdachte is met de dood bedreigd door het slachtoffer, aan hem is eerder een vuurwapen is getoond en dit is ook op 20 maart 2019 gebeurd.

5.2.2.

Beoordeling en conclusie van de rechtbank

Vooropgesteld moet worden dat het standpunt van de verdediging uitgaat van de veronderstelling dat aan de verdachte op 20 maart 2019 een vuurwapen is getoond. Zoals hiervoor reeds overwogen is dat niet aannemelijk geworden. Dat bij de verdachte desondanks sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding is niet vast komen te staan noch aannemelijk geworden.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook, dat de verdachte nog voordat hij met het slachtoffer op de grond viel al een eerste schot had gelost. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat de verdachte al rekening hield met het lossen van een schot toen hij op het elektriciteitskastje zat. Anders is niet te verklaren dat hij al zo snel met zijn vuurwapen kon schieten in de richting van het slachtoffer. Het kan dus niet anders dan dat het schieten door de verdachte in zekere zin al door hem was voorzien c.q. voorbereid. Dit verhoudt zich niet tot het standpunt dat de oorzaak van het schieten door de verdachte is gelegen in een hevige gemoedstoestand veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding.

Verdachte komt derhalve geen beroep op noodweerexces toe. Het verweer wordt verworpen.

5.3.

Putatief noodweer(exces)

5.3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft verschoonbaar gedwaald over de aard van de dreiging/aanval. Hij mocht immers in redelijkheid aannemen dat hij werd aangevallen met een wapen, zodat hem een beroep op putatief noodweer(exces) toekomt.

5.3.2.

Beoordeling en conclusie van de rechtbank

Van putatief noodweer kan sprake zijn wanneer sprake is van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. Dit kan het geval zijn wanneer de verdachte niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het gevoerde verweer dat de verdachte niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reden is geweest voor hem om te veronderstellen dat hij werd aangevallen met een wapen. Zoals eerder overwogen is niet aannemelijk geworden dat aan de verdachte een vuurwapen is getoond. Dat het slachtoffer en diens broer intimiderend gedrag naar de verdachte toe hebben getoond, is onvoldoende om op basis daarvan een dergelijke aanval te veronderstellen. Gelet op het voorgaande is er geen sprake geweest van het zich verontschuldigbaar inbeelden van een dreigend gevaar. De rechtbank verwerpt ook daarom het beroep op putatief noodweer(exces).

5.4

Afsluitende conclusie

De verdachte werd weliswaar aangevallen door het slachtoffer, maar de vergaande wijze van verdediging door de verdachte rechtvaardigt geen beroep op noodweer. Er zijn daarnaast geen omstandigheden aannemelijk geworden die een geslaagd beroep op noodweerexces of putatief noodweer(exces) opleveren.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De feiten en de verdachte zijn dus strafbaar.

6. Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in een drukke straat meermaals met een vuurwapen op het slachtoffer geschoten ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Door het handelen van de verdachte heeft hij het slachtoffer het meest kostbare ontnomen wat een mens bezit, zijn leven. Het slachtoffer was 46 jaar oud.

Aan de nabestaanden is een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Dit blijkt ook uit het ter terechtzitting namens de nabestaanden uitgeoefende spreekrecht. Sinds de dood van het slachtoffer ontbreekt er een stuk geluk in de familie van de vrouw van de verdachte. Het leed en het gemis voor de ouders, broers, zus en andere nabestaanden van het slachtoffer is enorm. Zij zullen de gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies altijd met zich moeten dragen.

Tegen het bezit van zware vuurwapens als het onderhavige moet, vanwege de dreiging die er van uit gaat, krachtig worden opgetreden. Dat het bezit van zo’n vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan, is in deze zaak wel duidelijk geworden, met de dood van het slachtoffer als gevolg.

De rechtbank rekent de verdachte dit alles zeer zwaar aan, maar de rechtbank heeft ook oog voor de penibele situatie waarin de verdachte zich bevond op 20 maart 2019. Er was sprake van een noodweersituatie. De verdachte raakte in een dreigende situatie met twee personen die hem eerder bedreigd hadden en meende toen hij geslagen en vastgepakt werd, weliswaar onterecht, dat zijn eigen leven op het spel stond. Aangenomen mag worden dat de verdachte die dag niet zou zijn betrokken in een schietpartij, als hij niet was aangevallen door het slachtoffer. De rechtbank neemt dit mee bij het bepalen van de strafmaat.

