Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11750

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
ROT 19/4132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Afwijzing interne sollicitatie. Bij verweerder geldt op het gebied van opleiding een onderscheid in niveau, bachelor of master, en in oriëntatie, beroepsgericht (hbo) of onderzoeksgericht (wo). Eiser voldoet met zijn hbo-masteropleiding niet aan de gevraagde wo-masteropleiding.

Beroep op vertrouwensbeginsel. Uit de uitnodiging voor een matchgesprek en de mededeling van een selectiecommissie kan geen toezegging worden afgeleid dat eiser met zijn opleiding aan de functie-eisen voldoet. Deze toezegging kan wel worden afgeleid uit een aan eiser gericht e-mailbericht. Verweerder hoeft daaraan niet te voldoen, omdat de indeling in groepsfuncties met bijbehorende opleidingseisen, als onderdeel van verweerders vrijheid bij het inrichting van zijn organisatie, een zwaarder wegend belang is.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/4132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

gemachtigde: mr. G.E.M. van Brenk.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet aan de functie-eisen voor de I-functie van Fiscalist voldoet en dat hij niet wordt geplaatst.

Bij besluit van 18 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is werkzaam bij de Belastingdienst, directie Midden- en Kleinbedrijf.

2

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aan alle eisen voldoet, omdat hij niet over een wo-masterdiploma beschikt. Ook is er geen krapte op de arbeidsmarkt of een risico voor de continuïteit van de bedrijfsvoering en zijn de aangenomen kandidaten geschikter. Verder is er geen strijd met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Functie-eisen

3

3.1

Eiser betoogt dat de opleidingseis ‘wo-master fiscaal recht of fiscale economie’ niet op hem van toepassing is door zijn status als interne kandidaat, dat uit de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB) blijkt dat interne kandidaten aan de vooropleidingseis hebben voldaan als zij een opleiding op gelijk niveau met goed gevolg hebben afgerond en dat verweerder geen verder discretionaire bevoegdheid toekomt dan de in de PUB genoemde functie-eisen.
De rechtbank overweegt als volgt.

3.2

In artikel 9, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bepaald dat een aanstelling voor langer dan drie maanden slechts kan plaatsvinden als het bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover het beschikt van oordeel is dat de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie. In het tweede lid van dit artikel is de bevoegdheid opgenomen dat het bevoegd gezag voor een bepaalde functie of voor een groep functies eisen van geschikt- en bekwaamheid kan vaststellen waaraan moet worden voldaan om voor een aanstelling in aanmerking te komen.

Onder 2.9 van de PUB is voor interne verticale kandidaten bepaald dat zij aan het gestelde opleidingsniveau moeten voldoen, aantoonbaar met een diploma. Deze kandidaten hoeven niet aan de opleidingsrichting te voldoen, behalve bij een beschermde titel.

Uit de memo ‘voorstel bachelor-masterstructuur’ (memo) blijkt dat bij verweerder op het gebied van opleiding een onderscheid moet worden gemaakt in niveau, bachelor of master, en in oriëntatie, beroepsgericht (hbo) of onderzoeksgericht (wo).

3.3

In tegenstelling tot wat eiser betoogt is de PUB is geen voortvloeisel van de in artikel 9, tweede lid, van het ARAR bedoelde discretionaire bevoegdheid, maar is daarin het bij verweerder geldende werving- en selectiebeleid uitgewerkt.
Verweerder heeft deze bevoegdheid gebruikt om aan de I-functie van Fiscalist de functie-eis ‘wo-masterdiploma fiscaal recht of fiscale economie’ te verbinden.
De rechtbank ziet niet in waarom verweerder deze functie-eis niet had mogen stellen. Verder heeft verweerder onbetwist gesteld dat de memo op het intranet is gepubliceerd en voor alle medewerkers toegankelijk is. Verweerder mag zich daarop dan ook beroepen.

3.4

Partijen verschillen niet van mening dat eiser geen wo-masterdiploma heeft. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser niet aan de voor de I-functie van Fiscalist geldende functie-eisen voldoet. Dat eiser wel een hbo-masterdiploma heeft, maakt dat niet anders. Ondanks dat het niveau van eisers opleiding en van de gevraagde opleiding gelijk is, namelijk masterniveau, is de oriëntatie van de masteropleiding verschillend, namelijk beroepsgericht (eisers opleiding) en onderzoeksgericht (de gevraagde wo-masteropleiding).

Toezegging

4

4.1

Eiser betoogt dat bij hem de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat zijn vooropleiding aan de voor de I-functie van Fiscalist behorende functie-eisen voldoet.

4.2

De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in 2019 een nieuw stappenplan heeft uiteengezet voor het toetsen van een beroep op het vertrouwensbeginsel en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich bij dit stappenplan aangesloten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, en de uitspraken van de CRvB van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559 en 13 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1844).

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moeten – kort samengevat, voor zover relevant – de volgende stappen worden gezet:

Stap 1

Als eerste moet de vraag worden beantwoord of de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

Stap 2

Als tweede moet de vraag worden beantwoord of de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.

Stap 3

Is er sprake van een gerechtvaardigde verwachting, dan moet de vraag worden beantwoord of er zwaarder wegende belangen zijn, zoals strijd met de wet, het algemeen belang of belangen van derden, die er aan in de weg staan dat aan de gerechtvaardigde verwachting moet worden voldaan.

