Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:11624

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
10/960241-17 en 10/961574-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is de oprichter en eigenaar van RGNL. Deze eenmanszaak handelde via internet in nieuwe psychoactieve stoffen (nps-en). Naast de legale handel in chemicaliën heeft verdachte zich als vendor (aanbieder) RGNL op verschillende dark markets beziggehouden met het verkopen en verzenden van harddrugs als MDMA, cocaïne, a-PVP en verschillende op lijst I van de Opiumwet voorkomende nps-en. Pakketten met drugs werden verstuurd naar adressen in binnen- en buitenland. Aanvankelijk werden bestellingen op het woonadres van verdachte verwerkt en ingepakt. Later gebeurde dit op de bedrijfslocatie van verdachte. Vast staat dat een deel van de bedrijfsvoering van RGNL bestond uit de illegale handel in harddrugs (w.o. ook cocaine) via het dark web en dat verdachte hierbij niet alleen heeft geopereerd. Gelet op het voorgaande heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van MDMA, cocaïne en a-PVP en samen met twee medeverdachten deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven van de Opiumwet. Tevens kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte middelen voorhanden heeft gehad die op lijst I van de Opiumwet vermeld staan. De verdachte wordt vrijgesproken van het zonder registratie bereiden, invoeren, afleveren en uitvoeren van sildenafilcitraat en zaleplon. Gezien het totale tijdsverloop in deze zaak is het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn geschonden. De rechtbank houdt hiermee in strafverminderende zin rekening.

De straf zoals door de officier geëist, staat niet in verhouding tot de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Dit tezamen met de termijnoverschrijding en de gegeven vrijspraak maken dat de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie voorgesteld zal opleggen.

De rechtbank legt een deel van de voorgenomen straf – 24 maanden gevangenisstraf- voorwaardelijk op. Dit voorwaardelijk strafdeel van 14 maanden dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/960241-17 en 10/961574-20

Datum uitspraak: 16 december 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 november 2017, 19 januari 2018,
12 april 2018, 14 juni 2018, 30 augustus 2018, 28 oktober, 2 en 5 november en 16 december 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 10/960241-17, zoals deze op de terechtzitting van 28 oktober 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd, alsmede hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 10/961574-20. De teksten van de gewijzigde tenlastelegging in de zaak met parketnummer 10/960241-17 en de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 10/961574-20 zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. E. van Doorn en Z. Trokic, hierna te noemen de officier van justitie, hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het bij parketnummer 10/960241-17 onder 1 t/m 4 ten laste gelegde en het bij parketnummer 10/961574-20 ten laste gelegde (met partiële vrijspraak van het medeplegen);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 3

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft opzettelijk een hoeveelheid werkzame stoffen bereid, ingevoerd, afgeleverd en uitgevoerd, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken. De verdachte kocht stoffen in zonder precies te weten of ze strafbaar waren. Daarmee heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook stoffen zou verhandelen die illegaal waren.

4.1.2.

Beoordeling

Uit het dossier volgt dat de verdachte de stoffen sildenafilcitraat en zaleplon voor handen heeft gehad zonder dat hij daarvoor de benodigde registratie had. Het voorhanden hebben van deze stoffen is echter niet ten laste gelegd. Voor het bereiden, invoeren, afleveren en uitvoeren van deze stoffen op 8 augustus 2017 is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zodat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de ten laste gelegde periode beperkt dient te worden tot de periode tussen 10 juni 2017 tot en met 14 juli 2017 omdat alleen in die periode pakketten zijn onderschept door de Finse douane. Met betrekking tot de periode daaraan voorafgaand zijn geen verdovende middelen onderschept in het buitenland en derhalve kan niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk uitvoer van MDMA, cocaïne of a-PVP heeft plaatsgevonden. Ook de hoeveelheden a-PVP en MDMA dienen te worden beperkt tot hetgeen daadwerkelijk is onderschept door de Finse douane. Verder dient de verdachte te worden vrijgesproken van de uitvoer van een hoeveelheid cocaïne nu er alleen cocaïne is onderschept op 18 augustus 2017 en dat is na de aanhouding van de verdachte.

