Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11757

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
C/10/577104 / FA RK 19-5639
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoeken vader tot vernietiging erkenning, vervangende toestemming erkenning, beëindiging voogdij (van tante minderjarige), het ouderlijk gezag en wijziging hoofdverblijf minderjarige (naar Paramaribo, Suriname) worden toegewezen.

De minderjarige is voor de geboorte erkend. De moeder is kort na de geboorte van de minderjarige overleden. De zus van de moeder heeft de minderjarige in haar gezin opgenomen en is benoemd tot voogdes over de minderjarige.

De vader woont met zijn gezin in Paramaribo, Suriname. Partijen hebben met name een geschil over het ouderlijk gezag en de wijziging van het hoofdverblijf.

Vaststaat dat de minderjarige een volle zus en broer heeft in Suriname en dat zij hun moeder vanuit Suriname hoogzwanger hebben zien vertrekken naar Nederland..

Hieruit volgt een belang voor de ontwikkeling van de minderjarige, van zijn broer en van zijn zus om met elkaar herenigd te worden en om samen op te groeien.

De bezwaren van de tante zijn niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/577104 / FA RK 19-5639

Beschikking van 27 november 2020 betreffende vervangende toestemming voor erkenning/het ouderlijk gezag

in de zaak van:

[naam vader] , de vader,

wonende te [woonplaats vader] , [land vader] ,

advocaat mr. M. Veken te Rotterdam.

In deze zaak zijn belanghebbenden:

[naam juridische vader] , hierna: [naam juridische vader] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

en

[naam tante] , de tante,

wonende in [land] ,

advocaat mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. A.C. van Seventer, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2020;

- de (herstel)beschikking van deze rechtbank van 26 februari 2020;

  • -

    het deskundigenbericht van 24 juli 2020;

  • -

    de brieven van de zijde van de vader van 30 juli 2020 en 27 oktober 2020 (met bijlagen);

  • -

    de brieven van de zijde van de tante van 10 augustus 2020, 26 oktober 2020 (met een bijlage) en 29 oktober 2020 (met een bijlage);

  • -

    de brief van de zijde van de bijzonder curator van 22 oktober 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 november 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de advocaat van de vader;

  • -

    de tante, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

De vader is gehoord via beeld- en geluidsverbinding. [naam juridische vader] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1.

De vader en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op 27 december 2018 is te [geboorteplaats minderjarige] , [land] , uit [naam vrouw] (hierna: de vrouw) geboren:

[naam minderjarige] , hierna te noemen de minderjarige.

2.3.

[naam juridische vader] heeft de minderjarige erkend voordat de minderjarige werd geboren.

2.4.

De vrouw is op 4 februari 2019 te Leuven, België, overleden.

2.5.

Bij beschikking van 23 april 2019 is de tante benoemd tot voogdes over de minderjarige.

2.6.

De tante, [naam juridische vader] en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Surinaamse nationaliteit.

2.7.

De tante is tijdens de procedure met de minderjarige verhuisd naar België.

3. De verdere beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 11 februari 2020 heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen en is behandeling van de zaak in afwachting daarvan aangehouden. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat is opgenomen in die beschikking.

3.2.

Volgens het deskundigenbericht van dr. [naam deskundige] van 24 juli 2020 is het verwantschapsonderzoek positief in die zin, dat het praktisch bewezen is dat de vader de biologische vader is van de minderjarige. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de vader de verwekker is van de minderjarige.

3.3.

Omdat de minderjarige ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en de Nederlandse nationaliteit bezit, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Rv bevoegd van de verzoeken kennis te nemen.

3.4.

Vernietiging erkenning

3.4.1.

De bijzondere curator verzoekt namens de minderjarige de erkenning van de minderjarige door de juridische vader ( [naam juridische vader] ) te vernietigen. De bijzondere curator voert aan dat uit de gevoerde gespreken met belanghebbenden is gebleken dat haar onderhavige verzoek in het belang van de minderjarige is.

3.4.2.

Op grond van artikel 1:205 lid 1a en lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning op grond van het feit dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind, binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de juridische vader vermoedelijk niet de biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

3.4.3.

[naam juridische vader] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de bijzondere curator.

3.4.4.

Gelet op voormeld deskundigenbericht van 24 juli 2020 en het advies van de raad om het verzoek toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

3.5.

Vervangende toestemming erkenning

3.5.1.

Het verzoek strekt tot het aan de vader verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3.5.2.

