Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11784

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
C/10/608071 / KG ZA 20-1064
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG. Gedaagde heeft onrechtmatig gehandeld jegens eiser door conservatoir beslag te leggen op privérekeningen van eiser zonder daarvoor verlof te hebben gekregen. Gedaagde wordt veroordeeld tot opheffing beslag en vergoeding daadwerkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0026
Jurisprudentie Erfrecht 2021/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/608071 / KG ZA 20-1064

Vonnis in kort geding van 17 december 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[naam eiser] , in persoon en in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [naam erflater],

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

[naam gedaagde] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (curator) van [naam 1],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam.

Eiser wordt hierna zowel [naam eiser] , [naam eiser] , als, in beide hoedanigheden, [naam eiser] genoemd. Gedaagde wordt [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 november 2020;

  • -

    de 22 producties van [naam eiser] ;

  • -

    de 26 producties van [naam gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 december 2020;

  • -

    de pleitnota van [naam eiser] , met producties 23 t/m 26;

  • -

    de pleitnota van [naam gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is de dochter van [naam erflater] (hierna: erflater) en [naam erflaatster] (hierna: erflaatster). [naam 1] is de moeder van [naam gedaagde] .

2.2.

[naam 1] heeft in 1982 schade aan haar hersenen opgelopen na een operatie en verblijft sindsdien in een verzorgingstehuis in Nootdorp. Bij beschikking van 6 augustus 1984 is [naam 1] onder curatele gesteld, met benoeming van erflater als curator.

2.3.

Op 24 oktober 1985 is erflaatster overleden.

2.4.

Bij testament van 19 juli 1991 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater zijn nicht, [naam 2] , en haar echtgenoot,

[naam eiser] , tot enige erfgenamen van zijn nalatenschap benoemd. [naam eiser] is tevens benoemd tot executeur van de nalatenschap.

2.5.

Bij beschikking van 11 juli 2005 is erflater als curator ontslagen en is [naam gedaagde] benoemd tot curator van [naam 1] .

2.6.

Op 26 december 2018 is erflater overleden. Bij akte van 8 augustus 2019 heeft [naam eiser] de nalatenschap van erflater en de benoeming tot executeur (beneficiair) aanvaard.

2.7.

Bij brief van 3 december 2019 heeft de advocaat van [naam eiser] , mr. Boiten, aan de advocaat van [naam gedaagde] , mr. Stut, het volgende medegedeeld:

“(…)

Het saldo van de nalatenschap bedraagt vooralsnog € 94.548,93. Uw cliënt heeft in zijn hoedanigheid van curator aanspraak op de legitieme portie van [naam 1] . De legitieme portie van [naam 1] is vastgesteld op € 42.084,12 na belasting en na verrekening van de toegeëigende roerende zaken.

Graag verneem ik uw instemming met betrekking tot bovengenoemde vaststelling. Ik zal u vervolgens een vaststellingsovereenkomst doen toekomen waarin partijen verklaren dat zij na uitvoering van die overeenkomst met betrekking tot de afwikkeling van onderhavige nalatenschap over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar ter zake over en weer finale kwijting verlenen. Na ondertekening door partijen zal cliënt het aan [naam 1] toekomende bedrag uitbetalen.

(…)”

2.8.

Bij dagvaarding van 23 december 2019 heeft [naam gedaagde] bij de rechtbank

Den Haag een bodemprocedure aanhangig gemaakt jegens [naam eiser] voor zich en in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap. [naam gedaagde] vordert daarin kort gezegd het testament van erflater 1991 nietig te verklaren althans te vernietigen, voor rechte te verklaren dat [naam 1] de (enige) erfgenaam is van erflater en [naam eiser] te veroordelen tot afgifte van de nalatenschap aan [naam gedaagde]

2.9.

Op 5 juni 2020 heeft [naam gedaagde] bij de voorzieningenrechter te Rotterdam een verzoek tot het leggen van verhaalsbeslag op een nalatenschap ingediend. Het beslagrekest vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

“(…)

Dit verzoekschrift richt zich tegen:

[naam eiser] ,

wonende te (…)

in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van de hierna genoemde erflater;

hierna genoemd: gerekwestreerde ;

(…)

10. Indien het testament niet in rechte stand blijft komt de hele nalatenschap toe aan [naam 1] . Over de precieze omvang moet nog duidelijkheid komen te bestaan. Met zijn bericht van 17 juni 2019 heeft gerekwestreerde een opgave gedaan van de omvang van de nalatenschap van erflater. Uit dit overzicht blijkt dat de nalatenschap grotendeels bestaat uit banksaldi, die erflater had bij de ABN Amro Bank N.V.

Productie 7: boedelbeschrijving van gerekwestreerde

Productie 8: overzicht per 26 december 2018 van ABN Amro Bank van het

saldo op de privérekening van erflater met nummer (…) [nummer]

(€ 97.061,60)

(…)

18. Het gaat om precies te zijn om de volgende derde: de naamloze vennootschap ABN Amro Bank N.V. (…), bij welke bank erflater althans gerekwestreerde zelf één of meerdere bankrekeningen aanhoudt.

(…)

WESHALVE:

Verzoeker zich wendt tot U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter met het eerbiedig verzoek:

verlof te verlenen om op de nalatenschap van erflater verhaalsbeslag te mogen leggen zoals in dit verzoekschrift omschreven en hem te vergunnen conservatoir verhaalsbeslag te doen leggen onder de onder randnummer 18 genoemde schuldenaar,

althans de vordering met inbegrip van rente en kosten voorlopig te begroten op € 130.000,00 (…)”

2.10.

Op 5 juni 2020 is het gevraagde verlof verleend, zoals verzocht. Diezelfde dag is beslag gelegd onder ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN).

2.11.

Bij e-mail van 24 juni 2020 heeft mr. Boiten aan mr. Stut het volgende medegedeeld:

“(…)

Ik vernam van cliënt dat uw cliënt thans beslag heeft gelegd op zowel de ervenrekening als de persoonlijke rekening van mijn cliënt. Beide beslagen zijn onnodig en onrechtmatig gelegd.

Het feit dat cliënt bereid is geweest de vordering van uw cliënt uit te betalen, toont bovendien aan dat er voldoende zekerheid bestaat voor de voldoening van de vordering van uw cliënt.

(…)

Ik verzoek u (…) te bevestigen dat u althans uw cliënt het beslag op de persoonlijke rekening van cliënt per direct opheft. In dat geval kan een kort-geding achterwege blijven. Het beslag op de ervenrekening kan gehandhaafd worden. Cliënt is thans doende bewijs te vergaren dat het saldo op die bankrekening onaangeroerd is.

(…)”

2.12.

Bij e-mail van 25 juni 2020 heeft mr. Stut het volgende geantwoord aan

mr. Boiten:

“(…)

Cliënt is nog in afwachting van de derdenverklaring van de bank, maar uit uw bericht begrijp ik dat het beslag doel heeft getroffen.

De beslagen zijn niet onnodig en niet onrechtmatig gelegd. Cliënt stelt dat er thans geen sprake is van een opheffingsgrond.

(…)

Onduidelijk is of het saldo op de ervenrekening de volledige vordering van cliënt dekt. Uw stelling dat alle gelden nog op de ervenrekening staan, kan niet door mij worden gecontroleerd. Het huidige saldo is onbekend.

(…)

Uw cliënt heeft nimmer aangegeven onvoorwaardelijk bereid te zijn over te gaan tot betaling van het onbetwiste deel van de vordering. Voor zover uw cliënt hiertoe alsnog bereid is dan verneem ik dat graag. Voor het betwiste gedeelte van de vordering van cliënt kan dan het beslag worden opgeheven onder de voorwaarde van het stellen van zekerheid door middel van een bankgarantie.

(…)”

2.13.

Bij brief van 3 juli 2020 aan de deurwaarder heeft ABN een derdenverklaring afgelegd. In de kop van die brief staat dat het een conservatoir beslag betreft, dat de beslagdatum 5 juni 2020 is, dat het beslag is gelegd op verzoek van [naam gedaagde] en dat dit ten laste van [naam eiser] is gedaan. In de bijlage bij de verklaring staan een effectendepot (saldo € 52.944,31) en 3 bankrekeningen (saldi: € 10.767,61, € 100.000,68 en € 13.001,77) genoemd.

2.14.

Bij e-mail van 6 november 2020 heeft mr. Boiten nogmaals aan mr. Stut geschreven dat [naam gedaagde] naast de ervenrekening ook de privérekening van [naam eiser] heeft beslagen en verzocht het beslag op de privérekening op te heffen.

2.15.

Bij e-mail van 12 november 2020 heeft mr. Stut het volgende medegedeeld aan

mr. Boiten:

“(…)

In reactie op uw bericht van 11 november jl. bericht ik u dat cliënt niet bereid is, zonder een alternatieve zekerheidstelling, mee te werken aan opheffing van het beslag van de privérekening.

Cliënt betwist dat er sprake is van een situatie zoals in artikel 705 lid 2 Rv. omschreven. De vorderingen van cliënt zijn niet ondeugdelijk en hij is van mening dat enkel het beslag op de ervenrekening onvoldoende is om als zekerheid te dienen.

(…)”

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [naam gedaagde] te veroordelen alle door hem gelegde conservatoire beslagen ten laste van de nalatenschap en/of [naam eiser] op te heffen althans het door [naam gedaagde] gelegde conservatoire beslag ten laste van [naam eiser] (in privé) op te heffen, zulks binnen twee dagen na het te wijzen vonnis;

II. [naam gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure dan wel de kosten van deze procedure, de eventuele nakosten daaronder begrepen.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Ter zitting heeft [naam gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat er geen beslag ligt op de ervenrekening (de bankrekening eindigend op … [nummer] ). Die conclusie trekt hij op basis van de derdenverklaringen van ABN. Hij heeft een eerste derdenverklaring van ABN van 3 juli 2020 overgelegd, waaruit blijkt dat het beslag 3 bankrekeningen en een effectendepot van [naam eiser] heeft geraakt. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling heeft [naam gedaagde] telefonisch contact opgenomen met de deurwaarder. Naar aanleiding daarvan heeft hij verklaard dat de deurwaarder een tweede derdenverklaring van ABN heeft ontvangen. Deze houdt in dat er tussen ABN en erflater geen enkele rechtsverhouding bestaat. [naam gedaagde] gaat er daarom van uit dat de ervenrekening ten tijde van de beslaglegging niet meer bestond.

4.2.

Aan de hand van de in dit kort geding overgelegde stukken is niet vast te stellen of de ervenrekening, eindigend op … [nummer] , een beslagobject is. [naam eiser] heeft geen actuele stukken (uit 2020) met betrekking tot die rekening overgelegd. Daardoor is niet duidelijk of de ervenrekening nog bestaat en, zo ja, welk bedrag op die rekening staat en of er al dan niet beslag op is gelegd. Gelet op de derdenverklaringen van ABN waar [naam gedaagde] zich op beroept, maar op ook het beslagrekest en het beslagexploot, is niet uitgesloten dat de tweede derdenverklaring niet juist is en kan samenhangen met een mogelijk andere tenaamstelling van de ervenrekening. Het lag op de weg van [naam eiser] om daar inzicht in te verschaffen. Nu onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een beslag op de ervenrekening, wordt de vordering tot opheffing daarvan afgewezen.

4.3.

Indien ervan uit moet worden gegaan dat de ervenrekening bestaat en is beslagen, is er geen reden om het beslag daarop op te heffen. [naam eiser] erkent dat [naam 1] in ieder geval recht heeft op de legitieme portie in de nalatenschap van erflater. Die legitieme portie is in 2019 begroot op € 42.084,12. Er is derhalve sprake van een vorderingsrecht en dat rechtvaardigt in beginsel een beslag. Daar komt bij dat [naam eiser] geen belang heeft gesteld (en onderbouwd) dat reden kan zijn voor opheffing van het beslag op de ervenrekening. In de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan deze procedure verzoekt hij slechts om opheffing van het beslag op zijn privérekeningen waarbij hij bovendien voorstelt het beslag op de ervenrekening te handhaven als vorm van zekerheid.

4.4.

Met betrekking tot het beslag op de privérekeningen van [naam eiser] wordt het volgende overwogen. Er is verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag onder de in randnummer 18 van het beslagrekest genoemde schuldenaar. Daarin wordt als schuldenaar vermeld: ABN, “bij welke bank erflater althans gerekwestreerde zelf één of meerdere bankrekeningen aanhoudt”. Anders dan [naam gedaagde] meent, strekt het verlof zich niet uit tot het leggen van beslag op de privérekeningen van [naam eiser] . Blijkens de aanhef is het beslagrekest immers gericht tegen [naam eiser] en niet tegen hem in persoon. In het rekest is ook geen grondslag voor beslaglegging ten laste van [naam eiser] in privé gesteld en evenmin een zelfstandige vordering jegens hem geformuleerd. Er wordt immers alleen maar verzocht “om op de nalatenschap van erflater verhaalsbeslag te mogen leggen”. Daarbij moet worden opgemerkt dat de aanhef van het rekest niet in helderheid uitblinkt. De naam van [naam eiser] (in hoofdletters en vetgedrukt) wordt eerst gevolgd door zijn adresgegevens en pas daarna door de hoedanigheid waarin hij in rechte wordt betrokken (in kleine letters en niet vet gedrukt). Bovendien is in het beslagexploot vermeld dat er conservatoir beslag wordt gelegd ten laste van [naam eiser] , onder expliciete vermelding van het rekeningnummer van de ervenrekening. Het verlof tot het leggen van beslag strekte zich dan ook niet uit tot de privérekeningen van [naam eiser] . Dat brengt met zich dat [naam gedaagde] op onrechtmatige wijze beslag heeft gelegd op diens privérekeningen, en dat beslag vervolgens, na op de onrechtmatigheid te zijn gewezen, heeft gehandhaafd. Dat is reden om dat beslag op te laten heffen.

