Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
605855 / HA RK 20-1082
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing van de rechter om geen – niet tijdig aangemeld – publiek tot de zittingszaal toe te laten impliceert geen partijdigheid. Ordemaatregel in het kader van de maatregelen rond het COVID-19 virus. De beslissing op het verzoek tot het horen van getuigen is een processuele beslissing. Weigering door de rechter van rechtsbijstand door een gemachtigde die niet ingeschreven staat bij de Nederlandse orde van de Advocaten. Opnieuw aanvangen van onderzoek ter terechtzitting. Geen nader onderzoek door de rechter naar wat er is voorgevallen in de afgelopen jaren van het leven van verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 605855 / HA RK 20-1082

Beslissing van 10 november 2020

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. R.A.F. Gerding, rechter in de rechtbank Rotterdam, team straf 1 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van vrijdag 9 oktober 2020 is door de rechter behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak. Deze strafprocedure draagt als parketnummer 10/279986-19.

Op 12 oktober 2020 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.

Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak, waarin zich onder meer bevinden:

  • -

    het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting alsmede het proces-verbaal van de zitting van 17 februari 2020;

  • -

    stukken die door verzoeker zijn overgelegd en betrekking hebben op de strafzaak;

  • -

    de uitgebreide schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;

  • -

    het verzoek van 3 november 2020 om aanhouding van de zitting van de wrakingskamer van 10 november 2020;

  • -

    stukken die op 5 november 2020 door verzoeker bij de rechtbank zijn ingediend.

Verzoeker en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren en heeft hiervan op 14 oktober 2020 gebruik gemaakt.

Ter zitting van 10 november 2020, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de officier van justitie mr. E. Kranendonk, verzoeker, [naam 4] en [naam 4] . Verzoeker heeft zijn standpunt mondeling nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven:

Verzoeker heeft de rechter gewraakt wegens het verloop van de zitting op 9 oktober 2020. Uit deze gang van zaken kan de partijdigheid van de rechter worden vastgesteld. De rechter heeft de waarheidsvinding op de zitting gefrustreerd. Het recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), is door de rechter geschonden.

De door verzoeker meegebrachte getuigen en belangstellenden mochten tijdens de zitting niet aanwezig zijn. De rechter heeft beslist dat er geen publiek tot de zittingszaal mocht worden toegelaten. Verzoeker had een verzoek gedaan om ter zitting getuigen te horen, maar de rechter heeft het horen van slechts één getuige toegewezen. Het weigeren van het horen van de andere verzochte getuigen staat gelijk aan het wissen van gerechtelijke bewijslast. De rechter heeft de beslissing tot afwijzen van het horen van getuigen onvoldoende gemotiveerd. Ook heeft de rechter verzoeker het recht op rechtsbijstand ontnomen. De rechter had besloten dat er geen enkel persoon, die door de verzoeker tijdens de zitting was verzocht als getuige te worden gehoord, de rechtszaal mocht betreden. Toen verzoeker de rechter verzocht of de getuige-deskundige/adviseur hem mocht bijstaan, gaf de rechter op zitting aan dat er geen sprake kon zijn van rechtsbijstand door een andere persoon dan een advocaat die ingeschreven staat op het tableau van de Orde van Advocaten.

Verder is door de rechter een nieuw feitenonderzoek gedaan op de zitting. Verzoeker was er niet van op de hoogte gesteld dat de zitting het doel had om een nieuw feitenonderzoek te laten plaatsvinden. De rechter had verzoeker moeten informeren dat er een nieuw feitenonderzoek zou plaatsvinden op grond van dezelfde aanklacht.