4.2.2.

Beoordeling

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich als vendor (aanbieder) RGNL op verschillende dark markets bezig heeft gehouden met het verkopen en verzenden van MDMA en a-PVP, ook naar het buitenland. Naar eigen zeggen is hij daar drie maanden voor zijn aanhouding mee gestopt. Dat betekent dat, nu de verdachte op 8 augustus 2017 is aangehouden, daaruit volgt dat de verdachte dus (ook) in de periode voor 10 juni 2017 MDMA en a-PVP via het dark web heeft verkocht en naar het buitenland heeft verzonden.

Uit het voorgaande volgt (ook) dat de rechtbank de verdachte niet volgt in zijn verklaring dat hij drie maanden voor zijn aanhouding is gestopt met de verkoop van MDMA en a-PVP. Uit het dossier blijkt dat hij op 28 juni 2017 nog contact heeft gehad met een bedrijf waarbij hij aangeeft een sample a-PVP te willen ontvangen, waarna er gesproken kan worden over bulk orders. Tevens geeft hij aan dat hij een vendor is. Daar komt bij dat door de medeverdachte [naam medeverdachte 1] namens RGNL op 8 augustus 2017 nog een pakketje met a-PVP op de post is gedaan. Daaruit volgt dus dat de verdachte zich tot aan het moment van zijn aanhouding bezighield met de verkoop van in ieder geval a-PVP.

Het verweer van de raadsman dat bij de beoordeling alleen kan worden uitgegaan van de daadwerkelijk onderschepte verdovende middelen wordt dan ook verworpen.

Met betrekking tot de ten laste gelegde uitvoer van cocaïne merkt de rechtbank het volgende op. Weliswaar is er geen cocaïne onderschept waarvan kan worden vastgesteld dat het door de verdachte is verzonden, maar door de vendor RGNL werd wel cocaïne aangeboden op de verschillende dark markets. Ter zitting heeft de verdachte bovendien verklaard dat hij verschillende middelen van lijst I van de Opiumwet heeft verkocht en verstuurd. In het licht daarvan kan ook de uitvoer van cocaïne wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3.

Bewijswaardering feit 2 (10/960241-17) en parketnummer 10/961574-20

4.3.1.

Standpunt verdediging

Met betrekking tot de verdovende middelen die op 8 augustus 2017 in de woning van de verdachte en in de werkruimte aan de [adres werkruimte] zijn aangetroffen, alsmede de verdovende middelen die op 7 mei 2019 in Best zijn aangetroffen heeft de verdediging geen vrijspraak bepleit.

4.3.2.

Beoordeling

Op basis van de wettige bewijsmiddelen kan bewezen worden verklaard dat de verdachte de verdovende middelen zoals ten laste is gelegd bij de genoemde feiten aanwezig heeft gehad. Niet kan worden vastgesteld dat ook sprake is geweest van het verwerken, verkopen en verstrekken van deze middelen op de in de tenlasteleggingen genoemde data. Daarvan zal de verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken.

4.4.

Bewijswaardering feit 4

4.4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat niet bewezen kan worden dat sprake was van een samenwerkingsverband met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] . [naam medeverdachte 4] handelde zelfstandig als vendor op de dark markets in verboden producten, had eigen klanten en de verkoopopbrengst voor de verzonden pakketten kwam geheel toe aan [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] . Van samenwerking met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] is evenmin sprake omdat zij voor zichzelf werkten. Vanaf mei 2017 hadden zij een deel van de activiteiten van RGNL overgenomen. Ten aanzien van [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 1] is geen sprake van een crimineel samenwerkingsverband omdat voor de samenwerking met hen juist niet gold het oogmerk van het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet. Indien wel een crimineel samenwerkingsverband bewezen wordt, dan heeft dit samenwerkingsverband hoogstens acht maanden geduurd.