Uitnodiging matchgesprek

4.3

Dat eiser voor een matchgesprek is uitgenodigd kan niet worden opgevat als een toezegging dat eiser aan de functie-eisen voldeed. Eiser heeft in dat kader wel verwezen naar een passage uit de PUB waaruit blijkt dat hij niet in het selectietraject zou zijn meegenomen als hij niet aan de functie-eisen voldeed. De PUB waaruit deze passage afkomstig is, gold echter al niet meer toen eiser zijn belangstelling kenbaar maakte.

De versie van de PUB, die wel van toepassing was, bevat geen vergelijkbare bepaling.

E-mailbericht teamleider Shared Service Organisatie, Organisatie en Personeel (SSO O&P)

4.4

Het e-mailbericht van 20 december 2018 van [naam 1] , teamleider SSO O&P, aan de leidinggevende van eiser, [naam 2] , welk bericht door de leidinggevende van eiser op 21 december 2018 aan eiser is doorgezonden, vat de rechtbank op als een uitlating waaraan eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij met zijn vooropleiding aan de functie-eisen voor de I-functie voldeed.

In dit e-mailbericht van 20 december 2018 staat immers duidelijk: “De opleiding is akkoord bevonden voor deze vacature”. Hierbij merkt de teamleider SSO O&P zelfs op dat daarover twijfel bestond, omdat eisers opleiding een Hbo-master betreft. Dat dit e-mailbericht eiser niet rechtstreeks maar via zijn eigen teamleider heeft bereikt, maakt dat niet anders.

De mededeling heeft eiser immers met een specifiek aan hem gericht e-mailbericht bereikt. Daarnaast blijkt uit het e-mailbericht van 20 december 2018 van de teamleider SSO O&P dat naar aanleiding van het akkoord bevinden van eisers opleiding vanuit SSO O&P contact met hem wordt opgenomen. Hiermee is aan stap 1 voldaan.

4.5

Ook aan stap 2 is voldaan. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de CRvB van 9 augustus 2018 (ECLI:CRVB:2018:2470) maakt dat niet anders. Uit de onder 4.2 genoemde recentere rechtspraak blijkt onder meer dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen algemene mededelingen (zoals in de door verweerder aangehaalde uitspraak) en de specifiek op de persoon gerichte mededelingen (zoals in voornoemde uitspraak van de CRvB van 31 december 2019).

Aan eiser is een specifiek op zijn situatie gerichte concrete mededeling gedaan, namelijk dat zijn opleiding akkoord is bevonden voor deze vacature. Deze mededeling is afkomstig van een teamleider van het daarvoor verantwoordelijke organisatieonderdeel, nadat er eerst onderzoek naar is gedaan. Eiser kon daarmee – bezien vanuit zijn perspectief – menen dat zijn Hbo-masteropleiding aan de functie-eis voor de I-functie van Fiscalist voldeed.

4.6

In het kader van stap 3 heeft verweerder toegelicht dat hij een zwaarder wegend belang heeft, namelijk het in stand houden van de indeling van de huidige groepsfuncties met bijbehorende opleidingseisen. In de indeling van de huidige groepsfuncties is een gelaagdheid aangebracht die tot uiting komt in de gevraagde opleidingseisen. Daarbij is ook een opbouw in verantwoordelijkheden. De I-functie is de zwaarste en meest complexe van de groepsfunctie. Medewerkers in de I-functie worden aangemerkt als specialisten. In een complexe zaak wordt vaak een I-medewerker ingeschakeld om met een wetenschappelijke invalshoek de zaak op te lossen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de F-medewerker praktische kennis heeft en de I-medewerker wetenschappelijke kennis. Dit is de reden waarom bij vacatures voor I-functies wordt gekozen voor een WO-(master)diploma en

bij F-functies niet.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat medewerkers zonder een WO-masteropleiding niet in aanmerking komen voor een I-functie. Deze medewerkers missen de benodigde vaardigheden en wetenschappelijke kennis om de complexere vraagstukken op te lossen.

Dit geldt met name voor de ontwikkeling van het analytisch vermogen.
Gelet op deze toelichting en de vrijheid van verweerder om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder een zwaarder wegend belang toekomt. Verweerder hoeft hierdoor niet aan de gerechtvaardigde verwachting te voldoen.

Mededeling selectiecommissie

4.7

Uit mededelingen van de selectiecommissie kan eiser naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet afleiden hoe verweerder zijn bevoegdheid zal uitoefenen.
Ook kunnen mededelingen van de selectiecommissie niet aan verweerder worden toegerekend. Een dergelijke commissie is immers onafhankelijk van het bevoegd gezag en brengt aan hem alleen een advies uit. Het is vervolgens aan het bevoegd gezag te bepalen wat hij met dat advies doet. Eiser heeft niet gesteld en uit de stukken is ook niet gebleken dat de adviezen van de selectiecommissie altijd door verweerder zouden worden overgenomen.

Conclusie

5

5.1

Het beroep is ongegrond.

5.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.F.H.M. Terstegge, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 december 2020.

De griffier is buiten staat

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.