Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11767

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
10/217293-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander bijna zes kilo cocaïne en versnijdingsmiddelen aanwezig gehad in een woning. Woning kennelijk bestemd voor opslag en bewerken van harddrugs. Rechtmatigheid binnentreden woning. Motivering wetenschap en machtssfeer. Gevangenisstraf 23 maanden onvoorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/217293-20

Datum uitspraak: 15 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) in 1963,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de P.I. Dordrecht te Dordrecht,

raadsvrouw mr. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëntwintig maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 27 augustus 2020 omstreeks 17.45 uur werd door de politie binnengetreden in de woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam. In de woning werden twee personen aangetroffen, die later bleken te zijn genaamd [naam verdachte] (hierna: verdachte) en [naam medeverdachte] (hierna: medeverdachte). In de keuken van de woning werden verschillende materialen aangetroffen welke bestemd zijn en gebruikt worden voor het versnijden van verdovende middelen. Tevens werden in de keuken hoeveelheden stof in poedervorm en geperste blokken aangetroffen. Bij later onderzoek bleek het te gaan om bijna zes kilo cocaïne en diverse versnijdingsmiddelen met een totaal gewicht van bijna vier kilo. De woning werd ten tijde van het binnentreden gehuurd en bewoond door de verdachte.

Rechtmatigheid binnentreden woning

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Daartoe is primair aangevoerd dat het binnentreden van de woning van de verdachte en de inbeslagneming van de drugs en de andere stoffen en voorwerpen onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden. Samengevat heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de informatie op basis waarvan de machtiging tot binnentreden is verleend, onvoldoende basis vormde voor een redelijk vermoeden van schuld, omdat deze onjuist, onvolledig en daardoor suggestief, en – mogelijk – oud was. Het had inzichtelijk moeten worden gemaakt hoe en waarom de politie bij de woning van de verdachte op nummer [huisnummer] is uitgekomen.

Beoordeling

Het dossier bevat een ambtsedig proces-verbaal gedateerd 26 augustus 2020 waarin door de politie is gerelateerd dat bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de Eenheid Rotterdam recent via één informant de volgende informatie is binnengekomen: “Een woning aan de [adres] in Rotterdam wordt gebruikt als stashpand om kilo’s harddrugs te bewaren”. Uit het proces-verbaal volgt verder dat er geen oordeel kon worden gegeven over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie. Vermeld is ten slotte dat uit onderzoek is gebleken dat met de woning werd bedoeld [adres verdachte] te Rotterdam, op welk adres stond ingeschreven: [naam verdachte] (de verdachte). Deze informatie is op 26 augustus 2020 door het TCI overgedragen aan de operationele afdeling van de politie.1

Op 27 augustus 2020 heeft [naam persoon] , inspecteur van Politie Rotterdam-Rijnmond,

aangewezen als hulpofficier van justitie, een machtiging afgegeven tot binnentreden in de woning van de verdachte.2

Op 27 augustus 2020 heeft de rechter-commissaris mondeling de beslissing genomen tot doorzoeking van de woning aan de [adres verdachte] te Rotterdam. De aanvraag tot doorzoeking bevat daartoe de de navolgende informatie. In het bedrijfsprocessensysteem van de politie is opgenomen dat in 2016 een doorzoeking van de [adres verdachte] te Rotterdam heeft plaatsgevonden en dat er toen een aanzienlijke hoeveelheid paracetamol was aangetroffen. De informatie was toen dat er een versnijdingspand op dat adres was gevestigd. Tevens kwam uit het systeem naar voren dat de verdachte in 2017 was aangehouden voor het bezit van verdovende middelen.3 Dat deze mutaties beknopt zijn weergegeven impliceert – anders dan door de verdediging is gesteld – niet dat de inhoud daarvan onjuist is vermeld, wat valt op te maken uit het aanvullend proces-verbaal van de politie van 30 november 2020.4

De vraag of de politie op basis van voormelde informatie redelijkerwijs heeft kunnen vermoeden dat in de woning van de verdachte verdovende middelen aanwezig waren, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De informatie zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van het TCI is daartoe voldoende concreet en specifiek. Voor de stelling van de verdachte dat het mogelijk ging om oude informatie, ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt.