Op grond van artikel 10:95 lid 1 BW is het recht van de staat waarvan de vader de nationaliteit bezit van toepassing op de vraag of de vader bevoegd is tot erkenning van de minderjarigen, alsmede op de voorwaarden voor erkenning.

De vader heeft de Surinaamse nationaliteit. Op grond van het recht van Suriname, met name de artikelen 335 en 336 van het Burgerlijk Wetboek van Suriname (hierna: SBW), kan de vader een minderjarig kind erkennen als:

  • -

    de erkenning niet het gevolg is van dwang, dwaling of bedrog;

  • -

    de erkenner de leeftijd heeft van 18 jaar bereikt en ongehuwd is;

  • -

    er geen beletselen zijn in de zin van artikel 83 en 84 SBW (verwantschap tussen de ouders).

3.6.

Op grond van de inhoud van de stukken en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichtingen is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de vereisten die het recht van Suriname stelt aan de bevoegdheid van de vader en aan de voorwaarden voor erkenning. De vader kan de minderjarige erkennen.

De rechtbank kan naar analoge toepassing van artikel 336 SBW toestemming verlenen tot erkenning als de moeder daartoe niet in staat is. De moeder is daartoe niet in staat. De rechtbank zal het verzoek van de vader toewijzen.

3.6.1.

De beslissing inzake de vervangende toestemming voor erkenning zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, aangezien de persoon aan wie de vervangende toestemming tot erkenning is verleend, pas kan erkennen op het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

3.7.

Beëindiging voogdij, ouderlijk gezag, hoofdverblijf minderjarige

3.7.1.

Artikel 16 lid 1 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 knoopt aan bij het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Volgens lid 3 van dit artikel blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat, zodat voorliggende verzoeken worden beheerst door Nederlands recht.

3.7.2.

Tussen partijen is in geschil of de minderjarige na het onverwacht overlijden van zijn moeder op 4 februari 2019 verder moet opgroeien bij zijn vader in Suriname of bij zijn tante in (eerst Nederland en nu) België.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een kind het beste kan opgroeien bij zijn ouders, en als een van hen overlijdt, bij de overgebleven ouder. Dit uitgangspunt strookt met boek 1 BW waarin bijvoorbeeld in beginsel aan de ouder(s) wordt toegekend het gezag, wat de plicht inhoudt tot verzorging en opvoeding, de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Zie onder andere 1:245, 247 en 251 BW. Gelet op dit uitgangspunt rust op de tante de plicht om haar standpunt te onderbouwen dat er reden is om hiervan af te wijken. Zij slaagt hierin niet.

3.7.3.

In het algemeen onderbouwt de tante niet dat het voor een kind het meest in zijn belang is om, na een of twee jaar, te blijven wonen bij wie het kind tot die tijd heeft gewoond. De tante verwijst hiervoor niet naar literatuur of andere bronnen. De raad neemt een dergelijk standpunt ook niet in. De juistheid van die stelling is de rechtbank evenmin ambtshalve bekend. Daarmee is de enkele omstandigheid dat de minderjarige tot dusver bij zijn tante is opgegroeid, geen grond voor het oordeel dat hij bij haar moet blijven wonen.

3.7.4.

De tante onderbouwt verder onvoldoende, gelet op de weerspreking door de vader, dat het juist voor de minderjarige wel het meest in zijn belang is om na een, bijna twee jaar te blijven wonen bij haar.

Niet komt vast te staan dat de vader ongeschikt is om voor de minderjarige te zorgen, hem op te voeden en de bijkomende verantwoordelijkheden te dragen. Desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling legt de tante voor de gestelde criminele activiteiten van de vader alleen een verband tussen de erkenning door de vader en het verkrijgen van onroerend goed in Suriname waarvoor van belang zou zijn dat de man de vader is van de minderjarige. Uit alleen het kunnen verkrijgen van onroerend goed volgt niet een ongeschiktheid als vader. De tante stelt verder niet dat de vader ongeschikt is als ouder.

Wel komt vast te staan dat de minderjarige een volle zus ( [naam zus minderjarige] ) en broer ( [naam broer minderjarige] ) heeft in Suriname en dat zij hun moeder vanuit Suriname hebben zien vertrekken met in haar buik een baby (de minderjarige). Hieruit volgt voor de rechtbank een belang voor de ontwikkeling van de minderjarige, van zijn broer en van zijn zus om met elkaar herenigd te worden en om samen op te groeien. De tante maakt niet inzichtelijk wat de waarde is die zij hieraan toekent en hoe zij dit betrekt in haar standpunt.

3.7.5.

Het voormelde is de motivering voor het oordeel dat de minderjarige verder zal opgroeien bij zijn vader. De verzoeken die daarmee samenhangen, het ouderlijk gezag voor de vader en beëindiging van de voogdij van de tante, zal de rechtbank toewijzen onder de voorwaarde dat de erkenning zal zijn ingeschreven van de minderjarige door de vader. De vader heeft dan alleen het gezag over de minderjarige en kan zelf de hoofdverblijfplaats vaststellen bij hem.

3.7.6.

Ten overvloede vermeldt de rechtbank dat er redenen zijn tot zorg over het opgroeien van de minderjarige bij de tante. Het is in het belang van de minderjarige dat een procedure als deze niet langer duurt dan strikt genomen noodzakelijk. De vrouw heeft dit belemmerd door niet direct haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek. Daarbij is het in het belang van de minderjarige dat hij weet van wie hij afstamt. De raad heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook benadrukt. Desondanks is gesteld en niet weersproken dat de tante de minderjarige haarzelf mama laat noemen en, ook na de uitkomst van het DNA-onderzoek, de heer [naam juridische vader] papa laat noemen. Het is belangrijk voor de minderjarige dat de tante hem voorbereidt op de hereniging met zijn vader, zijn zus en broer, op zijn toekomst in Suriname en dat zij omgang met de vader vooruitlopend op het vertrek naar Suriname verbaal en non verbaal zo goed als zij kan, zal ondersteunen.

3.8.

Voorlopige voogdij

3.8.1.

Afgezien van het feit dat de vader een verzoek tot voorlopige of tijdelijke voogdij alleen mondeling en pas tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan, komen geen feiten vast te staan waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten die de wet daarvoor stelt in bijvoorbeeld artikel 1:241, 296, 297 BW.

De vader zal het gezag verkrijgen nadat de erkenning is ingeschreven. Die inschrijving is mogelijk na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking. Dat betreft een periode van drie maanden na heden. In die periode kan de vader zijn plan uitvoeren om verlof te vragen van zijn werk, naar België te gaan, omgang te hebben met de minderjarige, zodat de minderjarige kan wennen aan zijn vader en aansluitend mee kan gaan naar Suriname.

3.9.

Proceskosten

3.9.1.

Over het betalen van de kosten voor het DNA-onderzoek oordeelt de rechtbank als volgt. De vader stelt onweersproken dat hij al voordat hij een procedure is gestart, heeft gevraagd aan de tante om mee te werken aan een DNA-onderzoek en dat de tante (en [naam juridische vader] , de juridische vader) daartoe niet bereid was (waren). In deze procedure heeft de tante eerst het standpunt ingenomen dat een DNA-onderzoek niet nodig is en heeft zij haar medewerking daaraan niet verleend. Zij was er zeker van dat de vader de biologische vader niet kon zijn, ook al was zij in elk geval niet zelf aanwezig bij de conceptie. Deze houding van de tante tegenover een DNA-onderzoek en het feit dat het standpunt van de tante onjuist is gebleken, rechtvaardigen dat de tante de kosten van het onderzoek betaalt.

3.9.2.

Voor de overige kosten van de procedure neemt de rechtbank in aanmerking dat ook deze zaak een geschil betreft waarbij de familierechtelijke banden een belangrijke rol spelen. Daarbij werden beide partijen geconfronteerd met het onverwacht overlijden van een voor hen belangrijk persoon, terwijl partijen zelf met elkaar geen goede band hebben. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank voor de overige kosten geen reden om af te wijken van het uitgangspunt om de kosten van een procedure te compenseren bij zaken waarin de familierechtelijke banden een belangrijke rol spelen.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

vernietigt de erkenning van de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2018 te [geboorteplaats minderjarige] , [land] door [naam juridische vader],

4.2.

verleent de vader, [naam vader], geboren op [geboortedatum vader] , [geboorteplaats vader] , [geboorteland vader] , vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarige;

4.3.

ontslaat de tante, [naam tante], met ingang van de datum waarop de erkenning zal zijn ingeschreven van de minderjarige door de vader, als voogd van de minderjarige;

4.4.

bepaalt dat de vader, met ingang van de datum waarop de erkenning zal zijn ingeschreven van de minderjarige door de vader, is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige;

4.5.

veroordeelt de tante tot het betalen van de kosten van het deskundigenbericht, zijnde een bedrag van € 960,-, binnen twee weken na de datum van ontvangst van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

4.6.

verklaart deze beschikking, behalve voor de vervangende toestemming zoals vermeld onder 4.2., uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

compenseert de proceskosten voor het overige, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Naujoks, op 27 november 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.