Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11676

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
20/6088
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de activiteit bouwen. Gebonden beschikking. Welstandsaspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 20/6088


uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [vestigingsplaats verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: [naam 1]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam stichting], te [vestigingsplaats stichting], vergunninghoudster, gemachtigde: [naam 2].

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen op de [adres 1].

Bij besluit van 2 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekster heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2020. Namens verzoekster is haar gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 5]. Namens vergunninghoudster is haar gemachtigde verschenen, bijgestaan door [naam 6].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 28 februari 2020 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [adres 1].

3. Verweerder heeft bij zijn primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van de wijziging van de begane grond van het pand aan de [adres 1] van kantoor naar hospice. Op de begane grond wordt in de zuid- en westgevel een deur toegevoegd in twee bestaande gevelopeningen waarin nu ramen aanwezig zijn en het hospice krijgt een afzonderlijke toegang vanuit de algemene entree.

4. Bij het bestreden besluit van heeft verweerder, onder verwijzing naar en met overname van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat zich geen weigeringsgrond voordoet nu het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.

5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand.

oordeel van de voorzieningenrechter

belanghebbende

6. Verzoekster stelt dat zij als huurster van een deel van het pand gelegen aan de [adres 2], dat in de directe nabijheid is gelegen van het pand aan de [adres 1], belanghebbende is bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, ook al is geen huurovereenkomst overgelegd, in het kader van deze voorlopige voorziening voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster belanghebbende is. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verzoekster bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven op dit adres en voorts dat verzoekster heeft toegelicht dat zij al vele jaren op dit perceel is gevestigd en dat dagelijks tien werknemers werkzaamheden verrichten vanuit het pand aan de [adres 2].

7. De voorzieningenrechter overweegt dat in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de situaties zijn opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. Dit is het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand, de Bouwverordening of het Bouwbesluit 2012. Deze in artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden. Er is dus sprake van een gebonden beschikking. Hierbij staat het verweerder niet vrij om een ruimer toetsingskader te hanteren. Voor een belangenafweging biedt artikel 2.10 van de Wabo in zo’n geval geen ruimte.

8. Het perceel aan de [adres 1] is gelegen in het op 12 december 2019 vastgestelde maar nog niet onherroepelijk geworden bestemmingsplan “Ommoord”. Verweerder heeft in zijn bestreden besluit overwogen dat, anders dan in het primaire besluit werd overwogen, dit bestemmingsplan het beoordelingskader is en niet het bestemmingsplan “Ommoord binnen de ring” nu niet gebleken is dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Ommoord” is geschorst of een verzoek daartoe nog aanhangig is. Op het perceel rust de bestemming ‘Gemengd-1’en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’.

Voor zover hier van belang luiden de bestemmingsplanregels als volgt:

1.30

Bijzondere objecten

a. bejaardentehuizen en verpleeginrichtingen (zoals ziekenhuizen en sanatoria);

(…)

1.53

Maatschappelijke voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening.

Artikel 7 Gemengd-1

7.1

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. Bedrijven t/m categorie 2 als bedoeld in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels;

b. maatschappelijke voorzieningen;

c. woningen;

d. kantoren;

e. detailhandel, ter plaatse van de aanduiding “detailhandel”. (…)

f. horeca, ter plaatse van de aanduiding “horeca” (Robert Kochplaats);

g. stallingsruimten en bergingen (boven- dan wel ondergronds):

h. voorzieningen behorend bij bovengenoemde functies, zoals groen, tuinen, erven, ontsluitingswegen en -paden.

7.2

Bouwregels

7.2.1

Algemeen

Op de voor ‘Gemengd-1’ bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies.

(…)

9. Verzoekster heeft voor het eerst in beroep aangevoerd dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat een hospice geen maatschappelijke voorziening is. De definitie van maatschappelijke voorzieningen in artikel 1.53 van de planvoorschriften is onvoldoende concreet en onvoldoende geobjectiveerd om duidelijkheid te verschaffen omtrent het gebruik dat is toegestaan. Een hospice is volgens verzoekster een ‘Bijzonder object’ als bedoeld in artikel 1. 30 van de planvoorschriften. Voor een zorginstelling is er de bestemming ‘Bijzonder woongebouw’.