Voorts heeft de rechter op de zitting geen onderzoek gedaan naar wat verzoeker vanaf 2011 is overkomen met politieagenten die hem op valse gronden van feiten hebben verdacht. Hierdoor heeft de rechter geweigerd zich te laten informeren over ontlastend bewijs jegens verzoeker en heeft verzoeker geen kans gekregen om zich te verdedigen tegen het ten laste gelegde feit.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter stelt dat hetgeen de verzoeker aanvoert, zijn weerlegging vindt in het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2020. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De punten die door verzoeker zijn aangedragen kunnen niet leiden tot het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen was. In een strafzaak heeft een verdachte recht op rechtsbijstand door een advocaat. Bijstand door een gemachtigde of adviseur is volgens de wet in Nederland niet toegestaan bij een zitting van de politierechter. De beslissing van de rechter om de andere getuigen niet te laten horen is door de rechter op de zitting gemotiveerd.

3 De beoordeling

Het aanhoudingsverzoek

3.1

Verzoeker heeft in zijn brief van 3 november 2020 verzocht om de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek aan te houden teneinde nog stukken met betrekking tot de zitting van 9 oktober 2020 op te vragen. In het proces-verbaal staat de aantekening van de rechter dat verzoeker tot de orde moest worden opgeroepen en agressief was. Verder wil verzoeker nog het proces-verbaal van de zitting van 17 februari 2020 verwerken in zijn verweerschrift. De verzoeker staat nu in de stukken beschreven als een persoon met zelfmoordneigingen en iemand die psychisch agressief is en verdacht wordt van een zware mishandeling. Verzoeker wil stukken opvragen om het beeld dat over verzoeker bestaat - te weten dat hij onbeschoft, onbeleefd, agressief en dwangmatig gedrag vertoont - recht te zetten.

Ten aanzien hiervan overweegt de wrakingskamer als volgt.

Het proces-verbaal is een zakelijke weergave van hetgeen op de zitting is voorgevallen en is geen letterlijke uitwerking van wat er op een zitting is besproken. Dit is de standaard werkwijze in de Nederlandse rechtspraak. In het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2020 staat de volgende opmerking vermeld:

‘Opmerking politierechter: de verdachte is -gevraagd en ongevraagd- bij voortduring aan het woord om zijn opvattingen kenbaar te maken. Het kost de politierechter veel moeite om de woordenstroom van de verdachte te onderbreken teneinde de zitting een min of meer normaal verloop te laten hebben.’

Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft deze opmerking enkel betrekking op het verloop van de zitting. Er staat nergens vermeld dat verzoeker zich agressief, brutaal of onbeleefd heeft gedragen tijdens de zitting. Deze woorden staan niet in het proces-verbaal en kunnen ook anderszins niet in het proces-verbaal worden gelezen. De wrakingskamer stelt vast dat aan hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat het proces-verbaal van de zitting onjuistheden bevat. Er bestaat daarom geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden, nu het opvragen van nadere stukken niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Het verzoek om aanhouding wordt dan ook afgewezen.

Het wrakingsverzoek

3.2

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.3

Te onderzoeken staat of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en oordeelt daartoe als volgt.

Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, zijn naar het oordeel van de wrakingskamer vijf wrakingsgronden te herleiden die verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd.

3.4.1

Uit de stukken is niet gebleken dat verzoeker de meegenomen getuigen en belangstellenden voor de aanvang van de zitting heeft aangemeld. De beslissing van de rechter om geen niet tijdig aangemeld - publiek tot de zittingszaal toe te laten, impliceert niet dat de rechter partijdig of vooringenomen zou zijn. De rechter heeft deze ordemaatregel getroffen in het kader van de maatregelen rond het COVID-19-virus. Gelet op de omstandigheden rondom dit virus en de door het kabinet vastgestelde basisregels zijn er in het gerechtsgebouw beperkingen gesteld aan het aantal bezoekers. Deze maatregelen moeten vanwege de gezondheidsrisico’s strikt worden gehandhaafd, teneinde de verspreiding van het virus zoveel mogelijk te beperken en daardoor een veilige situatie te creëren voor de medewerkers en de bezoekers van de rechtbank. Gelet hierop heeft de rechter de door verzoeker meegenomen personen kunnen weigeren.