4.4.2.

Beoordeling

Aan de verdachte is onder 4 ten laste gelegd de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet vereist een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Niet vereist is dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de eenmanszaak RGNL via internet handelde in nieuwe psychoactieve stoffen (nps-en). De verdachte, in dit verband ook aan te duiden als [naam verdachte] , is de oprichter en eigenaar van RGNL. Naast de legale handel in chemicaliën heeft [naam verdachte] zich als vendor (aanbieder) RGNL op verschillende dark markets beziggehouden met het verkopen en verzenden van harddrugs als MDMA, cocaïne, a-PVP en verschillende op lijst I van de Opiumwet voorkomende nps-en. Pakketten met drugs werden verstuurd naar adressen in binnen- en buitenland. Aanvankelijk werden bestellingen op het woonadres van [naam verdachte] verwerkt en ingepakt. Later gebeurde dit op de bedrijfslocatie aan de [adres werkruimte] .

Vast staat dat een deel van de bedrijfsvoering van RGNL bestond uit de illegale handel in harddrugs via het dark web en dat [naam verdachte] hierbij niet alleen heeft geopereerd.

Uit het dossier volgt dat [naam medeverdachte 5] vanaf mei 2017 in de woning in Helmond meerdere pakketten met harddrugs heeft ingepakt en verzonden in opdracht van [naam verdachte] en RGNL. Dat [naam medeverdachte 5] wetenschap had van het illegale karakter van de verzonden stoffen leidt de rechtbank af uit de op het werkadres van [naam medeverdachte 6] aangetroffen handgeschreven prijslijst met verboden middelen, inloggegevens van Alphabay en Valhalla en een handleiding hoe bestellingen af te handelen op de dark markets.

Een samenwerkingsverband met [naam medeverdachte 6] acht de rechtbank daarentegen niet bewezen. Het is niet ondenkbaar dat [naam medeverdachte 6] op de hoogte was van de criminele activiteiten van [naam medeverdachte 5] voor [naam verdachte] en RGNL. Dat de woning van [naam medeverdachte 6] door [naam medeverdachte 5] werd gebruikt als inpakadres en dat op hun huisadres pakketten voor [naam verdachte] en RGNL werden ontvangen is echter te gering om te kunnen spreken van een (eigen) aandeel van [naam medeverdachte 6] in de organisatie.

Ook de partner van [naam verdachte] , [naam medeverdachte 7] , verrichtte werkzaamheden voor RGNL. Zij hielp onder meer met het inpakken van de pakketten en het maken van adreslabels. Ook onderhield zij contact met [naam medeverdachte 5] en gaf haar op verzoek van [naam verdachte] instructies over het inpakken en versturen van pakketten via DHL, zodat aan de buitenkant niet te voelen was wat er in de enveloppen zat. Verder hielp [naam medeverdachte 7] [naam medeverdachte 5] met het inloggen op de dark markets als haar dat niet lukte. De rechtbank acht bewezen dat [naam medeverdachte 7] wist van het criminele oogmerk van RGNL en wijst daarbij onder meer op de notities van [naam medeverdachte 7] in de aangetroffen agenda over XTC, a-PVP en Valhalla.

[naam medeverdachte 1] was sinds maart 2017 in dienst van RGNL. Hij hield zich bezig met het verwerken van orders, het inpakken van de bestelde chemicaliën en het verzenden van de pakketten. Hoewel vast is komen te staan dat [naam medeverdachte 1] tijdens zijn werkzaamheden middelen als genoemd op lijst I van de Opiumwet heeft ingepakt en verzonden, acht de rechtbank niet bewezen dat hij wetenschap had van het illegale karakter van de stoffen en het criminele oogmerk van de organisatie. Van een crimineel samenwerkingsverband met [naam medeverdachte 1] is om die reden geen sprake.