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen 5 jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 juni 2020. Dit rapport houdt het volgende in. De reclassering heeft op verschillende leefgebieden problemen geconstateerd. Zo heeft de verdachte al jaren geen zinvolle dagbesteding, heeft hij geen legaal inkomen, heeft hij schulden en heeft hij een, in ieder geval deels, negatief sociaal netwerk. Deze factoren verhogen het gevaar op herhaling. Het gevaar op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. In een later stadium moet worden bezien welke concrete voorwaarden en interventies geïndiceerd zijn.

Psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 mei 2019. Omdat de verdachte medewerking aan het psychologisch onderzoek heeft geweigerd is er een weigerrapport opgesteld. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Psychiater dr. [naam psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 mei 2019. Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan psychiatrisch onderzoek is er een weigerrapport opgesteld. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

6.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf neemt de rechtbank als uitgangspunt de richtlijn die het Gerechtshof Den Haag hanteert voor doodslag, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. Als strafverminderende factor neemt de rechtbank in aanmerking de jonge leeftijd van de verdachte en de penibele situatie waarin de verdachte zich bevond zoals eerder omschreven. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar passend en geboden.

Maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank ziet geen aanleiding om reeds nu een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De geïndiceerde behandel- en begeleidingstrajecten dienen te worden vorm gegeven tijdens de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling.

7. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

7.1.

[naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: mevrouw [naam benadeelde 1] ter zake van het laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 10/700131-19. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.000,00 aan immateriële schade.

7.1.1.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdediging niet is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

7.1.2.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 20.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 maart 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

7.2.

[naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: mevrouw [naam benadeelde 2] ter zake van het laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 10/700131-19. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade en € 1.210,00 aan proceskostenvergoeding.

7.2.1.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdediging niet is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

7.2.2.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 15.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 maart 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 1.210,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

7.3.

[naam broer slachtoffer]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: de heer [naam broer slachtoffer] ter zake van het laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 10/700131-19. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 9.808,98 aan materiele schade en een vergoeding van € 17.500,00 aan immateriële schade.

7.3.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade dient volledig te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij gevorderde shockschade dient te worden gematigd, gelet op de rol die de benadeelde in deze zaak lijkt te hebben gehad.

7.3.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiele en immateriële schade is toegebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de shockschade te matigen. De benadeelde is een directe getuige geweest van een schokkende gebeurtenis. Hij heeft zijn broer voor zijn ogen neergeschoten zien worden. De benadeelde kon niets doen en was totaal machteloos. Door deze waarneming heeft de benadeelde psychisch letsel (PTSS) opgelopen. De gevorderde shockschade is redelijk en billijk, mede gelet op vergelijkbare jurisprudentie en zal dan ook worden toegewezen.

7.3.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 27.308,98, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 maart 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 31 augustus 2017 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 (vijf) dagen, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 15 september 2017.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer moet worden gelegd

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

8.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 20.000,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 160 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.210,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 16.210,00 (zegge: zestienduizendtweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 16.210,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 141 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam broer slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 27.308,98 (zegge: zevenentwintigduizend driehonderdacht euro en achtennegentig cent), bestaande uit € 9.808,98 materiele schade en € 17.500 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam broer slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam broer slachtoffer] te betalen € 27.308,98 (zegge: zevenentwintigduizend driehonderdacht euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 27.308,98 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 196 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam broer slachtoffer] , tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 5 dagen, van de bij vonnis van 31 augustus 2017 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en M.J.C. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2020.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlasteleggingen

In de zaak met parketnummer 10/700131-19 wordt aan de verdachte ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een projectiel af te vuren op het lichaam van die [naam slachtoffer] , tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden.

In de zaak met parketnummer 10/702008-20 wordt aan de verdachte ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (of meer) wapen (s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 en/of Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool en/of munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten, 7, althans één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber, 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.