3.4.2.1

Verzoeker heeft op de zitting verzocht tot het horen van de getuigen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Tevens heeft verzoeker verzocht om de politie

en ketenpartners te horen. De rechter heeft op de zitting besloten om alleen de verzoeken tot het horen van drie getuigen te behandelen, omdat zij iets zouden hebben waargenomen of ondervonden omtrent het ten laste gelegde feit. De rechter heeft besloten om de getuigen [naam 2] en [naam 3] niet te horen, omdat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat zij iets hebben waargenomen of ondervonden omtrent het tenlastegelegde feit. Enkel het horen van getuige [naam 1] is door de rechter toegewezen, omdat hij blijkens een proces-verbaal van de politie als getuige mogelijk een deel van het incident heeft gezien.

3.4.2.2

De beslissing op het verzoek tot het horen van getuigen is een processuele beslissing. Een dergelijke beslissing kan in beginsel geen grond voor wraking opleveren. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De motivering van een beslissing kan evenmin grond vormen voor wraking, tenzij de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven.

3.4.2.3

De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van een beslissing die naar inhoud of motivering blijk geeft van vooringenomenheid.

3.4.3

Ten aanzien van het recht op rechtsbijstand overweegt de wrakingskamer het volgende. Volgens artikel 6, derde lid onder c van het EVRM heeft een verdachte tegen wie vervolging is ingesteld recht op rechtsbijstand. De invulling van deze rechtsbijstand is overgelaten aan de individuele lidstaten. Volgens de Nederlandse wet, neergelegd in de artikelen 28 en 37 van het Wetboek van Strafvordering, mag een verdachte zich in een strafzaak uitsluitend laat bijstaan door een raadsman die advocaat is. Aan het beroep van advocaat allerlei privileges zijn verbonden. Een advocaat dient te voldoen aan alle opleidingsvereisten en valt ook onder de tuchtspraak zoals geregeld in de artikelen 46 tot en met 60h van de Advocatenwet. De enkele omstandigheid dat de rechter de rechtsbijstand door een gemachtigde die niet ingeschreven staat bij de Nederlandse orde van de Advocaten heeft geweigerd, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid, nu dit een strikte naleving is van de wet.

3.4.4

De wrakingskamer begrijpt voorts hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over een nieuw feitenonderzoek op de zitting als betoog dat verzoeker het oneens is met de wijze waarop het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden. Blijkens de stukken is de behandeling van de strafzaak op 17 februari 2020 door rechter mr. M.K. Asscheman-Versluis op verzoek van verzoeker aangehouden voor onbepaalde tijd. Op 9 oktober 2020 heeft een andere rechter de strafzaak tegen verzoeker opnieuw behandeld. Ingevolge artikel 322, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt het onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen in het geval van behandeling door een andere rechter. Dit artikel brengt de verplichting mee om het onderzoek opnieuw aan te vangen indien de kamer die de zaak behandelt bij een volgende terechtzitting anders is samengesteld. Nu hier in de strafzaak jegens verzoeker sprake van was, is deze mededeling van de rechter op de zitting dan ook overeenkomstig de wet en geeft deze geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter.

3.4.5

Ten slotte overweegt de wrakingskamer dat het feit dat de rechter tijdens de behandeling van de strafzaak geen nader onderzoek heeft verricht naar wat er is voorgevallen in de afgelopen jaren van het leven van verzoeker, zoals het gedrag van agenten jegens verzoeker en de manier waarop verzoeker door instanties en personen wordt behandeld, eveneens geen zwaarwegende aanwijzing levert voor vooringenomenheid van de rechter.

Het behoort immers tot de wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering vermelde vragen, om daarbij naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting slechts te oordelen over hetgeen aan verzoeker is ten laste gelegd. Dat de rechter de ervaringen van verzoeker met instanties buiten beschouwing heeft gelaten en ter zitting niet aan de orde heeft gesteld, levert op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat er sprake is van partijdigheid en evenmin vormt het een omstandigheid die - objectief bezien - grond geeft te vrezen dat het bij de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.5

Gelet op het voorgaande is het verzoek ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. R.A.F. Gerding.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter, en mr. W.P.M. Jurgens en mr. K.A. Baggerman, rechters, en door de rechtbank uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2020 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-