Vastgesteld is dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] zich als vendor [naam medeverdachte 4] op de dark markets Valhalla en Dream Market bezig hielden met het verkopen en verzenden van harddrugs als Ketamine, cocaïne, XTC-pillen en MDMA. Pakketten met drugs (verstopt in uitgeholde kaarsen) werden door hen vanuit hun woning verstuurd naar adressen in het buitenland. In de berging van de woning en de schuur van hun grootmoeder zijn aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen. Als zodanig is [naam medeverdachte 4] van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] dan ook als crimineel samenwerkingsverband in de zin van artikel 11b van de Opiumwet aan te merken.

Het dossier bevat verschillende aanwijzingen dat er een verband bestaat tussen de vendor RGNL van [naam verdachte] aan de ene kant en de vendor [naam medeverdachte 4] van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aan de andere kant. Gewezen kan worden op de overeenkomsten aangaande de modus operandi van de beide aanbieders. Ook duiden de aangetroffen
e-mailberichten op de HP laptop die is gevonden in de auto van [naam medeverdachte 3] op zakelijk contact tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachten 2+3] . In het Excel-overzicht Maandoverzicht 2017 (eveneens aangetroffen op de voornoemde HP laptop) waarin een overzicht wordt gegeven van de verkopen per dark market, lijkt een verdeling te zijn gemaakt tussen RGNL en [naam medeverdachte 4] . Hoewel deze aanwijzingen een zekere relatie tussen de beide aanbieders veronderstellen en het erop lijkt dat RGNL op enig moment de handel in harddrugs (the real drugs) heeft overgedragen aan [naam medeverdachte 4] , is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband te spreken. Eerder lijkt er sprake van twee zelfstandig naast elkaar opererende organisaties.

4.5.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van MDMA, cocaïne en a-PVP en samen met de medeverdachten [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven van de Opiumwet. Tevens kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte middelen voorhanden heeft gehad die op lijst I van de Opiumwet vermeld staan. De verdachte wordt vrijgesproken van het zonder registratie bereiden, invoeren, afleveren en uitvoeren van sildenafilcitraat en zaleplon.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

10/960241-17

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2016 tot en met 16 augustus 2017 te Helmond en/of Boxtel

tezamen en in vereniging met anderen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft verkocht en heeft afgeleverd en heeft vervoerd en heeft verstrekt,

(telkens) een hoeveelheid mdma en/of cocaïne, en/of

(in de periode van 30 juni 2017 tot en met 10 juli 2017) een hoeveelheid a-PVP,

zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 8 augustus 2017 te Boxtel,

tezamen en in verenging met een ander

(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad onder andere, ongeveer:

(in de woning:)

-17 tabletten MDMA

(in de werkruimte, gelegen aan de [adres werkruimte] :)

- 233,46 gram methoxetamine en

- 7,29 gram 4- fluoramfetamine en

- 720 gram 4-ACODMT en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine,

4.

hij in de periode van 1 juni 2016 tot en met 29 augustus 2017, te Boxtel en/of Helmond, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid Opiumwet, namelijk

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van mdma en/of cocaïne en/of a-PVP en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine en/of 4Fluoramfetamine en/of methoxetamine

10/961574-20

Hij op 7 mei 2019 te Best, aanwezig heeft gehad onder andere, ongeveer:

