Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11686

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
C/10/590820 / HA ZA 20-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming; opgave van werkzaamheden met betrekking tot samenstelling van de grond en diepte van de sleuf; opzegging duurovereenkomst; onderbouwing schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/590820 / HA ZA 20-136

Vonnis van 9 december 2020

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. Z. Benguedda te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAAS B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. J. Wind te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Baas genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 januari 2020, met zes producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met vijftien producties,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties 7 tot en met 16,

  • -

    de akte wijziging procespartij van [eiseres] ,

  • -

    de akte uitlating wijziging procespartij van Baas,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties 16 tot en met 20,

  • -

    de akte overlegging producties van Baas,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiseres] ,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 12 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Een van de (beherend) vennoten van [eiseres] is [persoon A] (hierna: de vennoot).

2.2.

Tussen [eiseres] en Baas is in 2016 een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [eiseres] in opdracht van Baas op verschillende projecten graafwerkzaamheden heeft verricht.

2.3.

In oktober 2017 heeft Baas een schriftelijke overeenkomst aan [eiseres] voorgelegd. Deze bepaalt onder meer dat de overeenkomst uiterlijk op 30 juni 2018 eindigt en dat in geval van tussentijdse beëindiging een opzegtermijn van twee maanden in acht genomen moet worden.

2.4.

In oktober 2018 heeft [eiseres] in opdracht van Baas in Numansdorp over een lengte van ongeveer 1,4 km een sleuf gegraven en kabels gelegd. De zogenoemde productie-verantwoordingsstaat (hierna: PV-staat), die [eiseres] bij Baas heeft ingediend, vermeldt bij de uitgevoerde werkzaamheden onder andere:

Z105010 Opnemen sleufbedekking, verharding steenmengsel

Z105020 Herstellen sleufbedekking, verharding steenmengsel

Z261010 Solo sleuf CAI (0,40-0,70)

Volgens de PV-staat zijn deze werkzaamheden over het gehele traject van 1,4 km verricht. De PV-staat vermeldt een totaalbedrag van het werk van € 18.954,73. De eerste twee regels van de PV-staat staan voor ondergrond die verhard is met puin. De aanduiding “0,40-0,70” staat voor de diepte in meters van de gegraven sleuf.

2.5.

Op basis van de PV-staat van [eiseres] heeft Baas een inkooporder tot het hiervoor genoemde bedrag aan [eiseres] verstrekt. Hierop volgend heeft [eiseres] op 26 november 2018 een factuur met betrekking tot het werk aan Baas toegestuurd.

2.6.

Na ontvangst van de factuur hebben partijen contact met elkaar gehad over de urenverantwoording van [eiseres] .

2.7.

Bij e-mail van 31 januari 2019 heeft Baas aan [eiseres] laten weten dat de door [eiseres] ingestuurde factuur niet zal worden voldaan, omdat het daarop vermelde bedrag niet correct is. In de e-mail verzoekt Baas aan [eiseres] een nieuwe factuur tot een bedrag van € 11.216,25 over te leggen.

2.8.

[eiseres] heeft geen nieuwe factuur overgelegd. Betaling voor het werk in Numansdorp heeft nog niet plaatsgevonden.

2.9.

In november 2018 heeft [eiseres] in opdracht van Baas graafwerkzaamheden verricht aan het Spieringswater in Rijswijk en aan de Malakkastraat in Den Haag. Betaling voor deze werkzaamheden heeft nog niet plaatsgevonden.

2.10.

Bij e-mail van 19 december 2018, met als onderwerp: “Spieringwatering Rijswijk”, heeft een projectleider van Baas het volgende aan [eiseres] bericht, weergegeven voor zover van belang:

Je bonnen zijn aangemaakt op de Spieringswatering na.

[persoon B] is niet akkoord met opgevoerde uren en de verharding.

Neem jij contact met hem op.

Dat kan vandaag en morgen nog, anders weer in 2019.

Grondwerk wil hij niet verder gaan

2.11.

Vanaf 2019 heeft [eiseres] niet meer voor Baas gewerkt.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen € 18.954,33 (factuur Numansdorp)

  2. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen € 1.627,57 (project Spieringswater)

  3. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen € 245,72 (project Malakkastraat)

  4. voor recht verklaart dat Baas in strijd met de overeenkomst niet de opzegtermijn in acht heeft genomen en daarom schadeplichtig is

  5. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen € 35.000 althans een in goede justitie te bepalen bedrag

  6. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen € 1.253,53 althans een in goede justitie te bepalen bedrag (buitengerechtelijke kosten)

  7. Baas veroordeelt om aan [eiseres] te betalen de proceskosten.

3.2.

Baas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, met bepaling dat [eiseres] over deze kosten de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 lid 1 BW zal zijn verschuldigd indien hij deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zal hebben voldaan, en tot betaling van de nakosten.

4. De beoordeling

4.1.

De dagvaarding in deze zaak vermeldt als eisende partij de vennoot en niet [eiseres] . Baas meent daarom dat de vennoot geldt als de eisende partij en dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, nu immers vast staat dat tussen de vennoot en Baas geen rechtsverhouding is ontstaan. Voor het alsnog aannemen van [eiseres] als eisende partij in de plaats van de vennoot bestaat volgens Baas geen grond, omdat dit zou neerkomen op een – niet toelaatbare – wisseling van de hoedanigheid van de eisende partij.

4.2.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. Hier aan de orde is niet een situatie waarin sprake is van een verandering van de hoedanigheid waarin de eisende partij optreedt. Het gaat er niet om dat de vennoot de procedure pro se is begonnen en nu de procedure wil voortzetten als vertegenwoordiger van de vof. Het gaat erom dat kennelijk abusievelijk in eerste instantie de vennoot als eisende partij is vermeld op de dagvaarding, terwijl het de bedoeling was dat de vof als eisende partij zou optreden. Dit moet ook direct voor Baas duidelijk zijn geweest, nu uit de dagvaarding immers onmiskenbaar blijkt dat aan de vorderingen van de eisende partij de tussen Baas als opdrachtgever en de vof als aannemer tot stand gekomen overeenkomsten ten grondslag liggen. In haar processtukken heeft Baas ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen. Gelet op die stand van zaken behoort de foutieve vermelding van de eisende partij in de dagvaarding niet tot fatale gevolgen te leiden, te minder nu Baas door het herstel hiervan niet – laat staan onredelijk – in haar belangen wordt geschaad.

4.3.

Volgens de onbetwiste stellingen van [eiseres] was de gebruikelijke gang van zaken tussen partijen als volgt: Baas geeft opdracht aan [eiseres] tot het graven van een sleuf en het leggen van kabels, [eiseres] voert de werkzaamheden uit, [eiseres] doet door middel van een PV-staat opgave aan Baas van de verrichte werkzaamheden met vermelding van de daarbij behorende bijzonderheden (zoals de staat van de ondergrond en de diepte van de gegraven sleuf) en de prijs, Baas verstrekt voor dit bedrag een inkooporder aan [eiseres] , [eiseres] dient bij Baas een factuur in waarna deze factuur door Baas wordt voldaan.

4.4.

Ten aanzien van het werk in Numansdorp impliceert de door [eiseres] ingediende PV-staat dat gedurende het gehele traject van 1,4 km sprake was van ondergrond die verstevigd was door puinverharding, hetgeen klaarblijkelijk een kostenverhogende omstandigheid is. Daarnaast volgt uit de PV-staat dat [eiseres] de kabel over het gehele traject heeft gelegd op een diepte van 0,4 tot 0,7 meter. Op beide punten heeft Baas de juistheid van de PV-staat, en dus ook de juistheid van de daarop gebaseerde factuur, betwist. Volgens Baas is slechts op een beperkt deel van het traject sprake geweest van puinverharding en ligt de kabel op minder dan 0,4 meter diepte.

4.5.

Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de juistheid van de PV-staat rusten op [eiseres] . Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van die PV-staat, namelijk betaling door Baas van het daarmee overeenkomende bedrag. Hieraan doet niet af dat Baas aanvankelijk de PV-staat heeft goedgekeurd, althans geen aanleiding heeft gezien om kanttekeningen daarbij te plaatsen, voordat zij een inkooporder aan [eiseres] verstrekte. Niet gezegd kan worden dat zij hiermee afstand heeft gedaan van haar recht om de juistheid van de opgave van [eiseres] alsnog ter discussie te stellen dan wel dat zij hiermee het recht daartoe zou hebben verwerkt.

4.6.

Beide partijen hebben foto’s overgelegd. Uit deze foto’s kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat daadwerkelijk sprake is geweest van grond die met puin was verstevigd. Op de foto’s is de gegraven sleuf zichtbaar met aan weerszijden de weg gegraven grond. Op vrijwel geen enkele foto is puin zichtbaar. Op een enkele foto zijn stenen zichtbaar, maar het gaat daarbij om enkele verspreide stenen. Daarmee heeft [eiseres] , mede gelet op de concrete betwisting door Baas, niet voldoende onderbouwd dat de samenstelling van de ondergrond over het gehele traject van 1,4 km zodanig was dat deze een vermelding van de code voor puinverharding rechtvaardigde. In zoverre kan [eiseres] geen aanspraak maken op de daarmee corresponderende vergoeding.

4.7.

Voor de diepte van de sleuf ligt dit anders. Ook op dit punt hebben beide partijen de nodige foto’s overgelegd. De door [eiseres] overgelegde foto’s bevestigen het standpunt van [eiseres] dat de kabel op een diepte van ten minste 0,4 meter ligt. Waar dit blijkens sommige foto’s hier en daar anders is, is dit volgens de onbetwiste stelling van [eiseres] in de nabijheid van een kast waar de kabels richting de oppervlakte moeten worden geleid. De foto’s die Baas heeft overgelegd bieden geen overtuigende onderbouwing voor haar verweer dat de kabels op minder dan 0,4 meter diepte liggen. De foto’s met rolmaat zijn veelal vanuit een weinig precieze invalshoek genomen, waardoor onduidelijk blijft hoe diep het gat is ten opzichte van het maaiveld. Op veel van de foto’s lijkt de diepte in elk geval 0,4 meter of zelfs iets meer te zijn. Weliswaar is dit op het randje van wat uit de opgave van [eiseres] in de PV-staat aan de orde was, maar onjuist is die opgave daarmee niet. Nu de betwisting van die opgave door Baas onvoldoende concreet is onderbouwd, moet van de juistheid van die opgave worden uitgegaan. Gelet hierop kan in het midden blijven of de vlak voor de zitting door [eiseres] overgelegde foto’s wellicht een te rooskleurig beeld geven vanwege een (door Baas gestelde) latere ophoging van de grond boven de kabels.

4.8.

Het voorgaande betekent dat [eiseres] aan Baas een hoger bedrag heeft gefactureerd dan waarop hij aanspraak kan maken. De kostenverhogende omstandigheid van “puinverharding” is immers niet gedurende het gehele traject aan de orde. Desgevraagd heeft [eiseres] tijdens de zitting verklaard dat dit ongeveer € 2.500 op de factuur zou schelen. Baas heeft dat niet weersproken. Aangenomen moet daarom worden dat [eiseres] in verband met het project in Numansdorp recht heeft op het gefactureerde bedrag verminderd met € 2.500.

4.9.

Baas heeft betoogd dat [eiseres] in schuldeisersverzuim verkeert, omdat zij weigert een aangepaste factuur in te dienen. De rechtbank verwerpt dat standpunt. Niet gezegd kan worden dat de weigering van [eiseres] om een aangepaste factuur in te dienen Baas verhindert om haar betalingsverplichting (tot een lager bedrag dan gefactureerd) na te komen. Dat factuur en betaling dan niet volledig op elkaar aansluiten doet hier niet aan af. Evenmin bestaat grond om betaling door Baas afhankelijk te stellen van het indienen door [eiseres] van een aangepaste factuur.

4.10.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat de klus in Numansdorp een haastklus was en dat er onvoldoende tijd was om dit werk deugdelijk voor te bereiden. Volgens [eiseres] maakt Baas misbruik van haar machtspositie. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Het is aan [eiseres] als (onder)aannemer om te beoordelen of zij door haar opdrachtgever in voldoende mate in de gelegenheid wordt gesteld zich deugdelijk op een bepaald werk voor te bereiden en dus om de klus al niet aan te nemen. Als zij de opdracht aanneemt, kan zij zich niet achteraf op het standpunt stellen dat zij niet voldoende wist wat het werk omvatte. Bijzondere omstandigheden kunnen dit anders maken, maar daartoe heeft [eiseres] geen relevante feiten gesteld. De enkele stelling dat Baas een economisch sterkere partij is dan [eiseres] , is onvoldoende voor de conclusie dat Baas misbruik van haar positie maakt.

4.11.

Per saldo betekent al het voorgaande dat met betrekking tot het werk in Numansdorp een bedrag van (18.954,33 – 2.500 =) € 16.454,33 toewijsbaar is.

4.12.

Met betrekking tot het werk in Rijswijk heeft [eiseres] een PV-staat aan Baas toegestuurd, welke uitkomt op een bedrag van € 1.627,57. Ook in deze PV-staat is vermeld dat de grond waarin de sleuf moest worden begraven bestond uit puinverharding. Verder vermeldt de PV-staat in totaal 10 arbeidsuren. Volgens [eiseres] hadden deze uren te maken met de tijd die nodig was voor het vinden van onder het wegdek liggende buizen waar de desbetreffende kabels doorheen moest worden geleid. De exacte locatie van die buizen was onbekend en daarom heeft het zoeken daarnaar zo lang geduurd. Volgens [eiseres] was Baas hiervan op de hoogte. Bij repliek heeft [eiseres] deze stellingen concreet en gedetailleerd aangevuld naar aanleiding van het door Baas bij antwoord gevoerde verweer. Deze aanvulling bevat een uitvoerige beschrijving van de gang van zaken tijdens het werk in Rijswijk. Hierop heeft Baas bij dupliek slechts summier en daarmee onvoldoende concreet gereageerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door [eiseres] gestelde feiten in dit verband vaststaan.

4.13.

Dit betekent dat [eiseres] aanspraak heeft op het in de PV-staat vermelde bedrag. Tot betaling hiervan zal Baas worden veroordeeld. Hieraan doet niet af dat [eiseres] aan Baas nog geen factuur met betrekking tot het werk in Rijswijk had toegestuurd. [eiseres] heeft immers onbetwist gesteld dat dit het gevolg was van het feit dat juist Baas weigerde op basis van de PV-staat een inkooporder aan [eiseres] te verstrekken, zodat [eiseres] op haar beurt niet in staat was een factuur op te stellen.

4.14.

Met betrekking tot het werk in de Malakkastraat heeft Baas bij dupliek te kennen gegeven dat een veroordeling tot betaling van het desbetreffende bedrag niet nodig is, omdat zij vrijwillig tot betaling zal overgaan, dat wil zeggen “na controle van de PV-staat”, afgifte van een inkooporder en ontvangst van een daarop gebaseerde factuur van [eiseres] . Gesteld noch gebleken is echter dat Baas de PV-staat inmiddels heeft gecontroleerd, hoewel zijzelf heeft erkend dat zij die PV-staat al in januari 2019 had ontvangen. Dit wijst er niet op dat Baas met de nodige voortvarendheid werk zal maken van de afwikkeling van de Malakkastraat. In dit vonnis zal zij daarom tot betaling van het hiermee gemoeide bedrag worden veroordeeld.

4.15.

De vordering van [eiseres] heeft voor een bedrag van € 35.000 betrekking op schadevergoeding. Aan die vordering legt [eiseres] ten grondslag dat Baas de overeenkomst bij e-mail van 19 december 2018 van de ene op de andere dag heeft opgezegd (zie 2.10). Daarmee heeft Baas gehandeld in strijd met haar verplichting om in geval van opzegging een opzegtermijn van twee maanden in acht te nemen. [eiseres] verwijst daartoe naar de in 2.3 bedoelde schriftelijke overeenkomst. De schade bestaat volgens [eiseres] uit tweemaal de gemiddelde maandomzet die zij met opdrachten van Baas genereerde. Baas heeft de vordering gemotiveerd betwist. Ze heeft daartoe onder andere aangevoerd dat van een opzegging door Baas geen sprake is geweest, maar dat het [eiseres] zelf is geweest die geen werkzaamheden meer voor Baas wilde verrichten. Verder heeft Baas betwist dat een opzegtermijn gold en ook heeft zij de hoogte van de schade bestreden.

4.16.

De vordering is niet toewijsbaar.

4.17.

In de eerste plaats geldt dat [eiseres] , in het licht van de betwisting door Baas, onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat, zoals zij meent, Baas de overeenkomst van de ene op de andere dag heeft opgezegd door middel van de e-mail van 19 december 2018. Die mail gaat over het project in Rijswijk. In het licht daarvan heeft [eiseres] de zin “grondwerk wil hij niet verder gaan” in redelijkheid niet kunnen begrijpen als beëindiging door Baas van de volledige samenwerking, ook met betrekking tot andere projecten. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat zij van medewerkers van Baas te horen had gekregen niet meer welkom te zijn, maar zij heeft die stellingen niet onderbouwd of geconcretiseerd. Als [eiseres] de desbetreffende zin uit de e-mail van 19 december 2018 daadwerkelijk als algehele opzegging zou hebben begrepen, dan had het in de rede gelegen dat zij bij (de bevoegde personen binnen) Baas zou hebben gecheckt of dit inderdaad de bedoeling was. Dat geldt temeer nu zij op het moment van de vermeende opzegging nog bezig was met een project in Capelle aan den IJssel. Nu dus van een opzegging door Baas niet kan worden gesproken, is de vordering al om deze reden niet toewijsbaar.

4.18.

Daarbij komt dat [eiseres] haar vordering op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Wel heeft [eiseres] (uiteindelijk) erkend dat omzet niet gelijkgesteld kan worden aan schade, maar zij heeft de gestelde schade vervolgens niet alsnog op enigerlei wijze onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiseres] alsnog gelegenheid te geven die onderbouwing aan te leveren, niet alleen omdat de vordering ook om de hiervoor vermelde reden niet toewijsbaar is, maar ook omdat [eiseres] al voldoende gelegenheid heeft gekregen om die onderbouwing aan te leveren, bijvoorbeeld bij conclusie van repliek en uiterlijk ter gelegenheid van de mondelinge behandeling.

4.19.

[eiseres] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van 20 juni 2019 blijkt dat er van de zijde van [eiseres] incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding door Baas rechtvaardigen. De vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet echter worden begroot op basis van het bedrag dat aan hoofdsom toewijsbaar is. Dat is (16.454,33 + 1.627,57 + 245,72 =) € 18.327,62. De rechtbank matigt de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten daarom tot een bedrag van € 958,28.

4.20.

In totaal is toewijsbaar een bedrag van (18.327,62 + 958,28 =) € 19.285,90. Tot betaling daarvan zal Baas worden veroordeeld.

4.21.

Beide partijen worden over en weer deels in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding de proceskosten te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Baas tot betaling aan [eiseres] van € 19.285,90;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.

1980/3242