10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gezien de omschrijving van de bestemming ‘Gemengd-I’ en de omschrijving van ‘maatschappelijke voorzieningen’ in artikel 1.53 van de planvoorschriften zich op het standpunt kunnen stellen dat een hospice onder die omschrijvingen valt. Voor het kennelijke standpunt van verzoekster dat het hospice een bijzonder object is als bedoeld in artikel 1.30 van de planvoorschriften omdat het een verpleeghuis/ zorginstelling met overnachting is, wordt onvoldoende steun gevonden in de formulering van dit artikel. Verweerder en vergunninghoudster hebben terecht aangevoerd dat een hospice zich onderscheidt van bejaardenhuizen en verpleeghuizen, in die zin dat in beginsel sprake is van een kortstondig verblijf waarbij de betrokkene op het eigen woonadres ingeschreven blijft staan en bovendien de verpleging in beginsel door de eigen huisarts en de reguliere thuiszorg wordt verricht. Voorts heeft verweerder kunnen overwegen dat uit de omstandigheid dat in het bestemmingsplangebied op gronden met de bestemming ‘Bijzonder woongebouw’ sprake is van één of meer gebouwen waarin één of meer instellingen zijn ondergebracht die een met een hospice vergelijkbare functie hebben, niet volgt dat de planwetgever heeft beoogd om een hospice als in geding uit te sluiten van de reikwijdte van het begrip ‘maatschappelijke voorziening’.

Gelet hierop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van strijd met het bestemmingsplan.

11. Verzoekster stelt voorts dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij doet in dit verband een beroep op het door haar overgelegde rapport ‘Second Opinion Welstand’ d.d. 3 november 2020 van [naam 4], register architect. Verzoekster stelt dat geen rekening is gehouden met het effect van het bouwplan op de openbare ruimte terwijl in de Welstandsnota staat dat met alle partijen rekening moet worden gehouden. Verzoekster doelt in het bijzonder op de ambulances en lijkwagens die in verband met het hospice met enige regelmaat zullen aan- en afrijden en die zichtbaar zullen zijn vanaf het parkeerterrein. Verzoekster acht het onwenselijk dat haar werknemers en cliënten daarmee geconfronteerd zullen worden.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna ook: Welstandscommissie) op 24 maart 2020 positief heeft geadviseerd aan verweerder. Op 6 mei 2020 heeft de Welstandscommissie een gemotiveerd advies opgesteld. Verweerder heeft het advies overgenomen. Naar aanleiding van de door verzoekster ingebrachte second opinion heeft verweerder nog een schriftelijke reactie van de secretaris van de Welstandscommissie overgelegd.

13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beoordeling omtrent welstand uitsluitend ziet op het uiterlijk van een bouwwerk. De voorzieningenrechter stelt vast dat de second opinion waarop verzoekster zich beroept met name ingaat op de vraag of het bouwplan past in het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter neemt de bevindingen uit dit rapport daarom alleen mee voor zover zij betrekking hebben op de zuivere welstandsaspecten. Voorts heeft de Welstandscommissie onweersproken gesteld dat in de second opinion ten onrechte is uitgegaan van het gebiedstype ‘Kantorenlocaties’. Het pand maakt volgens de Welstandscommissie deel uit van het gebiedstype ‘Stempel- en strokenbouw’.

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot de welstandsaspecten ziet op het beoogde gebruik van het pand en niet op de wijzigingen van de gevel, waarop de welstandsbeoordeling betrekking heeft. Daarom kunnen deze beroepsgronden niet slagen. Hetgeen ter zitting is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Er is een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen; daar ziet de welstandstoets op. Het gebruik is ingevolge het bestemmingsplan toegestaan. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de weigeringsgrond van strijd met redelijke eisen van welstand zich hier niet voordoet.

15. Gelet op het hiervoor overwogene is er naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen grond aanwezig voor weigering van de vergunning zodat verweerder gehouden was de omgevingsvergunning te verlenen.

16. Verzoekster heeft nog verwezen naar de akte van levering en de daarin opgenomen erfpachtsvoorwaarden waarin staat dat het onroerend goed uitsluitend aangewend en/of gebruikt mag worden als kantoorgebouw. Voor zover hierom sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering, kan deze gelet op de gebondenheid van de beschikking, zodat geen ruimte is voor een belangenafweging, niet in de weg staan aan het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning. Dit geldt ook voor hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot de volgens haar aanwezige alternatieve locaties voor de vestiging van het hospice, zoals de Gerard Goosenflat.

17. Dat de vestiging van het hospice leidt tot een verstoring van het erfpachtsgenot van eigenaar [naam bedrijf] en dat deze hiervan schade zal ondervinden, zoals verzoekster heeft aangevoerd, is niet een belang van verzoekster.

18. De stelling van verzoekster dat het besluit tot wijziging van het bestemmingplan niet op de juiste wijze is gepubliceerd kan in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

19. Uit het voorgaande volgt dat in beroep het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.

De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.