- 173 gram 4-ACODMT, bevattende O-acetylpsilocine, zijnde een ester van

psilocine

- 903 blotters/zegels ALD-52, bevattende een di-alkyamide derivaat van

lyserginezuur (LSD) met ingevoerde acetylgroep

-2637 blotters/zegels ETH LAD, bevattende een di-alkyamide derivaat van

lyserginezuur (LSD) met ingevoerde methylgroep

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

10/960241-17

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meer malen gepleegd

4. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid van de Opiumwet

10/961574-20

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan de handel in verdovende middelen in georganiseerd verband. De verdachte heeft in eerste instantie een bedrijf opgezet voor de verkoop van nieuwe psychoactieve stoffen (nps-en). Hij verkocht die middelen op verschillende dark markets op het dark web waaronder Alphabay en Valhalla. Op enig moment is hij naast deze (legale) nps-en ook verdovende middelen als MDMA, cocaïne en a-PVP op deze wijze te koop aan gaan bieden. Afnemers konden een bestelling plaatsen op de verschillende dark markets waar de verdachte als vendor actief was, waarna de verdovende middelen in zijn bedrijfsruimte onder meer door zijn vriendin werden ingepakt en met de post werden verzonden naar binnen- en buitenland. Door een andere medeverdachte werden aan de hand van de instructies van de verdachte ook pakketjes met verdovende middelen thuis ingepakt en vervolgens naar het buitenland verzonden. Hierbij werden fictieve afzendadressen opgegeven. De communicatie daaromtrent verliep via versleutelde berichten op het dark web.

Op deze manier konden de verdachte en zijn medeverdachten zich anoniem op internet begeven en anoniem verdovende middelen te koop aanbieden en vervolgens verhandelen. De verdachte heeft door middel van die netwerken geruime tijd een aanzienlijke hoeveelheid afnemers uit uiteenlopende landen op een planmatige wijze, met uitgekiend verpakkingsmateriaal en met fictieve retouradressen, bediend. Aldus heeft de verdachte samen met anderen die verdovende middelen naar diverse landen uitgevoerd.

De verdachte heeft met zijn gedragingen zijn eigen gewin boven de veiligheid van de afnemers van de drugs gesteld en die afnemers willens en wetens bloot gesteld aan zeer ernstige gezondheidsrisico’s. De verdachte heeft een geraffineerde organisatie opgezet. Het spreekt voor zich dat een dergelijke organisatie met als doelstelling de handel in verdovende middelen een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekenen. Naast voornoemde handel in verdovende middelen heeft de verdachte ten behoeve van die handel een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen voorhanden gehad die staan vermeld op lijst I van de Opiumwet. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen en gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag bekostigen, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Van de handel in verdovende middelen is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
7 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft diverse rapportages over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 juni 2018, 14 januari 2019 en 31 maart 2020. Uit de rapportages blijkt dat de verdachte geen problemen heeft op de diverse leefgebieden. De kans op recidive wordt daarom als laag ingeschat. De reclassering ziet geen toegevoegde waarde in voortzetting van het toezicht.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

De rechtbank is verder van oordeel dat gezien het totale tijdsverloop in deze zaak het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hiermee in strafverminderende zin rekening houden.

De straf zoals door de officier geëist, staat niet in verhouding tot de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Dit tezamen met de termijnoverschrijding en de gegeven vrijspraak maken dat de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie voorgesteld zal opleggen.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de op de onder III aangehechte beslaglijst genoemde goederen het volgende gevorderd:

- de onder nummer 3 genoemde bitcoins ter waarde van € 26.792,95 verbeurd te verklaren nu het aannemelijk is dat deze zijn verdiend met de handel op het dark web;

- de onder nummer 12 genoemde bedrijfsvoorraad van de verdachte te onttrekken aan het verkeer nu het daarbij ging om zowel legale als illegale stoffen waarbij risico op contaminatie bestond en gezondheidsrisico’s;

- de onder de nummers 14 t/m 29 en 34 t/m 45 genoemde goederen verbeurd te verklaren;

- de onder de nummer 30, 32 en 35 genoemde goederen te onttrekken aan het verkeer.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de gevorderde verbeurdverklaring van de onder nummers 14 t/m 45 genoemde goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De onder nummer 12 genoemde bedrijfsvoorraad is direct na de inbeslagname reeds volledig vernietigd.

Ten aanzien van de bitcoins geldt dat deze alleen verbeurd kunnen worden verklaard indien vast komt te staan dat een transactie voor een lijst I stof met bitcoins is betaald. Nu daarvan geen sprake is dienen de bitcoins aan de verdachte te worden teruggeven.

8.3.

Beoordeling

De onder nummers 14 t/m 29 en 34 t/m 45 genoemde goederen worden verbeurd verklaard.