4.5.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld zijn. In beginsel geldt dan als uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd. In dit geval ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding om daarvan af te wijken.

4.6.

Vooropgesteld wordt dat [naam gedaagde] , zoals hiervoor al overwogen, onrechtmatig beslag heeft gelegd op de privérekeningen van [naam eiser] . Voor dat beslag was geen verlof verleend. [naam gedaagde] heeft bovendien, ondanks herhaalde mededeling dat beslag was gelegd op de privérekeningen, hardnekkig geweigerd om dat beslag op te heffen. Daarbij is relevant dat in de namens [naam gedaagde] gestuurde e-mails het onhoudbare en ongefundeerde standpunt wordt ingenomen dat een beslag op de ervenrekening onvoldoende is en hij – blijkbaar – recht meent te hebben op meer zekerheid zonder verlof te hebben gevraagd en verkregen voor beslag ten laste van [naam eiser] zelf.

Voorts is van belang dat [naam gedaagde] pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling het standpunt heeft ingenomen dat er geen beslag ligt op de ervenrekening en dat hij eraan twijfelt of die rekening nog bestaat. Dit standpunt is verrassend omdat uit de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan de procedure volgt dat tussen hen niet in geschil was dat sprake was van een beslag op de ervenrekening. Zo wordt in de namens [naam gedaagde] op 25 juni en 12 november 2020 gestuurde e-mails nog meegedeeld dat onduidelijk is of het beslag op de ervenrekening zijn volledige vordering dekt, respectievelijk dat het beslag op de ervenrekening onvoldoende was om als zekerheid te dienen. Nu dit al die tijd blijkbaar niet in geschil was, en gezien de tekst van het beslagrekest, mocht [naam eiser] uitgaan van het bestaan van dat beslag en is verklaarbaar dat [naam eiser] geen stukken heeft overgelegd, waaruit van dat beslag blijkt. Wanneer [naam gedaagde] dit standpunt eerder had ingenomen, had [naam eiser] naar verwachting op dit punt nader onderzoek gedaan en had hij ofwel daarvan bewijsstukken overgelegd dan wel de vordering tot opheffing van dat beslag achterwege gelaten.

Verder is het merkwaardig dat [naam gedaagde] naar aanleiding van de derdenverklaring van ABN geen vragen heeft gesteld. Zowel in het beslagrekest als in het beslagexploot is immers het nummer van de (vermeende of bestaande) ervenrekening expliciet vermeld. De deurwaarder heeft (kennelijk) twee derdenverklaringen van ABN ontvangen en uit geen van die verklaringen bleek dat de ervenrekening, althans de rekening met het in het beslagrekest vermelde rekeningnummer, was beslagen. Daarbij is van belang dat [naam eiser] kort vóór het afgeven van de eerste derdenverklaring al aan [naam gedaagde] had medegedeeld dat de ervenrekening was beslagen. De voorzieningenrechter wil niet uitsluiten dat (de inrichting van) het beslagrekest de deurwaarder of ABN op het verkeerde been heeft gezet, maar van [naam gedaagde] mocht, gelet op het voorgaande, enige actie worden verwacht. Dat op dit moment niet vast te stellen is wat de status van de ervenrekening is, is dan ook deels te wijten aan [naam gedaagde] zelf.

4.7.

Dit alles tezamen kan niet anders dan als onrechtmatig handelen van [naam gedaagde] worden aangemerkt. Met zijn handelwijze heeft hij [naam eiser] in feite gedwongen een procedure te beginnen die niet nodig was. Dat leidt ertoe dat [naam gedaagde] wordt veroordeeld in de daadwerkelijke kosten aan de zijde van [naam eiser] . Dat [naam eiser] in dit kort geding ook opheffing van het beslag op de ervenrekening heeft gevorderd, terwijl uit de correspondentie volgt dat hij bereid was dat te laten liggen, doet hieraan onvoldoende af.

4.8.

[naam eiser] heeft ter zitting een onderbouwde specificatie overgelegd van de door hem gemaakte deurwaarders- en advocaatkosten. [naam gedaagde] heeft daar inhoudelijk niet op gereageerd. De kosten komen de voorzieningenrechter ook niet onredelijk voor, zodat daarvan wordt uitgegaan. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:

- deurwaarderskosten € 146,73

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 4.184,18

Totaal € 4.634,91

4.9.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] binnen 2 werkdagen na betekening van dit vonnis het beslag op de privérekeningen en het effectendepot van [naam eiser] zoals omschreven in de derdenverklaring van ABN van 3 juli 2020 op te heffen;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de daadwerkelijke proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 4.634,91;

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

2091 / 2009