Het enkele feit dat de bron van de politie kennelijk huisnummer [huisnummer] heeft genoemd doet aan voormeld oordeel niet af, nu blijkens het proces-verbaal van het TCI vervolgens uit onderzoek van de politie is gebleken dat het moest gaan om nummer [huisnummer] , zijnde de woning van de verdachte. Dat geen oordeel kon worden gegeven over de betrouwbaarheid van de melding doet daar evenmin aan af, te meer nu uit de aanvraag tot doorzoeking volgt dat nader onderzoek heeft plaatsgevonden in het bedrijfsprocessensysteem van de politie waaruit naar voren kwam dat zowel de verdachte als diens woning eerder met verdovende middelen in verband zijn gebracht.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de politie, voorzien van een schriftelijke machtiging tot binnentreden, gerechtigd was de woning van de verdachte te betreden en, na tussenkomst van de rechter-commissaris, tot doorzoeking ter inbeslagneming over te gaan. Van een vormverzuim is geen sprake. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Voorhanden hebben van de verdovende middelen

Standpunt verdediging

Subsidiair is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en de overige ten laste gelegde voorwerpen in zijn woning en dat hij ook geen beschikkingsmacht hierover heeft gehad, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte deze stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad.

De verdachte wist niet dat in zijn woning cocaïne lag. Evenmin was hij op de hoogte van de aanwezigheid van de overige stoffen en voorwerpen die daar zijn aangetroffen. Hij bevond zich in de woonkamer toen de politie binnenviel en wist niet wat zich in de keuken afspeelde. Alleen de andere persoon die ook is aangehouden bevond zich in de keuken. Die persoon was kort daarvoor met een ander meegekomen en zij hadden twee rugzakken en twee afvalzakken bij zich. Toen zij in de keuken bezig waren, mocht de verdachte daar niet komen. Toen deze personen binnenkwamen, is de verdachte naar buiten gegaan om in een café iets te gaan drinken. Kort voor de inval door de politie was hij weer binnengekomen. De verdachte had de door de politie aangetroffen drukpers nooit gezien. In de telefoons van de verdachte is geen drugsgerelateerde informatie aangetroffen. Er is geen sporenonderzoek gedaan op de aangetroffen verdovende middelen en voorwerpen. De verdachte dient dan ook bij gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken.

Beoordeling

Feit 1

De omstandigheid dat er in de woning van de verdachte – waarin de verdachte ook op heterdaad is aangehouden – openlijk zichtbaar cocaïne is aangetroffen, wijst er in beginsel op dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die cocaïne. Dat kan anders zijn indien de verdachte daarvoor een andere, plausibele verklaring geeft. Dat heeft de verdachte niet gedaan.

Uit het dossier blijkt dat de keuken van de woning feitelijk was ingericht en in gebruik was als versnijdingsruimte. Toen de politie de keuken betrad lagen in de keuken her en der verspreid brokken cocaïne en zakken/potten met versnijdingsmiddelen. Er stond een zeer zware drukpers met daarin een metalen mal gevuld met wit poeder. Ook lagen er diverse persblokken.. Op een tafel lagen onder meer een weegschaal en meerdere blokken en plastic zakken met wit poeder. Ook lag er een lepel met witte restanten op een tafel. Verder lag er wit poeder op het aanrecht. De aangetroffen situatie verdraagt zich niet met de verklaring van de verdachte dat deze spullen kort daarvoor in de keuken waren neergelegd of neergezet. De verklaring van verdachte is daarnaast niet te rijmen met het feit dat op de dag voor de doorzoeking al door de politie is geverbaliseerd dat er een melding was binnengekomen dat het pand in gebruik was als stashpand.

De verklaring van de verdachte is ook op andere punten onlogisch en vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Zo heeft de verdachte nauwelijks informatie willen of kunnen geven over de andere persoon die beweerdelijk de goederen zijn woning heeft binnengebracht. Ook heeft hij geen afdoende verklaring gegeven waarom hij - naar eigen zeggen - zelf zijn woning heeft verlaten en heeft toegestaan dat buiten zijn zicht door een hem onbekende persoon (dubieuze) activiteiten in zijn keuken werden verricht, nota bene terwijl hij volgens zijn eigen verklaring door een eerder vergelijkbaar incident daarvoor was gewaarschuwd.

Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, vindt de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij niet wist van de aangetroffen verdovende middelen (en de voorwerpen ten behoeve van het bewerken etc. daarvan) niet geloofwaardig en komt zij tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne en de andere stoffen en voorwerpen in zijn woning.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte (en de medeverdachte) hebben bevonden. Daartoe is redengevend dat de verdovende middelen zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, in een ruimte die blijkens zijn verklaring door hem werd gebruikt (en waar – gelet op de in de keuken aangetroffen telefoon van de medeverdachte – ook de medeverdachte aanwezig was geweest) en dat de verdachte en de medeverdachte bij hun aanhouding in de nabijheid van de verdovende middelen verkeerden (zij zijn aangetroffen in de ruimte tussen de keuken en de woonkamer).

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank tevens dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne bewezen.

Wat betreft het impliciet primair ten laste gelegde telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen wie zich hiermee heeft/hebben beziggehouden, zodat de verdachte van deze onderdelen zal worden vrijgesproken.

Feit 2

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank tevens van oordeel dat de verdachte met een ander diverse voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, terwijl hij – gelet op de omstandigheden waaronder deze voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen – wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die bestemd waren voor het bewerken van en de handel in verdovende middelen.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte samen met een ander opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad en tevens een aantal stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad, die dienen ter voorbereiding van een Opiumwetmisdrijf.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair)

hij op 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5930,8 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2 ( primair)

hij op 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander, om een feit, bedoeld in het vierde

lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen

onder meer een (druk)pers en meerdere persblokken en een perslogo

en een weegschaal en een mixer en een masker en

verpakkingsmaterialen en een grote hoeveelheid fenacetine en inositol en

boorzuur en maiszetmeel,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader

wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd

waren tot het plegen van dat feit.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet, gegeven verbod;

2. primair

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is samen met een ander aangetroffen in een woning die gebruikt werd voor de opslag en het bewerken van harddrugs. Deze woning werd gehuurd en bewoond door de verdachte. De verdachten hebben bijna zes kilo cocaïne voorhanden gehad, een grote hoeveelheid die kennelijk bestemd was voor de handel. Ook de in de woning aangetroffen voorwerpen en versnijdingsmiddelen wijzen hierop.

Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit. Het gebruik ervan gaat ook vaak gepaard met het plegen van strafbare feiten en overlast voor de samenleving. De verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen en dat neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten vindt de rechtbank enkel het opleggen van een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De eis van de officier van justitie past hierbij en de rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van drieëntwintig maanden passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen telefoons aan hem terug te geven en zijn schoenen verbeurd te verklaren.

Beoordeling

De in beslag genomen schoenen voldoen niet aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal dan ook gelasten dat de schoenen worden teruggegeven aan de verdachte. Tevens zullen de inbeslaggenomen telefoons aan de verdachte moeten worden teruggegeven.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen als volgt:
gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1 telefoon, merk Samsung, kleur blauw;

- 1 telefoon, merk Nokia, kleur blauw;

- 1 telefoon, merk Nokia, kleur zwart;
- schoeisel (schoen, 2 stuks), een paar witte schoenen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter,

en mrs. S. van der Burgh en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5930.8 gram, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en/of een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) op of

omstreeks 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5930.8 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij en/of tot voornoemd misdrijf hij

verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is/zijn

geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft/hebben verschaft door

de woning gelegen aan de [adres verdachte] te Rotterdam aan die [naam medeverdachte] en/of

een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen;

2

hij op of omstreeks 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde

lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen

onder meer een (druk)pers en/of een of meerdere persblokken en/of een perslogo

en/of een weegschaal en/of een pomp en/of een mixer en/of een masker en/of

verpakkingsmaterialen en/of een grote hoeveelheid fenacetine en/of inositol en/of

boorzuur en/of maiszetmeel,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam medeverdachte] en/of een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) op of

omstreeks 27 augustus 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van

artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het

grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid cocaïne, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen onder meer een (druk)pers en/of een of meerdere persblokken en/of

een perslogo en/of een weegschaal en/of een pomp en/of een mixer en/of een

masker en/of verpakkingsmaterialen en/of een grote hoeveelheid fenacetine en/of

inositol en/of boorzuur en/of maiszetmeel,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), bij en/of tot voornoemd misdrijf hij

verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk behulpzaam is/zijn

geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft/hebben verschaft door

de woning gelegen aan de [adres verdachte] te Rotterdam aan die [naam medeverdachte] en/of

een of meer tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en) ter beschikking te stellen.

1 TCI proces-verbaal, nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina 122 in het doorgenummerde zaaksdossier.

2 Machtiging tot binnentreden in een woning, pagina 185.

3 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking, nummer [nummer proces-verbaal 2] , pagina 123.

4 Proces-verbaal, nummer [nummer proces-verbaal 2] .