De bewezen feiten zijn met behulp van deze voorwerpen voorbereid dan wel begaan.

De onder nummers 30, 32 en 33 in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Ten aanzien van de onder nummer 3 genoemde bitcoins zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte nu niet is komen vast te staan dat deze bitcoins zijn verkregen door de bewezen verklaarde strafbare feiten. De verdachte voerde ook een legale handel waarbij bitcoins als betaalmiddel werden gebruikt en uit het dossier is onvoldoende gebleken dat de bitcoins zijn verdiend met de handel in verdovende middelen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het bij parketnummer 10/960241-17 onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de bij parketnummer 10/960241-17 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten en het bij parketnummer 10/961574-20 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 (veertien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de onder IV aangehechte lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de bewezen verklaarde feiten: de nummers 14 t/m 29 en 34 t/m 45;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de nummers 30, 32 en 33;

- gelast de teruggave aan verdachte van: de onder 3 genoemde bitcoins ter waarde van

€ 26.792,95;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2020.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10/960241-17

1.

Hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juni 2016 tot en met 16 augustus 2017 te Helmond en/of Boxtel en/of Eindhoven en/of Beek en Donk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of heeft verstrekt,

(telkens) een hoeveelheid mdma en/of cocaïne, en/of

(in of omstreeks de periode van 30 juni 2017 tot en met 10 juli 2017) een hoeveelheid a-PVP,

althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende respectievelijk 3,4-methyleendioxymethamfetamine, althans mdma, en/of a-PVP en/of

alfa-pyrrolidinevalerofenon en/of cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

(artikel 2 ond A en B Opiumwet

Art 47 lid 1 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht

Art 10 lid 5 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 8 augustus 2017 te Boxtel , althans in Nederland,

tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen

opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of verstrekt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad onder andere, ongeveer:

(in de woning:) -17 tabletten MDMA

(in de werkruimte, gelegen aan de [adres werkruimte] :)

- 233,46 gram methoxetamine en/of

- 7,29 gram 4- fluoramfetamine en/of

- 720 gram 4-ACODMT en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of methoxetamine en/of 4-fluoramfetamine en/of 4-ACODMT en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine, althans (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid

van die wet;

(art 2 ahf/ ond B, C en D Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/ sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet)

3. hij op of omstreeks 8 augustus 2017 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer: - 55,66 gram sildenafilcitraat en/of - 480 gram zaleplon in elk geval een werkzame stof, heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd;

(art. 38 Geneesmiddelenwet)

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 29 augustus 2017, te Boxtel en/of Beek en Donk en/of Helmond, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [naam medeverdachte 7] en/of, [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 5] en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of de natuurlijke perso(o)n(en) achter de/het vendoraccount(s) van RGNL en/of [naam medeverdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid Opiumwet, namelijk

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van mdma en/of cocaïne en/of a-PVP en/of acetylpsilocine en/of (een ester van) psilocine en/of O-acetylpsilocine en/of 4Fluoramfetamine en/of methoxetamine, althans (een)

middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

(art 11b Opiumwet)

10/961574-20

Hij op of omstreeks 7 mei 2019 te Best , althans in Nederland tezamen en in

verenging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk heeft

verwerken en/of verkocht, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad onder

andere, ongeveer:

- 173 gram 4-ACODMT, bevattende O-acetylpsilocine, zijnde een ester van

psilocine

- 903 blotters/zegels ALD-52, bevattende een di-alkyamide derivaat van

lyserginezuur (LSD) met ingevoerde acetylgroep

-2637 blotters/zegels ETH LAD, bevattende een di-alkyamide derivaat van

lyserginezuur (LSD) met ingevoerde methylgroep

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende O-acetylpsilocine

en/of di-alkyamide derivaat van lyserginezuur met ingevoerde acetylgroep

en/of di-alkyamide derivaat van lyserginezuur met ingevoerde methylgroep,

althans een hoeveelheid middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende

althans een hoeveelheid middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet